Part 2
De tocht zuidelijk om was al even prettig en mooi. Ik ging bij den Burg het zandwegje in naar het kerkhof van Oude Schild, een weg tusschen hooge tuinwalletjes. Deze heele buurt, Noord-Haffel en Zuid-Haffel is er een van hooge walletjes en paden in allerlei richting en als ik nu eens dicht bij huis buiten wou gaan zitten lezen of niets doen, dan vond ik hier altijd bij elken wind een veilige beschutting. Ook waren deze wallen dicht begroeid en vooral in April en Mei zagen sommige plekken blauw van de Grasklokjes (35) en Zandblauwtjes (44). Afzonderlijk in de laagte lag een eendenkooi, daarvan had je er destijds een stuk of vier op Texel en later heb ik bevonden dat die kooi in ’t voorjaar dicht begroeid was met wilde Hyacinthjes. Langs een smalle hooge kade komen we eindelijk bij Ceres en hier begint de dijk van den Prins Hendrikpolder. Die was toen al 15 jaar oud en raakte al aardig begroeid, maar hij zat toch ook nog vol met vogels, net als het Noorden. Ook was er een molen die is sedert verdwenen. Aan ’t eind van de Prins Hendrik is het Horntje, dat heeft van de zeestroomen nog meer te lijden dan de Volharding. Nu komt de mooie baai van de Mok, die doodloopt tegen slijkvelden en kortgegraasde weiden en hier wemelde het weer van vogels, zoowel aan de Mokzijde als aan den noordkant van ’t duin, waar een vierkant meertje in bezit was van een paar honderd kluten. Nu naar ’t zuidelijk Mokduin, daarvoor moest ik over de Moksloot springen, want ik had geen erg in het bruggetje hooger op. Dan ’t duin over en ik stond op een breed strand waar jonge duintjes aan het groeien waren. De jongens hadden me gewaarschuwd dat deze zuidkust nog al veel inhammen had en daarom moest ik maar liefst niet te ver van den duinvoet gaan. Dat heb ik dan ook braaf gedaan, maar kon ’t toch niet laten om zoover mogelijk te loopen in de richting naar Onrust, dat toen nog een eiland was. Met gevoelens van gepasten eerbied stond ik dan eindelijk ook aan den oever van het smalle Noordergat, waarlangs eenmaal Johan de Wit de Hollandsche vloot naar buiten heeft geloodst. Het Zuid-Westerstrand (1) was hier onafzienbaar breed en rijk aan schelpen. Verderop naar ’t westen, werd het al smaller totdat het eindelijk heel smal werd, geen twintig meter van duinvoet tot hoogwaterlijn. Dit zijn de duinen achter De Westen (6) en bij springvloeden en zware stormen worden die soms loodrecht afgesneden door de woeste golven.
Van hier naar De Koog wordt het strand weer gaandeweg breeder. Ik herinner mij nog goed hoe ik mij op dat stuk geamuseerd heb met een viertal strandloopertjes dat jacht maakte op Strandspringers. Dat zijn witte Schaaldiertjes, ze lijken wel wat op de zoetwatergarnalen, die je uit de slooten schept, als je naar Stekeltjes of Watertorren vischt. Deze strandspringers vertoeven het meest in de lange lijn van het strand-aanspoelsel. Als je daar langs loopt springen ze vaak voor je voeten uit. De Strandloopertjes nu stommelden met hun snaveltjes even in dien rommel en als er dan een strandspringer weghuppelde dan holden zij hem na en in tien van de tien gevallen werd hij opgepeuzeld. Het was nog een heel eind naar de Koog en driemaal was ik in de verleiding om door een „slag” in het duin regelrecht naar huis te gaan, maar vanwege de aardrijkskundige stijfhoofdigheid en den zin voor het volledige bleef ik doorzetten en zoo mag ik dan beweren, dat ik het eiland Texel geheel heb rondgeloopen, zevenendertig jaar geleden in twee dagen. Na dien tijd heb ik het nooit meer gedaan, ofschoon ik natuurlijk alle deelen van dien omtrek nog wel heb bezocht, sommige twee of drie maal, andere verscheidene malen.
