Thomas More: Een treurspel in verzen
Part 2
MERCY Het is waar, Grynæus. Hebt ge niet van het heilig wijf uit Kent gehoord, dat voorgeeft stemmen te vernemen uit hemelrijk, haar gelastend te maken ’s konings huwelijk als een werk des duivels bij ’t volk bekend?—Z’ is aangeklaagd, en vader werd in d’ aanklacht betrokken, als de man die haar verleid zou hebben tot bedrieg’lijk voorwenden van hemelsche ingeving....
MARGREET Hij voorzag den strik en poogde die t’ ontkomen: daarom heeft hij tege’ elk verzwegen of hij haar voor een bedriegster houdt dan voor een godbegenadigd wezen.... nimmer zag hij haar, noch zond haar iets van zijne hand.... De aanklacht tegen hem vindt geen duimbreed bewijs om op te staan: elk eerlijk rechter moet in haar herkennen de giftige vrucht van verborgen gewroet die hij, gelijk een booze pad, wegstoot van voor zijn voeten.... Maar men wil zijn schuld, waar men macht heeft om den wil tot daad te maken: daarom sling’ren wij angstig tusschen hoop en vrees.
GRYNÆUS Vergeef me: ik vind geen woorden.... wanneer kunt ge weten....
MARGREET Misschien vandaag.... Geruchten gaan, dat vaders naam is gedelgd in d’ aanklacht: mijn man voer bij ’t morgenkrieke’ al stadwaarts, uit te vinden of ’t waarheid zingt, dit zoet-getongd gerucht. Wij kunnen hem elk oogenblik terug verwachten.... vader weet van niets.... Begrijpt ge nu onze spanning, vriend?
GRYNÆUS Alles begrijp ik, en hoop ’t beste, Margreet.
DANCE Daar komt een sloep de bocht om.... neen.... ja toch, het is de onze.... zij roeien hard....
MERCY William staat op.... hij wuift ons toe.... opnieuw....
MARGREET Het afgesproken teeken voor goede tijding.... ’k ga hem tegemoet. (Af.)
GRYNÆUS Gij verlangt ook te gaan? Zoo ge ’t vergunt zal ik uw moeder in dien tijd begroeten dat zij mij niet verdenke onheusch te wezen, en vind u dan weer hier terug. Moge alles zijn als wij hopen, vriendinnen! Tot straks. (Af.)
DANCE Die laat zich niet wegslaan van ’t hart waarin hij wierp zijn anker.... wisten allen die zich noemden onze vrienden, even wel wat trouw beteekent, als die „wufte Franschman”, dan groeide ’t gras nu niet tusschen de steenen rondom ons huis....
MERCY Dance, wanneer vaders onschuld rijst boven de dikke wolken van laster weer stralend uit, dan zullen velen keeren die vrees nu ver houdt van ons huis....
DANCE Och Mercy, boven de wolk van ’s konings ongenade zal vader niet weer uitrijzen—en die maakt om ons heen zulk een doodsche leegte als broeit een booze ziekte over ’t huis, niet geloof aan zijn schuld.
MERCY Stil, daar komt vader.
MORE Dat was een lang bezoek! hun vriend’lijke aandrang liet maar niet af!....
MERCY Wat wilden zij van u?
MORE Mij presse’ om deel te nemen aan de aanstaande blijde intocht der nieuwe koningin door Londen’s straten: twintig gouddukaten boden ze mij aan om een feestgewaad te koopen, want ze wisten onze spinde maar slecht voorzien....
DANCE Ge zeidet ja?
MORE Ge schertst toch, mijn kind? Kunt g’ u uw vader denken, uit- gedoscht in kleurig narrenpak, op Paschen meegevoerd in den stoet, gelijk een zeldzaam en lang weerbarstig dier, eindlijk getemd?
DANCE Maar zal de koning niet toornen?
MORE Ach, die zal ternauwernood missen in heel die doorluchtige stoet van glinst’rende eed’le’ en statige prelaten zich verdringend om zijne hand te kussen en zijn nieuwbakken koningin te huld’gen, den simplen burger Thomas More.—Waar bleef de gast?
DANCE Die wijlt bij moeder.
