Thomas More: Een treurspel in verzen

Part 3

Chapter 33,709 wordsPublic domain

MORE Ik geef mijn naam vertrouwend aan den vloed der tijden over, wetend, dat hij daaruit eens op zal rijzen blinkend-geschuurd en blank van schuld. De toekomst maakt het onrecht van heden goed....

NORFOLK En zoo het anders kwame?

MORE Dan wil ik liever ook toekomstig onrecht dragen, dan tegen mijn geweten doen....

NORFOLK Ge zijt uitzinnig! Allen zullen zweren....

MORE Zoo laat dan één anders dan allen zijn: gewetens zijn niet gelijk aren, buigend alle naar ééne zijde voor den wind.

NORFOLK Bij God, Heer Thomas, voor de laatste maal, neem u in acht met koningen te twisten: des konings wraak beduidt de dood.

MORE De dood spaart evenmin wie in ’s konings genade volop zich zont. Hij is de oceaan waar onze levens eens alle in monden, al is hun aller weg niet even lang....

CRANMER (tot Norfolk) Hij is niet meer te helpen.... (tot More) ’t Is des konings wil dat gij en de bisschop van Rochester morgen u vervoegt in het aartsbisschoppelijk paleis, om de besluiten te bezweren.... Een bode haalt u nog van avond af.... Zie toe, dat ge voor morgen maakt gesmijdig dit overstug geweten, ’t leert te plooien zich naar den vorm van ’s konings wil. Zoo niet: de Tower wacht....

MORE (tot Cranmer) Morgen als heden geve God mij kracht voor geen verlokking of geweld te wijken; (tot Norfolk) Ik wensch u heil, mijnheer.

NORFOLK Ik u verstand.

(Norfolk en Cranmer af).

MORE Nu heb ik een koers gezet, die mijn schip doet recht tegen de klip der koningsmacht oploope’, en zeker zal verbrijzelen.... Ik kan niet meer terug.... Vreemd om het land te zien wegdeinen en zeker te weten dat men nooit in de haven wederkeert.... Goddank! het zwaarste deed ik.... al het and’re zal gebeuren zonder mijn doen. (Margreet treedt binnen) Margreet.... Kom bij me, kind.

MARGREET Ik zag de heeren gaan.... Ze bleven lang.... (Zij ziet More aan en verschrikt) Vader, wat is.... wat kwamen ze doen?

MORE Zien, of ze konden met gedreig murv maken je vaders gewete’, of dat hardere hamers daartoe noodig zijn....

MARGREET Ze dreigden u? Waarmee?....

MORE (ziet haar zwijgend aan; zij bedekt het gezicht met de handen) Wees niet verschrikt, er is niets gebeurd om verschrikt te wezen, mijn kind. Kom, zet je op het oude plaatsje: wij willen akademie houden, als je placht te noemen ons vertrouw’lijk spreken over de vragen die van alle zijden dit klein levens-eiland ombruisen.

MARGREET (gaat aan zijn voeten op een bankje zitten) Zoo voel ’k mij weer worden het jongmeisje, vol van vagen drang en onbestemd verlangen, dat uit uw zacht-nadrukkelijke woorden eens ’t licht van zekerheid zag opgaan....

MORE Zacht wendde je jonge ziel zich naar dat licht.... Ik zag de kelk zich openen, begeerig drinken den dauw, dien ik opving voor jou van Plato’s lip en die der and’re wijzen.

MARGREET Wat was het zoet, aan uw hand te betreên dat gouden land van de philosophie; te voelen, hoe een vastheid in mij groeide en sterker werd.

MORE Wat was het zoet, te stijgen hand in hand naar de toppen der gedachte, waar opengaat de zin des levens.... Kind, ik heb in jou mijn groot geluk gevonden en ik wil dat je weet hoe ik het vond.— Mijn kind’ren heb ik alle lief gelijkelijk, met de teedere liefde eens vaders, maar jou heb ik ook nog lief anders, niet teederder maar hoopvoller. Ik heb in jou mijn liefste droomen lief, het heilige verlangen en verwachten, dat mijn hart aanraakte: het zoet gezicht dat in mij groeide door de blijde dagen van mijn volrijpe jeugd....