Daarna volgden de ontdekkingsreizen in het binnenland. De schapenweiden waren gauw genoeg bekeken, maar verspreid daarin lagen allemaal kleine boschjes en die hielden mij voortdurend in hun betoovering. Daar had je dicht bij den Burg eerst de Boogaart en dan Bakkersboschje, Meijerboomsbosch, De Blauwe Poort en de Zeshonderd, allemaal in hoofdzaak elzenhakhout. Bakkersbosch was bij de kinderen beroemd om zijn wilde Hyacinthjes, maar Meijerbooms was mij het liefst. Het bestaat gelukkig nog. Het was aan de vier zijden omgeven door slooten; die aan den hoogen kant was meestal half droog, de andere hadden een flinken rietgroei. Behalve Elzen en Esschen groeiden er ook veel Berken en Waterwilgen en Lijsterbes met vooral aan de westzijde ondoordringbare Bramen en Kamperfoelies (57). Een groot deel was dicht begroeid met hooge stekelvarens, verwanten van de Mannetjesvarens (58), de grond was daar echt boschveen, decimeters diep, wat wel getuigt van den grooten ouderdom van deze boschjes. Uren en uren heb ik in die varens gezeten, luisterend naar de vele vogeltjes van het bosch en van de rietzoomen. Daar zong de Spotvogel (106) onvermoeid en ook de Boschrietzanger (99), die zooveel op hem lijkt. Daar huisden tevens Fluiters en Grasmusschen, Kneutjes en Klauwieren en eenmaal maakten er Eksters een nest in een laag berkje, niet hooger dan manshoog. En als je kroop naar den rand van ’t boschje, dan kon je uitzien over de weiden en hooilanden en zien hoe die Kieviten en Tureluurs naar hun nesten stapten, of hopen dat je den Kwartelkoning te zien zou krijgen die hier tergend luidruchtig maar steeds ongezien zijn „peersneers” ten beste gaf. De Blauwe Poort lag nog gunstiger, maar een beetje verder van huis.
En dan de Westen, de Fonteinsnol, de Mient en de groote duinvalleien, die ik genoemd vond in het boekje van Holkema: de Bollekamer, de Bieschbosch, het Piet Rozenvlak, het Groote Vlak. De Fonteinsnol was een wonder, een hoog duin, dat uit de groote duinenreeks bij wijze van schiereiland in de vlakte vooruitsprong. Een eindje tegen de helling op, aan de noordoostzij ontsprong een bron, een echte bron, een holte in het witte zand, waaruit het klare water opwelde en dat stroomde omlaag, zich telkens vertakkend door kussens van veenmos en kwam eindelijk terecht in de vlakte van de Mient, die uit andere duinen nog meer water kreeg en zoo een allermerkwaardigst landschap was, half heide, half moeras en vol van de mooiste bloemen en de aardigste vogels. Maar het allermooist en rijkst was toch de bron aan de Fonteinsnol en zijn onmiddellijke omgeving. Daar groeiden groote blauwe Klokjesgentianen (17) in alle schakeeringen van wit of bijna wit tot het diepste donkerblauw. Daar stonden dicht opeen de geurige witte Nachtorchissen, het Rondbladig Wintergroen, Parnassia en Duizendguldenkruid en lagen aan de beek de ongelooflijk mooie bloempjes van de tengere Bastaardmuur Anagallis Tenella. En als je dan om die Nol heen ging of er over heen en weer omlaag, dan kwam je in die valleien en daar groeiden al die planten weer, met nog mooie Jeneverbesstruiken (37) („fakkel” zegt de Texelaar) en op de moerassige plaatsen het hooge stekelige Galigaan (39). Daar broedden de Wulpen en de Duinpiepers en daar had ook de groote aschgrauwe Kiekendief zijn nest. Vroeger is het daar nog veel rijker geweest, maar reeds na 1839 door het graven van de Moksloot zijn die valleien ontwaterd, zoodat de Roerdompen en Roode Reigers en Lepelaars, die er broedden, moesten verdwijnen.
Ook ben ik helaas een der laatsten geweest, die genoten hebben van de heerlijkheid van de Fonteinsnol en de Mient, want reeds in 1895 of nog eerder zijn bron en beek vergraven en vergreppeld, als eerste maatregel voor de bebosschingen op Texel. Nu groeien daar Zwarte Dennen en Witte Elzen en dat is allemaal in sommige opzichten heel goed en nuttig, maar er is een landschap verdwenen, zoo mooi en leerzaam als er geen tweede in ons land was te vinden. Ongelukkig was in dien tijd Texel maar bitter weinig bekend en de plantenkenners dachten meer aan de afzonderlijke plantjes dan aan het samenstel van een merkwaardig geheel. Tegenwoordig zou men stellig zoo iets moois op alle mogelijke manieren trachten te behouden.