MARGREET (binnenkomend met William) Vader, vader, uw naam is weggenomen uit de aanklacht, mijn William bracht de goede tijding mee! Wij zijn zoo blij....
WILLIAM Mijn beste, beste vader....
MORE (steekt hem de handen toe; de vrouwen omhelzen hem, ook Grynæus en vrouw Else treden binnen.) Mijn beste zoon, veel dank.—Mijn lieve kind’ren, wij willen de verademing genieten met heel ons hart, maar niet vergeten dat wat vandaag voorbijdreef, morgen keeren kan.— Grynæus, gij blijft onze gast van avond niet waar? Kom zet u tusschen ons, gelijk in d’ oude dagen: doe verhalend ’t zacht azuur en de edelgewelfde lijnen der bergen van het schoone land Italië voor ons opstaan.... en de klare gestalten gaande daarin. Wij luist’ren toe....
(Allen zetten zich; sommigen op de trappen van het terras; ook More, met zijn hoofd op Margreets schoot, die een trede hooger zit.)
GRYNÆUS ’k Vond in Verona.... Vreemd, dingen die nog gist’ren glansden aan den boom herinnering als gouden vruchten, liggen nu ergens waar ’k ze niet kan vinden, bestoven in een uithoek van het brein.... ’t Is mij, als schouwde ik in een droom Italië en voel, ontwaakt, den droom nu ver en verder weggaan van mij....
WILLIAM ’t Komt door de heete broeiing der lucht: die maakt vandaag den zin zoo loom.
MARGREET De lentebosschen op de heuvelen donk’ren violet tegen den looden kim; zij schijnen wonderlijk nabij: ’t zijn teek’nen dat onweer dreigt....
DANCE Zie de zwaluwen scheren over het water dat als olie schijnt zoo traag en dik.
MERCY Men hoort de schippers roepen over den stroom....
MARGREET Hen antwoorden de knapen van de moeslanden aan de overzij.... alle geluiden klinken hoog en fijn door de gespannen stilte....
MERCY Huivert ge, Margreet?
MARGREET Het was of onzichtbare vlerken flapten tegen mijn hoofd.—Voelt gij ze niet?
MORE Komt kinderen, wie uwer weet een lied dat d’ onrust van deze broeiende stilte weer effent door ons bloed?—Gij Mercy?
MERCY Ik kan nu niet zingen, vader.
MORE Dance, dan gij? Wij zijn het onzen lieven gast verplicht: hij mag niet denken, dat wij ’t zinge’ ontleerden.
DANCE Mij valt niets in dan de klagende wijze van de moeder die den knaap Vrede zocht.
MORE Dan zullen w’ onrust met onrust verjagen, mijn kind, want wat opwolkt in zoete toonen bezwaart niet langer ’t hart.
DANCE (zingt) Edele heeren en schoone vrouwen Kwam hier voorbij een blonde knaap? Tot ik mijn arme’ om zijn leest kan vouwen vindt mijn hart geen rust en mijn oog geen slaap.
Ik schrijd en ik schrijd over heuvels, langs dalen door zandige vlakten en wild foreest om den lieflijken knaap te achterhalen wiens adem mijn kranke hart geneest.
Zijn stem is zacht als de zang der baren, zijn lach als de lach van den dageraad, de geur die stroomt uit zijn blonde haren alle geuren der lente te boven gaat.
Ik schrijd en ik schrijd, mijn voeten bloeden mijn adem hijgt, maar ik merk het nauw tot ik kom aan wijde glanzende vloeden of waar bergen rijzen in ’t koep’lend blauw.
Dan zit ik en ween, want het spoor is verloren en ik moet terug, en ik weet niet waar ik den knaap met den lach van morgengloren zal zoeken en ’t lentegeurig haar.
Maar ik ga, en aan zingende menschen weder vraag ik „kwam hier niet een knaap voorbij? Vrede is zijn naam en zijn oog is teeder als lente en als vogelzangen blij.”
En sommigen schudden het hoofd en spreken gedempt: „Wij hebben hem niet gezien; wij droomen van hem—uit die droomen breken dan liederen uit—droomt ge ook misschien?”
En anderen zien mij vreemd aan en wijzen omhoog: „daar woont de knaap dien ge meent” en ze zingen weer, maar een and’re wijze dan waar mijn verlangend hart naar weent.
