Taormina De Aarde en haar Volken, 1906
Part 3
Onze waard had ons medegedeeld dat een rijk particulier, Baron Vagliasindi del Castello, eigenaar was van een groote verzameling oudheden, een waar museum vormend. Wij zenden dus onzen jongen naar hem toe om belet voor ons te vragen, en komt deze ons spoedig berichten dat wij welkom zullen zijn. Met groote vriendelijkheid worden wij ontvangen door den heer des huizes die ons zelf zijne schatten wil laten zien. Een aangenaam onderhoud ontspint zich waarin de heer Vagliasindi ons mededeelt dat hij behalve grondbezitter en oeconoom ook oculist is. Hij heeft te Parijs gestudeerd, doch tot nu toe was het hem nog niet gelukt zijne fransche vrienden over te halen hem in het binnenland van Sicilië te komen bezoeken; de Franschen, zegt hij, beschouwen Sicilië nog als het land van roovers en van de Maffia, waar geen christenmensch zich wagen kan, en hij constateerde met genoegen dat de Hollanders op dat punt meer verlichte begrippen hadden. Op onze vraag of er dan werkelijk van al die verhalen niets waar is, deelt hij ons mede dat de toestand werkelijk niet rooskleurig genoemd kan worden, doch dat reizende vreemdelingen niets te vreezen hebben zoolang zij stil huns weegs gaan, zich niet te veel bemoeien met het volk en vooral geen nieuwsgierige vragen doen of een kijkje willen nemen in de woningen. Dan krijgt men argwaan, beschouwt die indringers als lieden door het gouvernement gezonden om na te gaan of er ook nog nieuwe belastingen kunnen worden opgelegd, en zou men hen misschien een leelijke kool stoven. Geheel anders echter wordt de zaak voor grondbezitters en landheeren, die moeten steeds op hun hoede zijn, zich niet ongewapend of onverzeld te ver van hun veilige woonplaats wagen, willen zij niet de kans loopen te worden opgelicht en slechts tegen een flink losgeld te worden vrijgelaten.
Het museum van onzen vriendelijken gastheer, uitsluitend bestaande uit voorwerpen, op zijne eigene bezittingen opgegraven, is werkelijk overrijk en belangwekkend en bevat grootendeels dezelfde zaken die men bij duizenden ziet in de musea van Palermo, Messina en de andere steden van Sicilië. Lange reeksen grieksche en phoenicische vazen en aardewerk, vele overblijfselen uit het steenen en bronzen tijdperk, hamers, pijlpunten enz. twee prachtige gouden slangen, waarschijnlijk armbanden, ontelbare romeinsche lampjes en beeldjes en eenige arabische voorwerpen. Met groot geduld wordt ons alles uitgelegd en vertoond en men kan aan alles merken dat wij den wellevenden Italiaan met ons bezoek een groot genoegen doen.
Daar wij nog een paar uur daglicht te goed hebben, wandelen wij de stad uit een landweg op, knoopen hier en daar een praatje aan met dezen en genen die ons daartoe 't meest geschikt voorkomt, om zoodoende nog eens iets meer te hooren aangaande de bewoners dezer lava-stad. Zij zijn voor een groot deel landbouwers en het is een eigenaardige bizonderheid van Sicilië dat die niet evenals bij ons op het land wonen, maar zooveel mogelijk in de steden. Zij, die hun land in de nabijheid dier steden hebben, verlaten des morgens vroeg hunne woonplaatsen en keeren daarin des avonds terug. Anderen wier landerijen op grooter afstand zijn gelegen, gaan des Maandags ochtends daarheen, bewonen de geheele week hunne armelijke steenen hutjes en komen Zaterdagavond weer naar de stad om den Zondag bij vrouw en kinderen te slijten.
Het is de moeite waard bij het vallen van den avond deze schilderachtige figuren naar de stad te zien terugkomen over den ouden heirweg van Messina naar Palermo die langs Randazzo loopt. Dan een landheer hoog te paard, zijn mantel tot op zijne voeten afhangende, in gestrekte galop, dan een tweewielig wagentje getrokken door een muildier dat moeite heeft de talrijke passagiers voort te zeulen, dan een ezel niet zelden bereden door twee of drie volwassen mannen en bovendien beladen met eenige takkenbossen of zakken hooi. In eindelooze karavaan trekt dit alles aan ons oog voorbij en eerst als het bijna volslagen duister is, begint de stroom te minderen en keeren wij terug naar ons hôtel. Daar worden wij blijkbaar niet verwacht, want op onze komst geraakt alles in rep en roer, de waard roept: licht, licht, vlug! en boven aan de trap verschijnt een klein petroleumlampje waarmee men ons voorlicht naar de eetzaal.
Tot onze verbazing bericht hij ons dat er bezoek voor ons is geweest en overhandigt ons ieder een reusachtig groote visitekaart. Het was de Heer Vagliasindi del Castello die ons met ouderwetsche hoffelijkheid een uur geleden een contra-bezoek had gebracht.
Na een avondmaaltijd, niet veel beter dan het diner, gaan wij nog even genieten van den prachtigen avond en het natuurgenot doet ons alras de kleine hôtelmisères vergeten. Een heldere, diep-blauwe hemel, waarin de sterren schitteren met veel grooter glans dan wij dit in onze waterachtige atmosfeer gewend zijn, welft zich boven de Etna die met haar pluim van rook daar zoo vredig ligt alsof zij nooit eenig onheil had gesticht.
