# Taormina De Aarde en haar Volken, 1906

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/taormina-de-aarde-en-haar-volken-1906-13787/index.md

Aan beide zijden van het tooneel bevonden zich nog twee kamers, die zonder twijfel dienden tot bergplaatsen voor alles wat op het tooneel betrekking had, of misschien ook als kleedkamers voor de artisten.

De voorzijde van het tooneel was met kostbaar veelkleurig marmer bekleed; de zuilenrijen in corintischen en jonischen stijl, waren van cippolijnsch graniet en afrikaansch marmer, de voetstukken der altaren van wit marmer.

Na deze beschrijving van de voornaamste deelen van het theater, nog een enkel woord over de verschillende doeleinden waartoe het gebezigd werd. Behalve de tragedie beoefende men er de satire, het tooneelspel, de pantomime en den dans. In de arena vonden de bloedige gevechten der gladiatoren plaats. Maar men behandelde er ook de publieke zaken, men ontving er de vreemde afgezanten, men besliste er over de zaken der republiek, dikwijls werd er recht gesproken, men beraadslaagde er over te verleenen eerbewijzen en op te leggen straffen en hield er redevoeringen tot het volk. Hier redetwistten de wijsgeeren, hier werden de veroordeelden ter dood gebracht, hier traden de dichters en schrijvers voor het volk op.

Wanneer men bedenkt dat de stad Taormina een theater kon oprichten van die grootte en pracht, zal men zich gemakkelijk een denkbeeld kunnen maken van den rijkdom en intelectueele ontwikkeling die daar in de oudheid heerschten.

Slechts eenige van de grieksche republieken uit die tijden zijn, dank zij haar macht en haar hooge ontwikkeling, in staat geweest een dergelijk theater te stichten. Het waren steden als Syracuste, Catania, Segesta, Gela, Agira en enkele anderen.

Wie, door denzelfden gids geleid als wij, het theater bezoekt, zal kalm het schitterend natuurtafereel kunnen genieten dat zich voor zijne oogen ontplooit, en zal in hem een uitstekend geleider vinden, die niet zal nalaten weer met dezelfde verontwaardiging te vertellen dat, nog geen halve eeuw geleden, de inwoners van Taormina de steenen uit het Teatro Greco haalden om er hunne woningen mee te bouwen, hij zal ook stellig wijzen op het verschil in den baksteen van voor 2000 jaar en den nieuwen tot restauratie gebruikten, die nu reeds verweerd is en afgebrokkeld.

Het heeft ons dikwijls in Italië getroffen dat de gidsen met onvermoeiden ijver u alles trachten uit te leggen en begrijpelijk te maken, ja zelfs oogenschijnlijk nog in vuur en verrukking raken als stonden zij, evenals wij, voor het eerst vóór hun "monumento nazionale".

En dit trof ons niet alleen op de minder bezochte plaatsen van Sicilië, maar evenzeer te Pompeï, te Rome en elders.

Met moeite scheiden wij van deze heerlijke en aangename plaats, maar er is nog zóóveel te zien dat wij ons hier niet langer mogen ophouden. Wel zijn het op nieuw gevallen grootheden die onze aandacht vragen, maar zij zijn zóó belangwekkend, zóó typisch, dat men nauwelijks den wensch in zich voelt opkomen ze anders te zien dan in den toestand waarin ze thans verkeeren. Zie de Badia Vecchia of oude abdij en het Palazzo del Duca di S. Stefano, die beide niet veel meer dan ruïnes zijn.

De Badia Vecchia vertoont nog hare fijne gothische spitsboog vensters, de reeds meergenoemde "merluzzi", haar inlegwerk van zwart-bruine lava, dat men nog fraaier kan zien aan de dakomlijsting van het Palazzo S. Stefano uit de 15e eeuw.

Uit veel later tijd zijn kerk en klooster San Domenico uit de 17e eeuw, en eigenlijk de eenige meer moderne gebouwen van het plaatsje.

