Part 8
Dit alles kunnen wij nog beter beseffen, wanneer we den Zandkuil betreden. Hier is een hap in den Hoogen Berg gedaan. Duizenden kubieke meters zand zijn hier weggegraven om verwerkt te worden in de dijklichamen langs de Zuiderzee. Langen tijd waren die dijken slechts onvoldoende lapwerk geweest, totdat men dat moede werd en in eens en naar wij hopen voor goed de prachtige zware dijken opwierp, die thans de lage landen langs den westrand behoeden tegen de nukken en grollen van den Texelstroom, die er niet beter op zullen worden, wanneer binnen enkele jaren de afsluitdijk van Wieringen naar Harlingen voltooid zal zijn.
Door die graverij kunnen we nu een leerzaam kijkje krijgen op den inwendigen bouw van ons eiland. De bodem van den kuil is al wel sinds lange jaren alweer begroeid met hei en biezen en gras en berkjes, maar de steile wanden zijn voor een groot deel kaal gebleven, dank zij de werkzaamheid van de jeugdige Texelaars, die er hebben gestoeid en gegraven. In vroeger jaren had een clubje Texelaars uit Den Burg hier bovenop den Berg een theetent laten bouwen en dan gingen ze hier graag heen met hun logé’s en kinderpartijtjes. Nu echter de Koog een heusche badplaats is geworden, tijgt men liever derwaarts. De theetent is afgebroken en de Zandkuil ligt stil en verlaten. Een paar bewonderaarsters van Texel hebben Kuil en omgeving gekocht en ten geschenke gegeven aan de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Samen met het Bosch, dat gemeente-eigendom is, maar onderhouden wordt door het Staatsboschbeheer, vormt de Kuil nu een prachtig geheel, een juweeltje van natuurschoon, ondanks de geringe afmeting.
Die Kuil moet als natuurmonument beschouwd worden op twee gronden en wel allereerst omdat men er zoo’n duidelijk inzicht kan krijgen in de samenstelling van den bodem, in de tweede plaats, omdat de hellingen bewoond worden door een bonte verscheidenheid van allermerkwaardigste insecten, vooral Graafwespen en Graafbijen. Om beide is het wenschelijk, dat de kale hellingen kaal zullen blijven en dat men er zich onthoude van graverij, in welken vorm dan ook. En de natuurvrienden, die deze buitengewoon belangrijke helling komen bekijken, zullen haar, naar ik hoop, ook naar behooren ontzien.
Het zand is geelachtig en fijn, heel anders dan duinzand. Heel in de hoogte, vlak onder het gras, ziet het lichtgrijs en daaronder komt een heel interessante bruine laag, het Koffiedik, zooals ik kinderen wel eens heb hooren zeggen. Ervaren scheikundigen hopen, dat zij U kunnen uitleggen, hoe hier onder allerlei invloeden zich ijzerverbindingen hebben afgescheiden, die tegelijkertijd de zandkorreltjes bruin kleuren en aaneenklitten en zoodoende ontstaat een vrij harde laag, die geen water doorlaat, de gevreesde zandoerlaag, een groote belemmering voor den plantengroei. Zoo komt het dan ook, dat boven op den berg alleen maar schrale weiden te vinden zijn, meest begroeid met schapengras en kamgras. Let er op, dat dit koffiedik vol zit met kleine keisteentjes, het is oorspronkelijk keizand. Iedereen weet tegenwoordig ook mee te praten van Keileem, vooral nu men van die stof zoo’n voordeelig gebruik gemaakt heeft bij het droogleggen van de Zuiderzee. Ook dit keileem is op Texel te vinden, maar niet hier aan den Kuil, doch meer naar het zuidwesten in het gebied van Zuid-Haffel. Daar liggen een paar kuilen, die heeten nog de Leemkuilen, omdat men er vroeger wel Keileem heeft gedolven en ook nog op een paar andere plekken komt het bij graafwerk wel te voorschijn. Keileem zoowel als Keizand zijn afkomstig van de gletscherijsmassa’s, die eens een groot deel van de aarde bedekten en die zich van de Noordpool uitgestrekt hebben tot Nijmegen en Katwijk. De groote Kei, die al of niet onder de Zeven Pannekoeken ligt verborgen, is daar ook van afkomstig.