Want ik weet dat hij leeft op deze aarde en geen droom is: ik droeg hem in dezen schoot, ik was ’t die hem droeg, ik was ’t die hem baarde, ik was ’t die hem baarde, ik kweekte hem groot.
Maar hij ontvlood—om hem weer te vinden zoek ik de wereld, de wereld door, want hij is mijn eige’ en mijn meest beminde en mijn hart vond geen rust, sinds het hem verloor....
Edele heeren en schoone vrouwen kwam hier niet voorbij mijn blonde kind? Zijn gelaat is een bloem om te aanschouwen en zijn adem geurende lentewind.
MERCY Arme moeder, hoe lang nog zult ge jagen om vrede door de groote wereld? Wie vindt den weg weer tot het verloren kind der menschheid?
MARGREET Eenmaal zullen wij hem vinden, zoo we zoeken, allen te samen—is het niet, vader?
VROUW ELSE Thomas, waar peinst gij aan?
MORE Ik peinsde aan den tijd, dat dit hoofd weder zal liggen, gelijk nu, in dezen schoot.
TWEEDE BEDRIJF
More’s paviljoen te Chelsea.
More, Margreet, een kind van Margreet zit op More’s knie. Dienaar. Later Bisschop Cranmer en de Hertog van Norfolk.
MARGREET (lezend) En Crito, dit gehoord hebbende sprak tot Sokrates....
DIENAAR Heer Thomas, de Hertog van Norfolk en bisschop Cranmer vragen om u te spreken.
MORE Breng de heeren hierheen.—Doe ’t boek niet dicht, mijn kind: wij zullen na het bezoek verder lezen.
(Cranmer en Norfolk treden binnen)
Welkom, mijnheeren. Zet u. Het is lang sinds wij elkander zagen. In mijn woning zijn gaste’ als gij nu zeldzaam gelijk bloemen in wintertijd, en des te warmer welkom.
CRANMER Plato, naar ik zie. Het doet mij leed, dat wij u en uw dochter storen in zoo zoete genieting.... maar ’t geldt een zaak van gewicht.... Wij wenschten u vertrouwelijk te spreken....
MORE Ik heb voor deze geen geheimen.
NORFOLK ’t Zijn Zaken van staat.
MORE ’k Meende, met zulke zaken te hebben afgedaan.—Laat ons alleen, Margreet. (Margreet en kind af.)
NORFOLK Ik zou u haast benijden, More. De last der openbare zaak is van uw schouders gelicht; ge zijt gezond, nog krachtig, uw lieven vorme’ om u een dubblen ring van kind’ren en kindskind’ren: daarin straalt ge, hun middelpunt, hun zon; en al uw uren moogt g’ als u lust verdeelen, tusschen ’t zoet verkeer met de geliefde uwer jeugd: de studie, en het zorgloos samenzijn met d’uwe’ in teeder kooze’ of luchte scherts; terwijl wij in de stormbewogen tijden, van onzen post, met zorgbezwaarde harten de golven zien bespringen ’t schip van staat, en onze willen spannen, ze te keeren.— Gelukkig man!
MORE Misgun mij niet, mijnheer, het gloren dat mijn avondlijken hemel verguldt: wie weet hoe ras mijn dag zal zinken! Ik koester mij misschien aan jeugd en blijheid vandaag voor ’t laatst.—Maar wat brengt u hierheen?
NORFOLK Wij komen, More, tot u als vrienden,—mij behaagde altijd uw frank en open wezen, uw vrije luim, de mildheid van uw hart. Gij hebt den staat goede diensten bewezen en niemand was aan ’s konings hart gegroeid zoo innig als gij.—Hij treurt om uw besluit nog immer, wenschte u weer terug aan ’t hof, hem bij te staan gelijk gij placht. Hij is bereid al wat geschiedde te vergeten en u opnieuw t’ omvatten in de koest’ring van zijne gunst.
MORE Ik dank den koning, Norfolk, zijn goedertierenheid verwarmt mijn hart.
NORFOLK Gij hebt niet anders te doen als ’t eene woord te spreken, More, dat, zooals ’t flappen van den standaard meldt aan allen die het zien: „hier wijlt de koning”, u kenbaar maakt wijd-uit bij alle menschen een trouw dienaar der koninklijke macht.