MARGREET Ge meent het beeld der vrouw, gelijk zij zijn zal, wanneer allen denken als gij denkt.

MORE Ja, het beeld der vrouw als zij zijn zal in schemerverren tijd, wanneer de booze waan heeft uitgewoed die haar nu houdt vernederd en gevangen.... O schoone wereld, waarin zij zal zijn den man gezellin, saam zij zullen dorschen ’t gedachte-zaad....

MARGREET Konden wij haar zien worden, die schoone wereld....

MORE Ik zag haar worden kind en dat was mijn geluk.... ’k zag in jou hoofdje de vonk der rede aangroeien tot vlam.... Ik zag over dit zacht gelaat, tot mij in teed’re schroomvalligheid eerst geheven, den glans zich breiden van bewusten wil, en d’argelooze blik dier lieve oogen verdiepen tot lange nadenkendheid. Ik zag het meisje vol verholen drang schuilgaand in droomen, tot de jonkvrouw rijpen, moedig en frank, wier welgewogen oordeel weegt voor den man, dien hare vrije neiging verkoor.... ik zag de jonge moeder niet de lijfjes maar van haar liev’lingen koest’ren, hun leen’ge willen ook buigen en leiden met zek’ren zin en vaste hand.—En als de spotters, kleingeloovigen, wier vleugels hen niet drage’ over heden heen, mij hoonden om de droomvrouwen van Utopia, lachte ik hun een stille glimlach tegen en mijn hart sprong de tijden tegemoet dat de kleine jonkvrouwen zullen baden in klare kennis hun kost’lijke ziel, en de moeders wetenden zijn, en vroed voor de gemeenschap.... jij gaf mij die zegen: ik dank je daarvoor kind....

MARGREET Al wat ik ben werd ik door u; al wat ik weet, ik heb het van u geleerd; aan u gelijk te worden zooveel ik kon, dat was mijn prilste wensch; mijn stoutste droom, u tot een hulp te zijn.

MORE Jij waart de blanke vijver, die getrouw de kruinen spiegelde, en al hun deinen van mijn gedachte-woud, die ’t heimlijk ruischen van mijn hart kende, en nimmer verried.

MARGREET O laat het mij nu ook zijn! Geef mij weder uw hart! Vertrouw mij, leg op mij de zwaarte die ’k zie dat u bedrukt....

MORE Heugt je den dag dat wij gelezen hadden Plato’s woorden over de ziel en haar onsterflijkheid, en daarna zaten in den stillen schemer wiens zachte hand soms de verborgen dingen omhoog streelt uit hun schuilhoek in het hart? Heugt het je nog?

MARGREET Het was den dag nadat ge tot het kanselierschap waart gehuldigd, een vrede-ademende najaarsdag.... Vijf jaren zijn sinds dien voorbijgestroomd, ik huwde, God schonk mij twee lieve kindren, en gist’ren schijnt die dag....

MORE Heugt je nog wat wij toen sprake’ over dood en leven, hoe worde’ is der wereld wezen, alle dingen dragen in zich kiem van weder-vergaan? En dit aller droefheden droefheid is, dat het hart niets omvatten kan in veilig bezit?

MARGREET ’t Is mij als hoor ik weer uw stem, manend: „daarom moet het tot d’ eeuwge sterren zich beuren, en tusschen hun gouden spaken zich vleie’ als in een nest”.... ’k voel langs mijn wangen weer druppen de tranen van stil berouw. Wij meisjes waren overstelpt geweest door d’ ongewende pracht, de vreemde hulde.... Wij waande’ ons in een hoog’re sfeer geheven boven ons oude zelf.... den dag na ’t feest riept ge mij, om samen Plato te lezen en koost den Phaedon.... ik voelde den roes van wereldschheid als dunne damp vervliegen.... Mijn beste vader, ’k dank het meest dat uur dat toen ineenstortte ons oude leven van weelde en glans, mijn hart niet werd verschrikt.

