Part 15
[438] ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaak Plato ook op anderen zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er ook in den tekst niet ταύτας, maar τοιαύτας gelezen wordt.
[439] Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had.
[440] ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, dat γραμματικός niet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’ schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen.
[441] πάλιν ἔρχεται μαθησόμενος. πάλιν hoort bij μαθησόμενος.
[442] μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is: οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου.
[443] ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze: ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ (of ἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil) ἐπιστήμην διαπετομένην.
[444] Het begrip.
[445] εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds door ἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγου is uitgedrukt.
[446] Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikels γὰρ, ἀλλὰ enz., die bij Plato zoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden.
[447] ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk door Plato gemaakt, hetgeen hem evenmin als Aristoteles euvel geduid wordt, hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en dat Plato en Aristoteles ons daarin zijn voorgegaan. Krause, zoo ik dien nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hat Aristoteles die Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag wohl auch den Lehrsysteme des Aristoteles bei seinen Zeitgenossen den Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst und für die Nachwelt.” Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p. 280.
[448] τὸ is hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het op ψευδῆ δόξαν ziet, volgens de eigenaardigheid der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als iets beschouwd wordt. Zie Buttm., Gr. Gr. § 129. 6.
[449] Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. Zie Aristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5.
[450] Theaetetus is bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn. Zijn de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is.
[451] ἀπεροῦμεν beteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden. Beiden komen hier op hetzelfde neêr.
[452] Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativus τὸν ποταμὸν moet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositie κατὰ in καθηγούμενος. Het is als stond er: ὁ ἡγούμενος κατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt door Stallbaum aangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl door Plato er in gevlochten.
[453] ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeft Stallbaum τούτοις in plaats van het gewone τούτους geschreven. Ik geef aan τούτους de voorkeur en verklaar het dan aldus: τούτους ziet op τινες en is het object van διδάξαι; τῶν γενομένων ziet op οἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De constructie is bij τουτούς veranderd, even als of τουτούς het antecedens van οἷς was. Overigens is het duidelijk, dat door πρὸς ὕδωρ σμικρὸν het wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan.
[454] Het schijnt, dat bij de processen te Athene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt. Zie Schoemann, Antiquitates Juris Publici Graecorum, V. § LVIII.
[455] νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. Zie Nieuwenhuis. Initia Philosophiae logicae § 99.
[456] ὅγε νῦν δ’ ἐννοῶ. Ik geloof, dat νῦν moet uitgeworpen worden, daar ὅ eigenlijk ziet op het verzwegene object van ἐννοῶ. Het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets zeggen] ὅγε ἐγώ κ. τ. λ.
[457] οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woorden ἐπιστητὸς en οὐκ ἐπιστητὸς schijnen in Plato’s tijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven, daar Plato ze niet op zijn eigen naam wilde invoeren.
[458] εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadt Plato zich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is dan Theaetetus, dat is, dan Plato zelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren.
[459] ἐπεὶ staat hier in denzelfden zin als ἔπειτα. Zie Aristoteles de Anima II. II. 13.
[460] λόγον. Het woord λόγος is een kruis voor hem, die Plato in eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukking voor te vinden. Het is omtrent even rekbaar als het latijnsche ratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt, wordt nog het best door bepaling uitgedrukt.
[461] περὶ τούτον ziet hier op het bij δοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγον uitgelatene περὶ τινὸς.
[462] κομιδῇ beteekent eigenlijk met zorg. Daar nu een denkbeeld, dat met zorg overwogen is, met vertrouwen kan uitgesproken worden, is aan dit woord de beteekenis van voorzeker, stellig, ongetwijfeld gegeven; en deze is, zoo als het dikwijls gaat, onafhankelijk van de oorspronkelijke beteekenis, in gebruik gebleven.
[463] τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven; στοιχεῖον beteekent grondbestanddeel, en tevens letter, συλλαβὴ beteekent verbinding, en tevens lettergreep. Het is ligt in te zien, dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid geeft, die de vertaling moet missen.
[464] τὰ ἑπτὰ heb ik door de vijf vertaald, omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet zeven, zoo als de Grieken. Overigens is het opmerkelijk, dat hier het meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt, terwijl toch de oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in de klinkers schijnt te huisvesten, zooals vooral in de Oostersche talen blijkt. Zie Veth, Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 31.
[465] Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden, daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het anders opvat, is al wat hier staat onzin, daar 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 = 21 is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft.
[466] τὰ πάντα. Ik heb hier τὸ πᾶν genomen, hoewel ik geloof, dat de fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel gemakkelijker is, hier voor τὰ πάντα τὸ πᾶν te lezen, dan uit de woorden οὐκοῦν—εἰρήκαμεν de ware lezing op te maken. Zie Stallbaums aanmerking.
[467] Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat alleen de hoeveelheid aanduidt.
[468] ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats, dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die met πᾶς en ὅλος overeenkomen. ὁ πᾶς ἀριθμὸς kan wel overgezet worden: het geheele getal, maar dan stuit men op het vervolg, daar het geheel eerst in de conclusie voorkomt.
[469] Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 177–179. Nieuwenhuis, Initia Philosophiae Logicae, p. 210. VI.) Het geheel en het al verschillen dan ook wel degelijk. Onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden van Goethe:
Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben, Sucht erst den Geist heraus zu treiben, Dann hat er die Theile in seiner Hand, Fehlt leider! nur das geistige Band. Encheiresin naturae nent’s die Chemie; Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.