Er is veel veranderd sedert ik voor ’t eerst voet aan wal zette te Oude Schild. Behalve de Fonteinsnol zijn er nog een paar merkwaardige plaatsen verdwenen. Maar wat er overblijft behoort nog tot het beste, wat er in Nederland te zien is. In de volgende hoofdstukken zal ik U wat vertellen van den huidigen staat van het eiland. En hoe meer vrienden het krijgt, des te meer waarschijnlijkheid, om niet te zeggen zekerheid, komt er, dat het zal blijven de parel der Noordzee-eilanden, wereldberoemd.
II. WAAL EN BURG
Wij zijn nu al jaren gewoon, om met de vierde klas van de meisjesschool „Het Kopje” in het laatst van Mei of in het begin van Juni een dag of vier door te brengen op Texel. In den regel is het dan prachtig weer en de planten- en dierenwereld zijn op hun mooist. Wij logeeren dan in het dorpje Koog in het badhotel, waar in dien tijd uit den aard der zaak nog niet veel gasten zijn. Meestal hebben wij met ons gezelschap het rijk alleen en dat is natuurlijk heel prettig en geriefelijk. Van te voren hebben we op school eenige weken lang ons bezig gehouden met de dieren- en plantenbevolking van ons dierbaar eiland en daar we jaar op jaar dezelfde wandelingen doen, zijn we van te voren al tamelijk goed op de hoogte van wat we kunnen beleven. Voor de meeste jongelui is het ’t eerste bezoek en het is dan voor mij een bijzonder groot genoegen om telkens weer te zien, hoe de nieuwelingen dadelijk verrast worden door de wonderlijke en vreemdsoortige schoonheid van het Noordzee-eiland.
Nu is de reis zelf er eigenlijk heelemaal op berekend, om de aankomst op het eiland tot een vreugde te maken. We zijn dan eerst met den trein heel Noord-Holland doorgerammeld van Bloemendaal naar Den Helder en hoe mooi onze Provincie ook mag zijn, in ’t volst van de lentepracht wordt zoo’n reis ten slotte toch een beetje benauwd, vooral in de beruchte boomlooze streek benoorden Schagen. We voelen het dan ook echt als een nieuw hoofdstuk, wanneer we in Den Helder onze fietsen bestijgen en in enkele minuten rijden naar de haven, waar de flinke stoomboot „De Dageraad” of „De Marsdiep” al op ons ligt te wachten.
Daar zijn we al dadelijk thuis. De bemanning van de boot beschouwt onze komst reeds als een gewoon geregeld wederkeerend natuurverschijnsel, zoo iets als de lammerenmarkt of de lijstertrek en ze zien nauwelijks, dat het ieder jaar weer andere meisjes zijn. We komen altijd tijdig genoeg aan, om plaatsen te vinden op het bovendek.
Er zijn weinig plekken op de wereld waar ik liever ben, dan op het bovendek van De Dageraad, gaande naar Texel, hetzij op mijn eentje, hetzij in gezelschap van vrienden, geestverwanten of leerlingen. De boot glijdt langzaam de haven uit, links het Wierhoofd, rechts de bazaltglooiingen en de metalen pantserkoepel van het fort De Harssens. Een visschermannetje, een barkas van de marine, een oorlogsschip op stroom geven een passende stoffeering in het water-landschap. Groote meeuwen glijden her en der en als we over de verschansing in ’t water kijken, dan zien we er de mooie doorschijnende groote kwallen, lichtgroene, blauwe en bruine, meegevoerd door den stroom of zich voortbewegend met rhythmische spanning en ontspanning van hun zwemklok.
Maar reeds zijn we de haven uit en nu opent zich naar links het vergezicht door het Marsdiep regelrecht naar de Noordzee. We kijken even naar den zwaren dijk, die hier de Noordpunt van Noord-Holland beschermt en wel mag hij breede glooiïngen hebben, bekleed met zware steenblokken, want het gaat hier steil omlaag tot een diepte van meer dan veertig meter. Die geul van het Marsdiep zet zich binnenwaarts voort als Texelstroom en dat is ons vaarwater naar Oude Schild heen. Naar rechts zijn we gauw uitgekeken, daar ligt in de verte het eiland Wieringen, dat geen eiland meer is en wij probeeren namen te geven aan de boomgroepjes en kerktorens die daar in de nevelige verte op de zee rusten. Wat is nu eigenlijk Hippolytushoef? Een groezelige rookstreep heel in de verte schrijven we toe aan Keileembaggermolens van de Zuiderzeewerken.