MORE Ja, jij bleef staan, een steun voor arme ontwrichtte moeder en jongere zusters, die met duiven-oogen mij hulp’loos aanzagen.... O blijf ook nu mijn onverschrokken kind.... Heugt het je nog hoe wij verder sprake’ in den stillen avond over den mensch, hoe hij soms raakt beklemd tusschen ’t stuwen van oversterke machten, gedreven wordt waarheen hij niet wil gaan, en een wijl worstelt in wanhopig weren van wat zijn diepst ik onafweerbaar weet? Tot hij op een dag neerdaalt in zichzelven en zich gewonnen geeft; en op het pad, dat hem ontvoeren zal aan de beklemming der dingen en het wrijten van zijn wil, vestigt hij rustig-lang den blik der oogen en rijst om te gaan.... Weet je ’t nog, Margreet?

MARGREET Hoe zou ik het vergeten? In dat uur werd immers ons verbond gesloten....

MORE Ja, in dat uur vond je dapper hart zichzelf. Want toen ik vroeg: kind, zoo wie jou was ’t liefste, stond voor de keus, als voor een donker water, de steilte van den dood beklimmen, of zich laten dringen op omlage wegen die hij verfoeit—zag ik je wange’ en hals en heel je wezen bespreid van den gloed dien het hart opzendt als een eed’le en hooge willing ’t in vlam zet, en je stem was hel van dapperheids goudenen klankkleur, sprekend: „veel liever zag ik hem dood, dan zich zelven ontrouw—immers wenschte ik hem dan toe lijden bitterder dan de dood”—weet je het nog, mijn kind?

MARGREET Ik heb zoo vaak geschreid, omdat ik het niet kon vergeten, en wat toen kwam....

MORE Hoe ik je hand nam en die kleine koude hand tusschen de mijnen klemmend, vroeg „zoo de dag eens kwam, Margreet, dat ik stond, aangedrukt tegen de keuze waaraan het leven hangt—zou jij mij dan steunen van uit je hart”—en jij niet spreken kon, maar knikte van ja?—dat was ’t niet waar?

(Margreet knikt zwijgend.)

Het heugt je nog. Nu is die dag gekomen. Help mij Margreet. Ik heb de keus gedaan.

MARGREET Vader.... Wat gaat ge doen?

MORE Ik ben gedreven naar wat ik wou ontgaan. Al mijn beleid heb ik gebruikt, mijn boot voorbij te sturen aan deze klip, met al mijn kracht gestreefd den greep t’ ontkomen, die zich om mij knelt. Vergeefs! ik had sinds lang met eigen handen de ketenen gesmeed waarmee het lot mij binden zou.

MARGREET Van dat g’ u verbondt aan den koning, broeide de botsing aan de kim van elken dag; komen moest zij als zijn zelfzuchtige driften schuimend zouden bijte’ in den breidel van uw wil.... wij wisten ’t.... Dikwijls vreesden wij wat ging gebeuren. Maar ge hebt den band verbroken, die u aan den koning bond.... ge zijt weer vrij.... ik dacht u veilig.... vader, wat dreigt ons nog?

MORE Ik heb den band verbroken die m’ aan den koning bond, maar niemand kan den band ontbinden tusschen hem en zijn verleden: ’t weefsel van zijn vroeg’re daden omwikkelt hem voor goed.... Hoe hooger ’k steeg, hoe vaster mij de vorst in zijn vertrouwen omvatte, als in een tooverring, die zich nooit meer ontsluit waar hij zich heeft gesloten, des te minder kon zijn koningswil dulden dat ik mij loswrong.... poogde het te doen.... Toen in zijn sterke lijf de sterke lusten: wulpschheid, heerschzucht, gelddorst, uitbraken en het teer gewas wegvraten der belofte van zijn groene jeugd, toen moest ik gaan, wilde ik niet, blijvend, mee schuld drage’ aan daden die ik verfoeide,—of tusschen hem en mij oproepen d’ erge botsing, die zou voeren tot mijn vernietiging. Die te ontwijken ben ik gegaan: ik ging vergeefs, Margreet.

MARGREET Wat wil hij nog?

MORE Aanzien en rijkdom stroopte ik mij als waardelooze vodden van het lijf en waande een poos den greep te zijn ontkomen, reeds knellend om mijn hals.—’k Herademde! Maar ’t onweer drong weer op, geduchter dan het eerst was geweest.... Toen wist ik mij verloren.... Ik wees het je, maar je wilde niet zien....