Het klooster is thans tot hôtel ingericht en maakt geen uitzondering op den regel, integendeel bevestigt weder het feit dat de monniken er bijzonder slag van hadden voor hunne kloosters de meest idylische plekjes uit te zoeken, waar zij, afgezonderd van de menschen, de natuur in al haar heerlijkheid konden genieten. Wie èn ligging èn hôtel heeft gezien, doet beter er in onze wintermaanden niet aan te denken, tenzij hij, ongevoelig voor Annie Vivanti's blauwen hemel en zonneroes, de voorkeur geeft aan de trieste en zonlooze dagen van ons vochtig vaderland.

Laat ons thans niet in den steek om, als echte haastige sight-seeërs, Taormina na een of twee dagen weer te verlaten. Ga nog eens mee naar Giardini en bekijk onderweg de oude saraceensche graven die als een hooge muur met nissen aan eene zijde onzen weg begrenzen. Ook zult gij op die wandeling wel gelegenheid hebben de siciliaansche karren eens te bezien, die trouwens door hun eigenaardige vorm en kleur wel niet aan uwe opmerkzaamheid zullen ontsnappen. Wij zouden ze het best kunnen vergelijken bij een van boven van voren en van achteren open vierkante bak op twee hooge wielen; zij zijn zonder banken, de koetsier zit op den bodem van zijne kar en laat zijne beenen vrij naar beneden bungelen. De wielen en de beide randen der zijkanten zijn hel geel geschilderd, terwijl de paneelen van beide zijden prijken met bonte voorstellingen, meer of minder goed van teekening, dan eens van schitterende steekspelen, een andermaal van bloedige veldslagen of bijbelsche tafereelen, zoodat men ze rijdende prenteboeken zou kunnen noemen. Ook aan den ezel of het paard zijn de kleuren niet vergeten. Het roode hoofdstel is fijn benaaid met zilveren lovertjes en kleurige kralen, op den kop en midden op den rug verheft zich een pluim in sprekende tinten, terwijl belletjes veelal voor de muziek zorgen.

Zoo nadert men Giardini dalend langs den breeden zig-zagweg, wandelend langs vijgen of amandelboomen, nu en dan verrast door de heerlijke geuren van bloeiende citroen- of sinaasappelboomen. En bij iedere bocht van den weg verandert ons uitzicht; wij zien de Etna met haar rookenden top, de zwarte lavamassa's die tot op uren afstand voortgevloeid, donkere rivieren lijken die zich in zee ontlasten, of in het noorden de Straat van Messina, Calabrië, de uitgetande kust van Sicilië, waarlangs de spoor als kinderspeelgoed voortglijd, verdwijnend, verschijnend, tunnel in, tunnel uit.

Zoo genietende en bewonderende komen wij aan het strand en bieden geen weerstand aan de verzoeking een klein tochtje op zee te maken. Roeibootjes genoeg en geen gebrek aan overvragende roeiers die u gaarne naar de Grotta Amato of Grotta del Giorno zullen brengen. Roep hun uit de verte reeds toe dat gij geen Engelschman of Amerikaan zijt, wij durven u verzekeren dat hij u de helft zal vragen, en dat niet alléén, hij zal ook verrast opzien als hij zijn eigen taal hoort, en al hebt gij ook dikwijls moeite uit zijn eigenaardig dialect wijs te worden, gij zult toch na vijf minuten in een interessant gesprek gewikkeld zijn over zijn land, zijn gezin, zijn leven, zijn lijden. Opgewektheid zult gij bij hem niet vinden; de Siciliaan is over het algemeen somber; zang en lach der Napolitanen zal men tevergeefs bij hen zoeken, maar zijn fond is beter en hij is meer ontwikkeld. Trots kijkt hij uit de donkere oogen, ridderlijk is zijne houding.

Moet ons zijne mindere opgeruimdheid verbazen als wij zijn land hebben gezien? Ons lachen zon en blauwe hemel toe, wij vinden de schitterende oude gebouwen en ruïnes interessant, de lavavelden en cactussen eveneens. Maar die onafzienbare rotsenmassa's waarop dier noch plant kunnen leven, al die rivieren en stroompjes die des zomers hun waterlooze steenen bedding vertoonen, de menschen en kinderen moordende zwavelmijnen bij Caltanisetta, de alles vernielende druifluis die op onmetelijke velden allen wijnbouw onmogelijk maakt, hoe zouden die ons lijken als wij, in plaats van toeristen, bewoners van Sicilië waren? Maak u geen illusie dat heel Sicilië is als Taormina, en wie nooit dit liefelijk oord aanschouwde doch alléén Palermo bezocht, moet ook niet zijn Conca d'Oro of goudenschelp, de heerlijk groene vallei waarin die stad ligt, als bewijs van Sicilië's vruchtbaarheid aanhalen. Neen, Trinacria deed ons dikwijls denken aan een vergeten, verongelijkt kind van het moederland Italië.