MORE Welk woord, mijnheer?
NORFOLK ’t Bezweren der nieuwe besluiten die de kind’ren der vroeg’re koningin uitsluiten van den troon met hun geslacht en den koning tot hoofd der kerk van Engeland verheffen.
MORE Mijnheeren, ik dank u voor de vriendlijke gezindheid die u doet pogen de wijzers van mijn zin te richten naar de slag van den koninklijken wil. Maar zij zijn te stroef om den sprong te maken dien gij verlangt. Ik kan de gunst des konings niet koopen tot den prijs dien hij mij vraagt: de rust van mijn geweten. Het verbiedt mij dien eed.
CRANMER Hoe kan ’t geweten u te doen verbieden wat zooveel eerwaard’ge en vrome Christenen zonder schroom hebben gedaan? Acht gij u dan hen allen wijzer, méér door godlijk licht verhelderd? Zie: dat zweemt naar hoogmoed, naar eigengerechtigheid. Behoede u God voor deze zonde! En dan, hoe zou ’t geweten u verbieden, om een woord te spreken, dat den toegang tot de lichte banen van barmhartigheid en goede werken opent? Ge zijt mild, haast overmild placht ge uw geld en goed te deelen met die derfden; schutspatroon waart g’ aller armen; uw lach klonk nooit zoo ruim, noch stond uw oog zoo helder, dan wanneer ge een bekommerde hadt opgericht, geholpen een verdrukte. Maar toen ge uw ambt verliet, wierpen uw eigen handen de bronnen van uw macht tot helpen dicht. Ge hebt noch geld, noch invloed meer te geven, en ongetroost gaan velen van u weg. Keer terug tot des konings dienst, en dra zullen de bronnen van uw gulheid weder borrelen, rijklijk als weleer.... ik spreek niet van de vruchten voor wie zijn u ’t naast: ge telt dat niet—’t is edel—maar bedenk: wie arm is....
MORE Ik raad u, mijnheer, niet verder te ploegen deze voor, zoo ge niet wilt dat ons gesprek stuite op ijzerhard en niet weg te ruimen oer.—En wat betreft mijn machtloosheid te helpen, hare heeling: ik weet dat geen gulheid kan zegen werken die uit den modder van een veil geweten troebel ontspringt; en geen werk’lijke gave groeit uit het zaad, dat in de slechte aarde verzuurd is van een slinksch gemoed.—Ge zegt dat ik niets kan, niets meer vermag te doen nu koninklijke gunst mij niet meer hooghoudt op haren arm—toch nog een man te wezen, wil ’k hopen, die zich niet verlokken laat zijn geweten te ruilen voor wat aanzien en goud:—misschien een vaan ook waar omheen zich zaamlen wie denke’ als ik....
CRANMER Wat, wilt ge worden middelpunt van verzet?—Vergeldt ge zóó den vorst zijn gunst, de lange weldaden dier jaren dat de weerschijn van zijn macht om uw persoon een sfeer van hoogheid spreidde die elk eerbiedig neigen deed voor u? Zwarte ondank, trouweloosheid zou dat wezen.... dat meent ge niet....
MORE Trouweloosheid en ondank zijn mijn zin vreemd, mijnheer. Ondankbaar is wie met een stomp of geprikkeld gemoed ziende naar het weldadig vuur waaraan hij verwarmde zijn kleumende lijf, het uittrapt en verder gaat, niet wie de taaie vezels van liefde voor zijn weldoener, met pijn rukt uit zijn eigen tegenstrevend hart, zich zelven aandoend een bloedende wonde die nooit meer heelt....
CRANMER Hoe meent ge?