MARGREET Ik kon het niet....

MORE Mijn dapper kind, nu staat de booze wolk vlak boven onze hoofden: nu moèt je zien. De koning eischt een eed, die zijn leugenbond met Anna vat in gouden lijst van wettelijke wijding, en een and’ren, die hem verheft tot hoofd der kerk van Engeland. Ik kan die eeden niet zweren, mijn geweten wil het niet.

MARGREET Wat zult ge....

MORE Ik kan niet verder uitwijken, en mijn weig’ring raakt den koning in ’t hart; want om zijn wil door te zetten behoeft hij steun van allen, wier woord in de schalen der openbare meening weegt:—wie niet met hem meespringt over de hinderpalen van wet en zede en goddelijk gebod, wordt zelf, een hinderpaal, omvergehaald. Hem blijft geen keus, als mij geen keus blijft. Hij moet mij vernielen, misschien tegenwillig, zooals ik tegenwillig moet trotseeren ’t zwaard zijner macht.

MARGREET O waart ge nooit in dienst getreden van den koning! Hadt ge nooit voor hem ’t vrije leven van den geleerde vaarwel gezegd, waarnaar uw hart bleef hunk’ren als een schelp naar de zee.... Hem offerdet ge de rust der dagen, de slaap der nachten, ’t zoet verzamen met ons,.... voor hem hebt ge der zorgen last geschouderd, haar gedragen van jaar op jaar, en nu....

MORE Margreet, spreek zoo niet verder; je weet niet wat mij dreef in ’s konings dienst. Ik wil je alles toevertrouwen, kind, dat je moogt zien hoe wat nu gaat gebeuren met diepe wortels vastzit in ’t verleên.— Heerlijk waren de dagen mijner jeugd! de luchten trilden van de nieuwe leuzen, die d’ ontwakenden toeriepen elkaar. Boven de grenzen uit van land en taal werd een zuivere broederschap geboren; strijdbroederschap tegen al wat het blijde leven op Gods lieflijke aarde ontwijdt: domheid en wreedheid, breidelooze zeden en blind geweld. Eén hoop bevleugelde ons: niet maar de kerk, neen, d’ aarde zelf, de menschheid te zuiveren door de macht van den geest. Sommigen onzer verdiepten zich zoo in de zinnige woorden die ons tegen- fonkelden uit de lang verzonken tijden, dat zij tot zoete levenstaak verkozen die te reinigen van der eeuwen stof. Mij gaf natuur een zin, die zich niet kon gansch in vervlogene schoonheid verzinken, maar zich van haar beurde naar onze dagen, om die schooner te maken, kon het zijn. Ik zag der tijden drang, den harden nood der arme duizenden, die hulploos zwerven, verjaagd van hof en erf; ’k zag gouddorst in de grooten mensch’lijkheid versmoren, de kleinen zich, gelijk wormen gemarteld, winde’ in kronkels van den nijd. Ik zag de vrouw in lediggang vermorsen haar reedlijke vermogens en haar hart, een weeldepop, of als lastdier beladen overzwaar, zwoegen naar den dood. Ik zag alom de ongelijkheid van bezit, als de grond van de algemeene krankte die ’t lichaam aanvrat van de christenheid. —Maar ook zag ik het menschelijk vernuft opendwingen, een geweldige beitel, de geheime bergplaatsen der natuur. Ik zag de aarde grooter worden: voor onze verbaasde, opgetogen oogen nieuwe deelen van haar verschijnen, als trok morgennevel op over de wereld. En toen rijpte het droomgezicht in mij; uit vele wortels groeide het omhoog.... Land van geluk en minnelijk verkeer der menschen, van vrede die zal omranken hun dagen, als ’t bezit gemeen zal zijn van de goederen des levens, en geen mensch meer om geld zijn broeder misbruikt en verdrukt, als allen samen maken wat behoeven allen tot leven, lieflijke velden van Utopia, lachende huizen tusschen groene tuinen, lachende kinderen die geen vrees kent, blinkende scharen van mannen en vrouwen edel van leden en zuiver van ziel: eens zult ge zijn, ik weet het. Maar wanneer? Hoe zal de menschheid haar weg tot u vinden? Ik kan ’t niet zien.—In mijn hoopvolle jeugd, Margreet, waande ik een weg te weten: daarom trad ik in ’s konings dienst.