Zoo is, in het door Plato gebezigde voorbeeld van een leger, het al en het geheel geenszins hetzelfde, want de wezenheid van het leger bestaat niet bloot in de voltalligheid, maar wel degelijk vooral in de orde, waarin de deelen verbonden zijn. Of was niet de Macedonische phalanx oneindig sterker, dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten, zonder orde bijeengevoegd? En nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid tusschen éénheid, verscheidenheid en harmonie, waarbij het geheel, als éénheid, wel degelijk van het al, als harmonie, onderscheiden wordt. (Zie Opzoomer, De leer van God bij Schelling, Hegel en Krause. I. blz. 47. volgg.)
[470] Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken worden hier van den positieven kant genomen, en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming van het geheel en het al, daarin bestaande, dat beiden al de deelen omvatten. Zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt, en over hunne verdere betrekking geen oordeel velt, dan kan deze redenering worden goedgekeurd, anders niet.
[471] Plato maakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekenissen gebruiken van de woorden ἰδέα en εἶδος. Zie p. 203. C. E. p. 204. A. p. 205. D.
[472] οὐδὲ τοῦτο. Stallbaum wil hier οὐδὲ τοιοῦτον lezen. Dit komt mij onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaten wordt opgenoemd, terwijl het aan den lezer wordt overgelaten, de overigen er bij te denken.
[473] μονοειδὴς en μία ἰδέα heb ik door enkelvoudig vertaald, daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere begrippen is zamengesteld, als het zelf uit verschillende deelen bestaat. Hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit, dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs moeten verbonden worden, als de zaken verbonden zijn, die door dezelve worden uitgedrukt, en dat men dus b. v. den grond van een begrip a slechts dan in een begrip b kan vinden, wanneer de zaak, die door a wordt uitgedrukt, gegrond is in de zaak, die door b wordt uitgedrukt. Ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging, daar de psychologische aanleiding, waardoor iemand tot deze of die denkwijze komt, dikwijls niets te maken heeft met het begrip, waarin het door hem aangenomen begrip gegrond is. Zie hoofdst. XXXVIII.
[474] ῥηταὶ heb ik door bepaalbaar vertaald, omdat het duidelijk tegen ἄλογον in de volgende woorden van Socrates overstaat, en ik dat het best door onbepaalbaar meen te kunnen overzetten.
[475] μανθάνων. Er staat eigenlijk: niets anders geleerd hebt, doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen, kan πειρώμενος niet overgezet worden, daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is. Immers leerde hij niet het trachten, maar dat trachten was zelf het leeren.
[476] κυριωτέραν. Κύριος beteekent ongeveer hetzelfde als ons woord voornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden.
[477] τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook niet geheel in op, wilde Plato geenszins ontkennen. Wij zullen in de ontwikkeling der redekaveling hierop terugkomen, en nu alleen opmerken, dat Plato het overige niet voor onwaar, maar alleen voor onvolledig houdt.
[478] τὸν λόγον. Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoord τὸν hier onverklaarbaar is, en voorgeslagen τὸ λόγος (het woord λόγος) te lezen. Ik hecht er mijn zegel aan, maar zou λόγον liever onveranderd laten, omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus staat, en deze accusativus de reden zijn kan, waarom τὸ door eenen afschrijver in τὸν veranderd is.
[479] λέγειν. Daar λόγος van λέγειν is afgeleid, is het verband in het Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven, tenzij men λέγω, zoo als ik gedaan heb, in eene ongewone beteekenis neme, die echter door het verband wordt gevorderd. Onze vertaling laat zich ook verdedigen door de opmerking, dat het onder woorden brengen der denkbeelden eerst mogelijk is, wanneer zij eenen genoegzamen graad van helderheid bekomen hebben.
[480] De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van alle ware, ja van alle valsche meening zeggen kan. Zie Nieuwenhuis, Initia Philosophiae Logicae, § 140. 2. 1.
[481] Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum. Zet men καὶ τοιοῦτον in plaats van οἷον, dan is alles duidelijk, mits men dan de voornaamwoorden τινα en τινος onbepaald, niet vragend neme.
[482] Het is te bejammeren, dat Plato en Aristoteles de theorie der Pythagoristen aangaande de beweging der aarde verworpen hebben, daar, zoo vooral de laatste die leer omhelsd had, het stelsel van Copernicus vele eeuwen vroeger door het beschaafde Europa zou aangenomen zijn. Zie v. Humboldt, Kosmos, Hollandsche vertaling, blz. 382 (18), waar ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt.
[483] Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236:
Gastvriend uit Elea. Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen, geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—
Theaetetus. Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.
G. Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt.
T. Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?
G. Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.
T. Ongetwijfeld.
G. Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen?
T. Ongetwijfeld.
G. Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is, eene beeldtenis te noemen?
T. Ja.
G. En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft, zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?
T. Juist.
G. Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt, aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?
T. Zekerlijk.
[484] σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets dergelijks zoodanig geschreven was, dat men het alleen kon lezen door dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden; of aan een doorgeknipt geschrift, waarvan men beide stukken hebben moest en die aan elkander moesten passen, om het te kunnen lezen. Zoo nu op beide stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden, had men er natuurlijk niets aan.
[485] Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid, waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de algemeenheid, waardoor onze gedachten eerst waarheden worden, die op de enkele dingen van toepassing zijn. Dit is duidelijk uitgesproken door Aristoteles, die, Anal. Post. 1. XXXIII. § 1, het volgende zegt: „Het kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor, dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke [ontwikkeling] tot stand komt,—doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen waar of valsch is, maar ook anders zou kunnen zijn.” Daar Plato dit noodzakelijke en algemeene in de ideën zocht, zoo is het ligt in te zien, dat hij de ideën als het eigenlijke voorwerp der kennis beschouwde. Tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort voorzeker het 6e boek der Republiek.
[486] Hoezeer uit het voorbeeld van Theaetetus blijkt, dat Plato niet onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den indruk, dien iemands voorkomen maakt, gehecht te hebben.
[487] Hier zat de Ἄρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken, die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de godsdienst betrekking had.