Na het zeetochtje moet gij ook nog een dag de bergen met ons in, te voet of op een ezel, al naar verkiezing, maar raden doen wij u in deze niet. De keuze is moeilijk, wilt gij zelf zoeken waar op de steile bergpaden met vallende steenen uw voet te zetten, of wilt gij het overlaten aan uwen ezel, die, daar kunt ge op aan, nooit vallen zal maar altijd de beste plekjes zal weten te vinden. Maar dan moet gij het stootende gevoel er voor over hebben dat, vooral berg af, aller onaangenaamst is.

Tusschen twee muurtjes van los op elkaar gestapelde steenen, waarachter de wijnvelden liggen, bestijgen wij de trapsgewijze ruw aangelegde wegen. Links en rechts hooge cactussen zwaar van de rijpe cactusvijgen, een geliefkoosd volksvoedsel der Sicilianen, die ondoordringbare hagen vormen tusschen de verschillende bezittingen.

Wij wagen ons aan geen beschrijving van de cactus, overtuigd geen betere te zullen kunnen geven dan die van Selma Lagerlöf in haar "Wonderen van den Anti-Christ" waarin zij haar beschrijft als iets dat "strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën, op 't hoofd en de ellebogen. Het was binnen en buiten 't dal, het had slechts stekels en knobbels, had een mantel van spinnewebben en poeier op zijn pruik en leden zooveel als een worm. Wist Gaetano dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een boer? Wist hij dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen? De cactus was de beste toovenaar die op de Etna woonde."

Ja, wat volgens de legende bedoeld was als een vloek voor Sicilië, is het ten zegen geworden. Volgens de overlevering toch meenden de Saraceenen geen beter middel te kunnen bedenken tot uitroeiing van de bewoners van Sicilië dan het invoeren en aanplanten van de cactus. Hare vruchten toch kunnen, wanneer men er niet aan gewend is, bij onmatig gebruik den dood veroorzaken. Doch de Sicilianen vielen niet in de hun gespannen strik; zij begonnen met de cactusvijgen met mate te gebruiken en eerst toen zij er behoorlijk aan gewend waren, werden zij langzamerhand een volksvoedsel. De prijs is vier stuks voor twee centimes, wel een bewijs hoe overvloedig zij zijn, en het is dan ook niet ongewoon er 60 à 80 op één dag van te verorberen. De flauwe smaak bracht ons niet in verzoeking er ons aan te buiten te gaan. Als een aardige bizonderheid zij hier nog vermeld dat wij ze later eens te Hamburg in een delicatessen-winkel zagen liggen, doch daar kostten zij 72 cents per stuk, dus 288 maal zoo duur!--De naam "fighi d'India" vindt dus zijn oorsprong in den invoer van de cactus uit het land der Saraceenen, dat de Sicilianen India noemden.--En Selma Lagerlöf noemt haar met recht den toovenaar van de Etna omdat, wanneer de velden op dien berg door lava onbruikbaar zijn geworden voor wijn- of landbouw, zij beplant worden met cactus, die den grond breekt en allengs weder geschikt maakt voor andere doeleinden.

Na een uur stijgens bereiken wij Mola, een klein dorp op den top van een kale rots. Reeds op den weg buiten om den steilen steenklomp, door de oude vervallen poortjes, genoten wij het verrukkelijk vergezicht, dat nog ruimer werd op het zonnig dorpspleintje. Maar hoezeer ons het panorama bekoorde, wij zouden het niet wenschen ten koste van Mola als woonplaats. Ongeplaveide niet meer dan 1 1/2 meter breede straten, die nauwelijks den weidschen naam straat verdienen, liggen tusschen de armelijke en schamele huisjes; logge zwarte varkens loopen overal onbeheerd rond of liggen zich midden in de straat in het zonnetje te koesteren. Treurig is het gezicht op de kale, bruin gekleurde wijnvelden, waar de gevreesde druifluis alles heeft verwoest en de bewoners heeft verarmd. Een oude man, die ons van de tallooze kinderen wilde verlossen die zich tot gids hadden opgeworpen, vertelde ons van zijn vreeselijken achteruitgang, hoe hij vroeger jaarlijks 100 H.L. wijn verkocht voor 20 lire per H.L. en nu niets meer. De alles vernielende philoxera had niets gespaard.