De waard roemt zichzelf als uitstekende gids, hij vertelt van zijn verschillende tochten, van de uitmuntende paarden, muildieren en tenten die hij te zijner beschikking heeft. Maar als wij hem voorstellen den volgenden dag met ons zijn trots, zijn Etna te beklimmen, dan weigert hij. Hij schijnt op ons voorstel niet in 't minste verdacht te zijn, want plotseling krijgen zijne verhalen een ander tintje. In dezen tijd van het jaar de Etna op, waaraan denken wij! Het is veel te koud, storm en sneeuwjachten kunnen ons overvallen! Vooral de koude schijnt hij te vreezen en voor geld noch goede woorden is hij tot de excursie te bewegen.
Hoe aanbevelenswaardig een bezoek aan Randazzo ook moge zijn, zonder al te veel hartzeer zal men toch den volgenden dag dit sombere stadje weer verlaten. Weder door vele bewoners uitgeleide gedaan begeven wij ons spoorwaarts, bemerken nog op onze wandeling daarheen dat de pleinen der stad worden gebruikt tot droging van mais en andere granen, en is het een eigenaardig gezicht groote oppervlakten, met deze goudgele voedingsmiddelen bedekt, in de zon te zien schitteren. Of er door de stad voor dit gebruik ook precario geheven wordt, zijn wij niet gewaar kunnen worden.
Wij bestijgen weder het kleine, schuddende treintje om onze reis om de Etna te vervolgen. De verdere weg is niet minder afwisselend in grondgesteldheid en natuurschoon dan het eerste gedeelte, en van uit onze eerste klasse coupé, welks frischheid het best is te vergelijken bij een hollandsche derde klasse wagen, rooken, op een marktdag, zien wij het grootsche panorama aan ons voorbij glijden. Nog steeds gaan wij hooger den berg op, tusschen korenvelden door, die aan het glooiend terrein om Randazzo het aanzien geven van een groote lappendeken, in alle kleurschakeeringen van bruin tot geel; dan wordt het landschap eenzaam en verlaten en sporen wij door onafzienbare lavavelden zonder eenig groen, zonder een enkele woning, van tijd tot tijd door een kleinen tunnel, in de lava geboord. Hier bereiken wij het hoogste punt ± 1000 M. en dalen van daar naar Bronte 793 M., een welvarend plaatsje van 20000 inwoners. Voorbij Bronte begint de weg snel te dalen; nog steeds over breede lavastroomen, over onbewegelijke eeuwenoude steenmassa's, naderen wij meer en meer de bewoonde wereld. Allengs wordt het land weder vruchtbaarder; wij zien weer groote velden grijs-blauwe cactussen overladen met vruchten, daarna brem en eindelijk weder wijngaarden, olijf- en amandelboomen die een verkwikking zijn voor het oog. Langs de bloeiende stadjes Adernó en Paternò naderen wij het einde van onzen tocht; in de verte verrijzen de torens van Catania, de boomen van het park Bellini en eindelijk achter dit alles doemt aan den horizont de heerlijk blauwe zee weder op. En langs deze eeuwig schoone spooren wij nu weder terug naar ons punt van uitgang; steeds volgen wij de kust en belangwekkend is het te zien hoe aan de gloeiende lavastroomen die zich in woeste vaart van uit den krater op den berg hadden gestort, alles in hun vaart vernielende en medesleepende, door de nog machtiger zee een tot hiertoe en niet verder werd toegeroepen, hoe zij door het water gebluscht, zich in groote rotsgevaarten en onmetelijke steenkolossen langs de kust hebben opgestapeld, daaraan een afwisseling gevende van wondere grilligheid en onvergelijkelijke schoonheid die het oog voortdurend geboeid houdt.
Teruggekeerd te Taormina zien wij met welgevallen terug op het door ons gemaakte uitstapje, nog één dag rusten wij uit, genietend van het goede hôtel Victoria en zijn vriendelijke bewoners.
Ons verblijf aldaar spoedt helaas ten einde, en alleen de gedachte dat nieuwe heerlijkheden ons wachten, dat Syracuse, Malta en Tunis nog op ons reisprogram staan, kan ons doen besluiten dit schoone oord te verlaten.
Doch niet dan nadat wij nog een bezoek hebben gebracht aan den kunst- en smaakvollen photograaf, die van deze prachtige natuur in combinatie met de vele schoone gestalten der jeugdige mannen en vrouwen die haar bevolken, de heerlijkste groepen in de fraaiste omgeving heeft weten te maken. En vooral heeft hij een open oog voor de schilderachtige groepjes die men bij iederen stap ontmoet, voor de aardige meisjes in kleurigen dracht die in druk gesprek aan gindschen fontein hare waterkruiken komen vullen, voor den minnaar die zijne beminde een lied voorzingt onder begeleiding der guitaar, voor den prachtigen monnik in onderhandeling over de reparatie van een paar schoenen, en voor wat niet al! Een aardiger herinnering aan dit liefelijk plaatsje zou moeilijk zijn te vinden.
Mogen bijgaande reproducties en deze korte beschrijving, die slechts in zwakke klanken de werkelijkheid teruggeeft, velen doen besluiten een bezoek te brengen aan Taormina.