MORE Luister.... ik wensch geen mensch toe dat het lot hem bescheer’ wat ’t mij beschoor: zich los te moeten maken van wat hij liefhad, tegenover ’t voorwerp van lange liefde met ontgoochelde oogen te komen staan.... Mijn hart hing aan den koning. Had ik den jong’ling niet zien overbuigen hunk’rend om uit den stroom van ’t nieuwe weten te drinken, waar ik zelf zoo diep-begeerig uit dronk? Wist ik hem aan zijns vaders hof niet kwijne’, een plant van eed’ler soort, dan in die grove aarde tieren kon? Ik zag de adem van den zachter, ruimer geest die waarde door Europa, vulle’ en ronden de weeke vormen van zijn jong gemoed. En toen zijn koninklijke wil mij riep, verliet ik welgemoed de vreed’ge stilte, waar ’t plechtig ruischen van philosophie zich met klokjes-heldere stemmen, kinder- stemmen, verbond tot schoone harmonie. Het beste deel van mijn manlijke krachten, gaf ik den koning—en hij hief mij hoog in zijn vertrouwen, stortte gunst en vriendschap met milde hande’ over mij uit. ’k Gedenk het, al die glans-omvloten jaren gedenk ik, gelijk mij past, met eerbiedigen dank; en ook, als wij verloren vreugd herdenken: met smartbewogen zin....
NORFOLK Maar waarom hebt ge....
MORE Toen ik dat alles weg moest stooten, dien bond van veel jaren breken, heb ik lang naar kracht gezocht, om wat in ’t hart was samen- gegroeid met de ranken van veel-vertakt levensbedrijf, daaruit te rukken. En in ’t eind vond ik die kracht: in mijn geweten vond ik haar. En de stille oogen van mijn dankbaarheid, die mij verwijtend volgden, heb ik gesloten met een lange kus gelijk men een vrouw kust waar men voor eeuwig van scheidt.
Begrijpt ge nu, waarom mijn ooren wel hoore’ uw verwijt, ik zou ondankbaar wezen, mijn hart het niet verstaat?
CRANMER Maar de trouw schendt, wie, gelijk gij....
MORE Gunt me, ik bid u, ’t recht van iederen beklaagde: vrij te spreken tot zijn verdediging—’k zal niet lang meer zijn. Ge noemt me trouwloos: ik erken geen trouw die bindt in ’t slechte.—Mijn trouw was ’t, den koning ’t gelaat der waarheid t’ ontsluieren, haar stem te doen uitklinken boven het koor van vleierij en logen, dat de ooren der vorsten vult. Mijn trouw was ’t hem te raden tegen de baan, waarheen hem drong begeerte, zijn driftig bloed, zijn heerschzuchtige aard. Mijn trouw, met zachten aandrang hem te leiden omhoog tot effen vrede-weiden waar zijn volk kon grazen—niet met hem te rollen de helling af van ied’re lust. Mijn trouw was het, niet elke ongerechtigheid met hondsche aanbidding t’ omkwispelen. Niet die trouw had hij gevraagd, had ik gezworen, in ’t uur dat onze bond gesloten werd, toen hij, zijn arm om mijnen nek geslagen, zóó, sprak tot mij: „Zie eerst naar God en uw geweten—dan naar mij; zoo zult ge mij immer het beste dienen.” O ’k heb hem nog lief, omdat hij dat woord heeft gesproken eenmaal. Mijn trouw verkoor het zich tot vaan, volgde ’t op de woelige levensvelden waarheen zijn dienst mij voerde,—en volgt het heden door ter zijde te staan....
NORFOLK Het loopt verkeerd.—De koning, Morus, is zeer verbitterd tegen u. Zijn gunst hield u vaak staande als uw benijders saamspanden tot uw val; zij was het schild dat hunne slagen weerde. Nu heeft hij zijn vrienden noodig. De lucht bulkt van strijd: het gaat er om, wie heerschen zal in Eng’land, koning of paus. Ontvalt gij hem—de staf die hij zich uitverkoor om op te leunen— dan aadmen al zijn vijanden verruimd, en steken tot weerspannigheid de hoofden bijeen. Uw afval geeft hun moed. Hij kàn uw afval niet gedoogen. Begrijpt ge? Hij kan ’t niet. Zoo staat de zaak. Ik raad u, om uw zelfs wil, raad ik u, Morus, voorzichtig te zijn.