MARGREET Vader.... ik zie uw hoop.... den koning.... hem wildet gij winnen, voor de wet winnen van Utopia....

MORE Een vriend van ’t nieuwe weten leek hij, wien het dienden minlijk gezind—en toen hij was gekroond, wendend den steven van zijn vaders banen naar recht en vrede weg. Hij riep mij tot zich, en het snijdend woord mishaagde hem niet, waar ik de euvelen van de gemeenschap mee openlei. Zoo werd mijn waan geboren, —uit verlangen en hoop werd die geboren— dat hij de heerscher was, verkozen om menschheid op den weg van geluk te voeren, zoo ik hem steunde. Heerlijk door mijn leden welde een vloed toen van duizelig geluk. Maar ook verhief zich door het bloed de stem der neiging, en fluisterde mijn hart toe: „de staatsdienst is het graf der vrijheid”, en uit nog dieper gewelven rees omhoog woord’looze maning, zoodat ik mij wist op een verraderlijke zee te wagen, die mij niet weer zou geve’.... Een dag, een nacht, en nog een dag en nacht heb ik gestreden tegen mij zelf: toen overwon dat hunk’ren naar ’t menschengeluk en die hoop. Ik ging tot den koning. Dien dag bracht ik aan ’t wank’len de steen die mij verplettren gaat. God weet het, ik was niet karig met mijn kracht. Den boog van mijn vermogens spande ik dag aan dag tot het uiterste,—en ’t scheen in ’t eerst, als neigde het hart des konings naar mijn raad.... Niet lang.... ’t was ’t gloren van een valsche dageraad, waarop een somb’re nacht van onrecht volgde... bedrog.... geweld.... Ik heb het doel gemist... De hoop die ontlook aan mijn morgenhemel, is sedert lang verwelkt; ik zelf ga door dwingelandij gebroken worden. Ik zie de baan niet naar menschegeluk, ik weet den zin niet van mijn eigen leven: moge ’t een and’re wezen, dan nu schijnt! Maar één ding weet ik: wat mij dreef in jeugd, te doen als ik deed, dat drijft mij ook nu. Niet allen kunnen strijden op één wijs, noch kan op d’ eigen wijze één altijd strijden, maar één ding doet allen die strijden nood t’ allen tijde voor meer gerechtigheid en meer geluk op aard: zich zelven niet te zoeken, de zoete dingen van ’t leven niet liever te hebben dan ’t klaar gebod van d’innerlijke stem. Dit ééne weet ik, en zoo zal ’k doen, Margreet.

MARGREET O ik ben blij dat ge zijt als de heil’ge martelaren en d’ oude helden... ik heb u zoo lief... vader, ik kan niet zonder u....

MORE Mijn hart, een macht oversterk dringt tusschen ons beide en maakt d’omstreng’ling onzer armen los. Wij moete’ uiteen. De zoete wenning die de jaren tusschen ons al vaster vlochten wordt nu ontknocht. Wij zullen niet meer gaan samen door ’t bosch in den herfstklaren morgen, als de lage zon ’t laatste knetterblad rosgoud doet gloeien onder schuinsch gestraal. En als de lente komt, zal zij ons niet meer dwalen zien, het avondrood in d’oogen, langs ’t slingerpad dat de rivier bezoomt, en huiswaarts keeren als de vogels zwijgen, vol vredige gedachten, arm in arm. Wij zullen niet meer, onze hoofden samen aandachtig buigend over ’t oude boek, waaruit heil’ge schoonheid en wijsheid stijgen, voele’ onze harten kloppen in één maatgang van eerbiedige vreugd. Wij zullen niet meer, in de ijle sfeeren der muziek samen ontzweefd, werelden op zien deinen en weer vergaan.... Ik daal waar de lente geen oogen heeft en alle zachte lach en stemmen zwijgen, en dalend breng ik droefheid over jou. Arm kind, nu zullen je dagen voortaan gedoopt zijn in de vale schaduw van de alleenheid waarin ik jou laat.—Nu moeten we sterk zijn, hart, en wat we al die jaren beleden met de lippen, onze levens- waarheid te zijn, moet het hange’ onzer schouders weer richten overend. Moeder en zusters zullen mijn zin zwaar maken, d’armen, met bidden en vermanen dat ik toch buige.... Zult jij stand houden, en voor mij vechten tegen hun begeeren, voor wat je weet in mij ’t beste te wezen, al gaat het om het leven zelf? Kunt je ’t beloven, hart?