Onder de koffiediklaag volgt een bijna steenharde laag van aaneengekit geel zand en hoe diep die gaat weet ik niet, want het onderste deel, daar ligt een schuinere laag van los hellingzand voor en dat is nog al tamelijk dicht begroeid met hazepootjes, dat is een soort van kleine witte klaver en met grijs buntgras, lager met veldbies (36) en bloembiezen.
Het kan wat heet zijn in dien zandkuil. Menigmaal ben ik er met een rooden kop uit gekropen, om boven op den berg in het frissche koeltje weer wat bij te komen. Maar dan ging ik toch gauw weer omlaag, want wat daar in dien kuil te zien valt, is beter dan een heele kast vol boeken over het leven der insecten. Het is daar een echt natuurlijk insectarium.
De zandsteenlaag onder het koffiedik zit vol donkere gaatjes. Als we daar even op letten, dan zien we een mooi zwart met wit bijtje met oranje pooten en rossig borststuk aankomen en in zoo’n opening verdwijnen. Spoedig volgt er nog een en nog een en nu zien we duidelijk, dat hun achterpooten vol stuifmeel zitten. Een, die er uit komt, is dat stuifmeel kwijt, maar toch zijn die pooten oranje, van de dichte lange haren, die ze versieren. Dit is het beroemde Pluimvoetbijtje (113), druk bezig, om telkens nieuwe kamertjes te voorzien van stuifmeel en honig. Elk kamertje krijgt een bolletje van de grootte tusschen erwt en knikker. Daar legt het bijtje dan een ei op en na verloop van tijd komt daar een larf uit, die het heele bolletje opeet, zich daarna verpopt en uit die pop komt weer een nieuw Pluimvoetbijtje te voorschijn. Als we de Zandkuil bezoeken in Juli en Augustus kunnen we dat heele Pluimvoetbedrijf gadeslaan. We kunnen zien, hoe de bij zijn gang begint te graven in het harde zand. Dat doet hij met een paar sterke, min of meer lepelvormige kaken en als hij wat dieper komt, kunt ge zien hoe hij, achterwaarts loopend, het losgeknauwde zand naar buiten werkt met zijn achterlijf, dat voorzien is van een dichten krans van veegharen. Op regenachtige dagen werken ze weinig of niet en dan zitten ze graag met de armen over elkaar aan den ingang van het hol, alsof ze gemoedelijk naar buiten kijken. Dat doen zoowel de wijfjes als de mannetjes. Deze laatste zijn slanker en in plaats van witte dwarsstrepen, zooals de wijfjes, hebben ze gele dwarsstrepen op het achterlijf.
Op een andere plek weer hebben de Zwarte Graafbijtjes hun nesten. Die zijn kleiner en heelemaal zwart. Hun wetenschappelijke naam is Panurgus, dat beteekent „de zeer vlijtige” maar zoo mochten alle graafbijtjes wel heeten. Wat zegt ge bijvoorbeeld van de Behangersbijtjes (109), die hier iedere drie minuten met een rol behangselpapier komen aandragen. ’t Is natuurlijk geen papier, maar een ovaal of cirkelrond stuk, dat ze uitknippen uit een blad en dan netjes opgerold tusschen de achterpooten naar huis dragen. In de verte zie je meer blad dan bij, een groen vlokje, dat door de lucht komt aanzweven. In den zandkuil huizen verschillende soorten van Behangersbijen. Ze leven allen op dezelfde manier, graven een diepe gang en bouwen daarin van stukjes blad een heele rij cellen, ieder met een eigen deksel en op een rij aaneensluitend, net als een rist vingerhoedjes. In elke cel zit weer de noodige voorraad met een eitje en ’t volgend jaar komen daaruit de nieuwe behangertjes te voorschijn. Niet altijd, want er is een vreemde bij, de Kegelbij (111), die legt zijn eieren in de cellen van den behanger en dan komen er natuurlijk geen nieuwe behangers uit, maar Kegelbijen.