MORUS Ik dank u voor dien raad, mijnheer. Voorzichtig was ik zoo lang ik kon. De dagen van heldhaftige overmoed ben ik ontwassen sinds lang; mijn lijf jaagt niet vooruit, begeerig, bij ’t speuren van gevaar. Door meen’ge rustelooze nacht lag ik uitmetend de gevaren die mij dreigden zoo ik niet zwenkte, en hun aangezichten maakten mijn zwak hart telkenmaal vervaard. Daarom ontweek ik mij te stellen tegen- over den koning—’k had voor dit ontwijken grond genoeg—zocht ik veiligheid in het verborgen bestaan van den simp’len burger, als een dier in zijn hol. Maar in het perk des levens rukken onvoorziene winden de ballen onzer best-gemikte daden vaak van hun baan. Niet met mijn wil, mijn neiging, ondanks hen is het oogenblik gekomen van de keus: voor, of—tegen. Hoort mij aan: ik ben een oud man, gehecht aan de zijnen, verlangend naar rust en een weinig vreugde om zacht t’ enden.—Maar bovenal schat ik inwend’ge vrede.... Ge kunt verder spreken u sparen: ’k heb de keus gedaan.
CRANMER Stijfhoofdig en roek’loos man, hol niet zoo blindelings naar uw verderf. Staat ge alleen? Hebt ge het recht, om al de uwen te verderven, ze mee te sleuren in uw val? Vijf gezinnen hebt g’ om u heen verzameld van kind’ren en kindskind’ren, ze gewend van u t’ ontvangen al wat leven zacht en behaaglijk maakt. In uwe ruime huizing vonden allen plaats. Reeds waart, naar men zegt, de armoewolf rondom de staat’ge woning, die nu, een overruim gewaad, omrimpelt uw veel-gekrompen staat.—Maar laat dit wezen als ’t is. Wat zal gebeuren, zoo ge blijft weig’ren te zweren?—U zelf wacht de Tower tot de dood u verlost.... Uw goederen verklaart de kroon vervallen, d’ uwen worden verjaagd van huis en hof.... Denk aan hun lot, denk aan ’t harde bestaan dat al die teere vrouwe’ en jonge kindren bedreigt.... verstrooid zullen zij zwerven, lijden, verkwijne’ in zorg en kommer.... van het oude glansrijke leven, zal hun enkel blijven stekende herinnering....
MORE Zij zijn jong en sterk, met kennis en verstand gewapend: zij zullen eten ’t zelfverdiende brood en proeven ’t zoet....
CRANMER Waar zullen ze verdienste vinden? Des konings ongenade schuift den grendel dicht voor ieder wel-bezoldigd en eervol ambt—weet ge het niet?
MORE Dan zullen z’ aan de deuren vragen barmhartigheid van wie vergeefs barmhartigheid nooit vroegen aan onze deur.
CRANMER En zullen vinden ze geslote’ alom, want des verraders kindren te helpen, brengt zelf in reuk van verraad, en vrees bedwingt de laffe menschenharten....
MORE Niet alle....
CRANMER Neen, maar ’t overgroot getal. Laat een storm schudden aan uw levensboom: de vrienden die hem welig maakten, dwar’len omlaag en vluchten weg in dolle vaart. Uw kind’ren zullen naakt staan in de wereld, zonder bescherming, vriendeloos, verlaten.... dat zal uw daad zijn.... zij zullen hun vader niet danken voor die daad....
MORE Zij zouden hem verachten zoo zijn leer ging eenen weg, zijn doen een andre.... Laat hij in hun hart voortleven als een man, die ’t liefste liet, ’t lieve leven zelf neerlei, liever dan wat hem heilig was, uit vrees te verraden.... ik ben tevree als zulk een man te leven in hun herin’ring....
NORFOLK Maar ge zult dat niet, vriend, want de greep der wereld zal het beeld van den held en den mart’laar in hun harten verwringen tot gedaante monsterlijk, en haar bazuinen stem zal zóó luid dreunen: „schande over Morus, hij verried zijn koning, die hem met weldaden omkranste”, dat de stem des bloeds in een beschaamd gefluister uitdooven zal. Bezin u, Morus, luister naar rede, onteer niet den naam dien ge draagt! Ge erfdet hem, een ongerepte spiegel, die veel geslachten voor u hielden blank; uw daden en geschriften maakten heller zijn glans: en wilt ge nu die naam uw kind’ren overgeven, zwart besmeurd met roep van verraad? Zal uw geslacht hem voortaan medesleepen door de tijden, beschaamd, of schuw verbergen onder een geborgden, klankloos van herinneringen, inderhaast opgeraapt?