Ondertusschen zijn we ook op den uitkijk naar Bruinvisschen. Die ontbreken haast nooit op den Texelstroom en het duurt dan ook niet lang of we zien een spitse rugvin het water doorklieven en weldra draait ook de vettig glimmende rug boven de golven uit. Daar komt een tweede en een derde. Een ervan is een zeer levendig heer, die springt totaal uit het water en ploft weer neer in schuim en spatten. We zijn nu al ter hoogte van ons eiland zelf en kunnen elkaar nog even Onrust aanwijzen, het eenzaam duin, dat eerst een eilandje was, maar nu door een groote zand- en schelpenvlakte met Texel is verbonden. Misschien wandelen we er eens heen. Texel breidt zich tegenwoordig zuidwaarts uit en heel in ’t zuiden groeit op het strand een nieuw duin aan, de kleine Pannekoek, dat ik ieder jaar bezoek, om te kijken hoe het vordert. Nu zijn we dwars voor de Mok, een diepe baai met aan de zuidzijde de groote loodsen van het vliegkamp. Aan de Mokduinen sluit zich de Prins Hendrikpolder aan met het Horntje, een zorgelijke plek, want hier schuurt de Texelstroom vlak langs de kust, zoodat de zeewering onophoudelijk behoed moet worden tegen ondermijning.
Over den vlakken polder heen komt nu het binnenland te zien. Wij wijzen elkaar Den Hoorn met zijn hoogen, slanken kerktoren, die een belangrijke baak vormt voor de scheepvaart. Daarachter ligt de lange reeks van de Noordzeeduinen, met de hooge schermbaak van Koog en daarvoor strijkt nu het halve eiland aan ons voorbij met de flauwe glooiïngen van Zuid-Haffel en Noord-Haffel, de hoogte van de leemkuilen, de Hooge Berg met zijn miniatuur beukenwoud, het dorp Den Burg met zijn beide kerktorens en als wij daar nog druk mee bezig zijn, draait onze boot al naar de haven van Oude Schild (B). De torentjes en de daken van dit lange dorp kijken net boven den zwaren zeedijk uit. Nu gaat het door den nauwen ingang naar de havenkom, de bedrijvigste plek van het heele eiland met zijn molen en pakhuizen, garnalenkokerijen en scheepstimmerwerven.
Het duurt dan ook nog al een poosje, eer we allemaal op de fiets zitten. Eindelijk draaien we om de haven heen, laten den grooten weg naar Den Burg links liggen en slaan den landweg in, die ons over De Waal en door den polder Waal en Burg naar De Koog zal brengen. Aanvankelijk rijden we door het lage gedeelte van Oud-Texel, venig land en kleiig land, vol slooten en plassen en hier en daar met kale slibplekken. Hier zitten we dadelijk volop in de vogels. De roodbeenige Tureluurs (83) laten hun welluidende loktonen en waarschuwingskreten hooren, deze geluiden van „tjo, tjo” en „tuutuutuut” zullen ons blijven begeleiden al de dagen, die we op Texel zullen doorbrengen en een goed deel van de nachten ook. De Kieviten en de Grutto’s laten zich ook niet onbetuigd en schreeuwen ieder om het hardst hun eigen naam, maar hoe ze zich ook weren, de alomtegenwoordige Tureluur blijft hun altijd de baas.
Ook rijden we nog geen drie minuten of we krijgen onze eerste Kluten (81) te zien in het natte land links van den weg, eigendom van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Daar liggen twee bezittingen van „onze” vereeniging. Een daarvan is ons aangeboden door de zustervereeniging „Tot Bescherming van Vogels” en heet „Büttikofers Mieland”. ’t Is een herinnering aan een ouden grijzen Zwitser, die nu weer in Bern woont, maar meer dan een halve eeuw in Nederland gewerkt heeft. De Rotterdammers kennen hem heel goed, want hij is daar jaren lang Directeur geweest van de Diergaarde, goed vriend van mensch en dier. Maar wij gedenken hem hoofdzakelijk als bestuurslid van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en President van de Vereeniging tot Bescherming van Vogels en als zoodanig heeft hij nu hier zijn weliswaar modderig, maar bloemrijk en vogelrijk gedenkteeken.