Daar komt een klein bruingrijs bijtje aanvliegen. Hij lijkt wel wat op de gewone honigbij. Hij strijkt neer op de bloeiende struikhei en nu kan ik hem gemakkelijk vangen in een glazen buisje. Zoo kunnen we hem goed bekijken en meteen zien, dat hij lang zoo’n grooten zuigslurf niet heeft als de honigbij en ook andere achterpooten. Ik zal U maar meteen zeggen, dat dit het Zijdebijtje is. Die graaft ook holen in den grond en bekleedt zijn kamertjes met een zijdeachtig spinsel, vandaar zijn naam. Ook deze bij heeft last van een indringer en tafelschuimer en die is heel sierlijk uitgedost in bruin en geel. We hebben nog geen goeden Hollandschen naam voor hem kunnen bedenken en noemen hem nu maar bij zijn wetenschappelijken naam van Epeolus (114). Het Pluimvoetbijtje heet in de wetenschap Dasypoda, dat beteekent Dikvoet en ook hij heeft zijn parasiet, die is haast net gekleurd als een Wesp en draagt den zwerversnaam van Nomada.
Wespen zijn er ook genoeg in den zandkuil, maar niet de wespen, die bij duizenden bij elkaar wonen in de bordpapieren nesten, doch eenzaam levende gravers. Ik wil er U een paar van aanwijzen. Daarvoor gaan we eerst onderaan de helling, waar het afgestorte zand nog al rul is. Nu zeg ik U vooruit, dat ge niet bang behoeft te zijn. Daar komen een paar groote wespen aangonzen, grooter dan de gewone soort, welke in uw limonadeglas kruipt. Hun gonzen gaat over in een soort van huilen. Eén ploft er vlak voor ons op den grond neer, graaft haastig in den grond en nu blijkt het, dat hij daar een ingang opent, waar hij snel in verdwijnt. We hebben nog even den tijd, om op te merken, dat hij tusschen zijn achterpooten een groote vlieg mee draagt. Een poosje later komt hij weer te voorschijn, nu zonder de vlieg. Hij gaat zijn nest wat uitdiepen, rent naar binnen, komt achterwaarts loopend weer naar buiten, een hoopje zand verschuivend, laat dat liggen, zegt even „kik” en holt weer ’t nest in. Hoe hij dat geluid maakt weet ik nog niet. Zoo blijft hij een poosje doorwerken en eindelijk gaat hij niet meer naar binnen, maar harkt uit de omgeving los zand in de opening van het nest en weet de heele zaak zoo te behandelen, dat de nestopening ten slotte in ’t geheel niet meer kan worden onderscheiden. Vlug vang ik hem, om U zijn hark-achtige voorpooten te vertoonen en zijn langen snavelsnuit. Naar de eerste noemen wij hem Harkwesp (110), naar de laatste Snavelwesp en dat is ook min of meer de vertaling van zijn wetenschappelijken naam Bembex Rostrata. ’t Is een heel merkwaardig dier, waar ik U nog wel een bladzij of acht van zou willen vertellen. Ge kunt dat echter ook wel nalezen in Jaargangen 6, 7, 8 van De Levende Natuur.
Nu hoop ik, dat ge inmiddels gestoken zijt door een regendaas, dat is de grijze vlieg met grijze vleugels en groene oogen, die soms zoo stilletjes steken kan en zich dan zoo vol bloed zuigt, dat hij te lui is om weg te vliegen en dan knijp je hem gemakkelijk dood. In sommige jaren heb je die vliegen bij honderden en dan kunnen ze geweldig lastig zijn. Ze hebben ook nog grootere verwanten, dat zijn de Runderdazen, die steken door drie lagen kleeren heen. In Zwitserland heb je die nog meer dan bij ons en daar vergallen ze menige mooie wandeling. Nu dan, in onzen Zandkuil huist ook een klein Graafwespje, die schijnt er vooral werk van te maken, om van die Regendazen te vangen en als voedsel voor zijn kroost te begraven. Hij huist doorgaans meer omhoog op de helling in het grijze zand boven het koffiedik. We kruipen dus naar boven en houden goed uitkijk. Als ’t gaat zooals in 1912, dan hebben we er gauw een te pakken, want toen was het daar een onophoudelijk gaan en komen van deze wespjes. Daar komt er al een; zijn vlieg is nog langer dan hij zelf. In het glazen vangbuisje laat hij zijn prooi gauw vallen en nu zien wij, wat een aardigen vorm dit diertje heeft, den hoogen rug nog versierd met een voor zijn doen groot uitsteeksel. Dit is nu de Bultenaarwesp (112), Oxybelus uniglumis.