MARGREET Ik kan beloven.... te trachten trouw te zijn aan den wil dien g’ in mij gewekt hebt....

MORE Dan ga ik gerust den donk’ren gang in der gevangenschap. Trouw hart, wij blijven samen, worden onze lichamen ook gescheiden.... en mijn lieven laat ik in zek’ren troost....

Dat nu een stem mocht zinge’ een dier verlangenzware wijzen, waar ’t hart zoo zoet op wegdeint.... ik ben mat....

(More zinkt vermoeid in zijn zetel achterover. Men hoort Mercy in den tuin zingen. Tegen het einde van het gezang ziet men haar).

MARGREET Hoor vader, Mercy heeft uw wensch geraden gelijk zij pleegt zoo vaak.... het is de wijze van het eiland glanzend over den vloed.

MERCY Ver over de glinst’rende zeeën, verder weg dan het avondrood, voorbij de klippen van strijd, en het bare strand van den nood,

voorbij aan de rots waar de winden van den haat worden uitgebroed drijft het zon- en schaduwbeminde eiland van geluk op den vloed.

Zijn groene oevers ombruisen de oevers van groen kristal, den zeezang echoot het ruischen van zijn dichten boomenwal.

Daar in het bosch wordt geboren het allerinnigst geluid: de tortel koert haar bekoren-bewogene vrede uit.

Glanzende boomen dragen ’t eener tijd bloesem en vrucht, en door de bloeiende hagen gonst altijd zomergerucht.

Het dichte gewas der dalen buigt onder zijn gouden vracht, en tegen de hellingen stralen de weiden hun gouden pracht.

Daar wonen de blinkende menschen met vrede-omlicht gelaat door wien het gemeene wenschen als een stroom van kracht heengaat.

Hun spraak ruischt als onze gebeden, hun gang schrijdt als onze dans, hun stem is een nest van zachtheden, hun oog een bad van glans.

Leven is altijd beladen daar met een geur van vreugd als waar zomerwind vol genade hier somtijds ons hart mee verheugt.

In den morgen gaan blijde gezellen zingend tot het arbeidsfeest dat lijf noch ziel zal kwellen, en dadendrang geneest.

En de uren der rust heenglijden door den toover menigvoud van der schoonheid fonk’lend gesmijde, en het plechtig gedachtewoud.

De dood komt op lichte schreden, hij draagt een wit gewaad en wie hij wenkt gaat mede, als een gast van een feest opstaat.

Hem woelt door het hart niet de wreede zorg om wees of hulplooze weeuw, want daar heerschen de zachte zeden, heerscht de wet van de gouden eeuw.

Het veld en de wei en de bosschen, en de vruchten der zee en de wijn. geperst uit de purperen trossen, daar het erfdeel van allen zijn.

Mijn en dijn hebben verloren hun rink’lende klank van metaal en zoeme’ in die zuivere ooren als zinlooze kindertaal.

O wisten wij waar u te vinden, land van gelukzaligheid, voorbij aan de rots der winden van haat, en de klippen van strijd.

DIENAAR Heer Thomas, een bode van staat wacht buiten; hij vraagt of ge gereed zijt.

MORE Zeg hem: ja.

DERDE BEDRIJF

More’s vertrek in den Tower.

More, Kingston, gevangenenbewaker. Later Grynæus en Margreet.

KINGSTON Een jonkman, die al vele malen poogde u te bezoeke’ in uw gevangenschap, —maar mijn bevelen bleven onveranderd: „Laat niemand buiten zijn verwanten toe,”— heeft eindelijk het langbegeerd verlof, God weet door welke liste’, of lang beleg van wie hoog wone’ in ’s konings gunst, veroverd. Zal ik hem bij u laten?

MORE Wie is het?

KINGSTON Simon Grynæus.