We stijgen hier even af, om op ons gemak naar de Kluten te kijken. Ze zijn in ’t geheel niet schuw. Op hun lange loodgrijze pooten waden ze door de plassen en langs de slootkanten. Als ze naar den anderen oever willen gaan, zwemmen ze doodbedaard door het diepe water heen en dat gaat heel goed, want ze hebben flinke zwemvliezen aan hun voeten. Wat een mooie vogels en hoe eenvoudig van kleur: het gevederte niet anders dan sneeuwwit en pikzwart. Ook de lange, merkwaardig gevormde, omhooggebogen snavel is zwart. Het is een lust, ze te zien rondstappen in het ondiepe water, rustig op hun lange beenen, den hals vooruit en omlaag gestrekt en dan maaien ze met hun snavel door de weeke modder, waarin allerlei gedierte huist, voornamelijk bescheiden verwanten van Kreeften, Krabben, Garnalen en zulk gedoe. Dit is wel een van de merkwaardigste vogels van ons land en alleen reeds een reisje naar Texel waard. We zullen die Kluten vinden over het heele eiland heen, aan de stranden, zoowel als in het binnenland en je krijgt hier den indruk dat het een heel gewone vogel is. Dezelfde ervaring doe je op aan het eilandje bij den Hoek van Holland, in het Voornsche duin en op een paar plekjes op Schouwen. Hier en daar langs de Zuiderzee broedt hij ook wel, maar dat is dan ook alles. In Engeland broedt hij niet meer, in Duitschland aan de Oostzee heel zelden, maar wel veel in Jutland, in Zuid Spanje, langs de Middellandsche zee en door heel Azië (met zijn brakke meren) heen tot in Japan. Hij zit dus hier op een voorpost en wij mogen hem wel in eere houden. Dat doen we dan ook.
Nu opstappen weer en in den reinen lenteavond dwars door het eiland naar het verre duin, dat ons zijn schaduwzijde toekeert. Daarboven welft zich de blanke lucht en rondom ons heen tierelieren de Leeuweriken (63). Vlak bij ons zien we ze de hoogte ingaan of neerdalen en met hen jodelen en jubelen al de langbeenige waadvogels, op een enkele na. De lammeren spelen op de walletjes—voor zoover die niet met prikkeldraad bezet zijn, terwijl hun flegmatieke mamma’s liggen te herkauwen tusschen de boterbloemen.
Langs de pastorie komen we De Waal (C) binnen, maar langs de herberg en de smederij rollen we er meteen uit, even rechts langs den Ouden Slaperdijk en dan linksaf den beroemden lijnrechten weg in, dwars door den polder Waal en Burg en zoo op De Koog (7) aan. Heel aan ’t eind zien we hoog op het duin het Scherm van De Koog, de baak voor de scheepvaart en rechts daarvan ons badhotel Juliana. Zoo’n lange lijnrechte polderweg lijkt wel vervelend, maar inderdaad is er geen mooier en onderhoudender weg in heel Nederland en misschien ook daar buiten, dan de rechte hoofdweg door den polder Waal en Burg. Daar zullen we morgen wel meer van beleven. Nu trappen we flink voort, want we willen den eersten avond den besten de zon zien ondergaan in de zee. Weldra hebben we het eind van den polderweg bereikt. Daar ligt een klein meertje. Meteen maakt de weg een bocht en we gaan wat omhoog. We zijn hier weer op het oude eiland, op den Pijpersdijk, in den Texelschen volksmond bekend als „Pupelikediek”. Hier begonnen vroeger de heerlijke Mientegronden al en er ligt nog een klein stukje hei, maar overigens is alles ontgonnen, veranderd in weiland en bosch. En daar zingt nu de vogel, die vijfendertig jaar geleden aan mijn geluk op Texel ontbrak, de blijde Nachtegaal. Sedert een jaar of tien is die op Texel komen broeden, eerst, merkwaardig genoeg in het Oude Eiland in de omgeving van den Hoogen Berg, maar later gaf hij de voorkeur aan de nieuwe bebossching en de oude boschjes langs den binnenvoet van het duin. Een aardige schadevergoeding voor het vele natuurschoon, dat we hier door bebossching en ontwatering hebben verloren.
Weldra rollen we door het dorpje, klauteren omhoog naar ons hotel en snappen werkelijk na het avondeten de zon nog net op ’t oogenblik, dat ze wegduikt. Op hetzelfde moment beginnen de vuurtorens van Eijerland en van Kijkduin te lonken en te flonkeren, want je zit daar op Texel zeer genoeglijk tusschen twee belangrijke kustlichten, heel geriefelijk, als je ’s nachts eens de goede richting mocht verliezen.