Zoo kan ik U nog wel een uur in den kuil rondleiden en U telkens weer nieuwe bijtjes en wespen vertoonen: vliegendooders en spinnendooders, rupsendooders, bladluizenjagers van allerlei soort. Het komt er maar op aan, om wat geduld te hebben en dan kunt ge zien, hoe iedere soort zijn eigen prooi heeft en zijn eigen manier, om die te begraven. Sommigen graven een hol, voor dat ze hun prooi vangen, anderen bemachtigen eerst het insect hunner gading en graven er dan een hol voor. De diepte en ligging der holen is ook alweer zeer uiteenloopend. Ik kan er nu (’t is vandaag 22 December) alweer naar verlangen, om eenige zonnige dagen in dien Zandkuil op Texel door te brengen.
Het blijft ook niet alleen bij bijen en wespen. Er loopen ook prachtige Zandloopkevers rond en wij kunnen er uitzien naar de valkuilen van hun larven. Ook zien we er de geheimzinnige, ongevleugelde Mierwespen, Mutilla (120) en Methoca Mestkevers (129), de Rupsendooder Ammophila Affinis (119) en groote Loopkevers (130) met roode dijen, die ook een specialiteit zijn van Texel. In en om de Zandkuil zag ik inderdaad ook soms onverwacht groote hoeveelheden van St. Jansvlinders (60), Kolibrivlinders (116), Distelvlinders (118), Windepijlstaarten (117) en zelfs Doodshoofdvlinders (115). We mogen dus wel blij zijn dat Natuurmonumenten dezen Zandkuil heeft gekregen.
Nu gaan we bovenop den Berg nog wat liggen uitkijken naar Oude Schild en Texelstroom. Tusschen den Berg en Oude Schild zien we nog een boerderij mooi in de boomen, dat is Brakestein en daar moet vroeger Tromp gewoond hebben of Maarten Harpertsz of Cornelis, dat weet ik niet. Vroeger had je in Oude Schild ook nog een herinnering aan De Ruyter in het hotel De Zeven Provinciën, maar dat is al lang afgebroken en ’t was dan ook een heel leelijk perceel. Ook de schansen zullen wel eens worden vergraven en dan hebben we met het krijgshaftig verleden van Texel geheel gebroken. Op de ree stoomen nog iederen dag oorlogschepen, groot en klein, uit Nieuwediep en die houden ook nog hun schietoefeningen aan De Mok en ver weg in de wateren naar Vlieland, doch dat ligt eigenlijk buiten onze aandacht.
Maar het eiland zelf blijft en ’t doet ons goed hier even te liggen op zijn hoogen rug en uit te zien naar de vele plekken, die ons in de enkele dagen, die wij hier doorbrachten, reeds dierbaar zijn geworden. Laat het bij die enkele dagen niet blijven. Wordt hier een geregelde gast. Een enkel jaartje moogt ge misschien eens overslaan, maar kom hier toch liever driemaal in één jaar (April, Juni, October) dan eenmaal in drie jaren. Er begint zich al langzamerhand een broederschap te vormen van vrienden van Texel. Dat zijn in de eerste plaats Nederlanders, maar ook Zwitsers, Engelschen, Schotten, Amerikanen, Duitschers en Franschen. Hoe meer hoe liever, want des te eerder zal men begrijpen, dat Texel zooveel mogelijk ongerept moet blijven, in het bijzonder zijn duinen en stranden. Gelukkig bestaat daarvoor goede kans.
REGISTER