Den volgenden morgen heel vroeg zit ik al boven op het duin. Eigenlijk is er bij De Koog maar één hooge duinenrij (4), maar die is dan ook flink hoog. Naar de zeekust komt dan nog een lage, tamelijk breede zeelooper, van den hoofdrug gescheiden door een lange smalle duinpan, die zelf op verscheidene plaatsen weer dicht bezet is met heuveltjes, allemaal begroeid met duindoorns. Het hooge duin zelf is grazig tot op den top, met hier en daar een waaigeul, maar overigens bedekt met viooltjes, vleugeltjesbloem, eereprijs, walstroo en soms heele plakkaten van eikvarens. Op de minder begroeide plekken staan de kleine roode kandelaartjes (41) en de uitgebloeide voorjaarsvroegelingetjes, die hun zaden reeds hebben gestrooid. Natuurlijk kijk je ’t eerst naar de zee en de breede rijen van de witte branding tegen de strakke strandlijn. Aan den horizon kruipen een paar stoombooten. Soms kaatsen hun lichten en patrijspoorten het schijnsel van de lage morgenzon juist terug naar onzen duintop en de groene golftoppen doen evenzoo. Vogelleven lijkt er weinig op en langs de zee te zijn, maar de verrekijker toovert ons toch Meeuwen te voorschijn op de zee en op het strand, ook Scholeksters en klein onduidelijk gedoe; dat moeten wel Bontbekpleviertjes zijn. Nu keeren wij ons om en zien het eiland aan. Ge kent wel het prachtig vergezicht vanaf het terras van het hotel Berg en Dal bij Nijmegen? Welnu, het vergezicht van het Koogerduin is minstens even mooi. Vlak onder ons ligt het dorpje De Koog, met zijn ééne groote boerderij en eenige kleinere. Naar rechts zien we langs den binnenvoet van ’t duin de nieuwe bosschen en heel in de verte wat er nog overblijft van de Fonteinsnol. Het heele eiland is bespikkeld met boerderijen en boetjes en daartusschen groent en geelt het van weide en hooiland en boschjes. Heel in ’t Noordoost de molen van het Noorden en ’t dorp Oostereind, rechts daarvan De Waal, de Hooge Berg, Oude Schild en de waarlijk mooie en forsche oude kerk van Den Burg. Bij gunstig licht komt ook de Zuiderzee te zien, we merken dat we op een eiland zijn.
Intusschen is het in onze onmiddellijke omgeving druk van vogelleven in de zwarte dennen en in de duindoorns. Het vroolijk gekraai van de Kneutjes (61) is niet van de lucht en we behoeven maar even langs de toppen van de lage dennetjes te kijken en daar zien we de prachtige man-kneu al, het Robijntje met zijn roode schedelkap, zijn roode borst, bruinen rug en met wit gezoomden staart. Wat een prachtig vogeltje, zijn houding is al even flink en fier als zijn gezang, dat telkens en telkens herinnert aan een fanfare en soms zoo zuiver en gearticuleerd klinkt, dat je het in notenschrift zoudt kunnen opschrijven. Voor de tijden der bebossching nestelden ze ’t meest in de duindoorns, levende of doode, en nu hebben ze partij leeren trekken van de veilige dichtheid der jonge dennetjes.
Uit de duindoorns wiekt van tijd tot tijd een grijsbruin vogeltje omhoog, al zingend, zijn witte keeltje heelemaal opgezet. Lang houdt hij het niet uit; na een seconde of acht fladdert hij weer neer in de dorens en sluipt door de twijgen, met geluidjes van boosheid en angst: „tak, tak”, „watsj, watsj”. Dit is de Grasmusch en die vindt ge op Texel overal, waar duindoorns groeien. Beneden langs den zeelooper wemelt het ervan en daar heb ik gisteravond ook nog een ander vogeltje gehoord, den Sprinkhaanrietzanger (97), dien we liever een anderen naam wilden geven. Jan Verwey wilde hem Duinsnor noemen, wat wel een heel aardige naam is, maar het diertje komt ook veel voor in Brabant en Gelderland op de vochtige heiden. Ik heb den naam Krekelzanger bedacht, maar voel wel, dat die niet erin zal komen, wellicht wel wegens Bilderdijk. Zoo zal hij dan wel vijflettergrepig blijven. Behalve bij De Koog hebben wij hem ook gehoord in de duinvalleien van den Zuidwesthoek.