Vijf, zes kinderen huppelden aan alle kanten om ons heen, aangevoerd als hoofdwegwijzers door Saviotto Francesco di Francesco en zijn nichtje Angela, een donker gebrand bruinoogig kind van een jaar of tien. Saviotto beklaagde zich over zijn weinige kennis van vreemde talen en vertelde ons vol trots van een neefje dat gids kon zijn in 't fransch, duitsch en engelsch. Op een der vele varkens wijzend zeide hij: ik weet alleen pig, schwein, cochon en wat de signore op zijn neus heeft zijn spectacles. Half smeekend vroeg hij ons of wij hem niet een fransche grammatica wilden sturen, want genoemde neef had boeken en die had hij niet. Angela vroeg ons voor iederen persoon dien wij tegenkwamen om een soldo, en het scheen wel of iedereen familie van haar was.

"Da un piccolo soldo a mia sorella" (geef een stuivertje aan mijn zusje). Twee minuten later: "Da un piccolo soldo a quest' uomo, è mio nonno, non vede dagli occhi" (geef een stuivertje aan dien man, hij is mijn grootvader, hij ziet niet uit zijn oogen). Haar eigen woning voorbijgaande "Ecco la mamma e il piccolo fratello, da loro un piccolo soldo", en zoo ging het maar door. Op ons uitgangspunt teruggekeerd waar drijver en ezel wachtten, stond een groot gedeelte van de kinderbevolking om ons heen en de tevredenheid was algemeen toen een regen van piccoli soldi op de vuile handjes nederdaalde. Nog lang daarna hoorden wij hun gejuich en hun geroep van "buon giorno, buon giorno, buon viaggio, a rivederci!"

Saviotto's laatste woorden waren: "mandatemi un libro francese, si sa il nome, per indirizzo basta Mola presso Taormina". (Zend mij een fransch boek, gij weet mijn naam, als adres is voldoende Mola bij Taormina). Aan zijn wensch hebben wij voldaan en hem later uit Holland een fransch-italiaansche grammatica toegezonden, maar of zij in zijn bezit is gekomen en of hij ijverig studeert, dat hebben wij tot onze spijt nooit gehoord.

Van Mola gaat de tocht opwaarts naar den top van de Monte Venere, waar alweder een veelomvattend, overschoon uitzicht onze moeite ruimschoots beloont. Daar ziet men niet alleen de blauwe zee, de bergen van Calabrië, de dorpen en stadjes langs de kust, het grootsche massief van de Etna, maar ook het golvend binnenland met zijn eindelooze bergreeksen in het blauwend verschiet. Langen tijd verdiepen wij ons in de aanschouwing van dit grootsche tooneel, tot onze steeds langer wordende schaduwen en het blijkbare ongeduld van onzen ezeldrijver ons waarschuwen dat het tijd wordt naar Taormina af te dalen.

Terug dus naar Hôtel Victoria en een plaatsje gezocht op een der vele terrassen om daar plannen te maken voor verdere tochten. Wij ondervinden hier in Taormina weer hoe moeilijk het is aan zijne oorspronkelijke plannen getrouw te blijven, en geen gehoor te geven aan verleidelijke voorstellingen van medereizigers die ons nieuwe heerlijkheden voorspiegelen van andere oorden doch die buiten ons bestek liggen, al worden die dan ook afgeschilderd als nog mooier en interessanter dan wij tot dusver zagen. Zoo staan wij nu voor de moeilijke keus of wij het binnenland zullen ingaan, de kust zullen volgen of om de Etna trekken.

Na rijp beraad kiezen wij dezen laatsten weg en besluiten met de Circum-Etneaspoor om en over de Etna een bezoek te brengen aan Catania en langs de kust terug te keeren naar Taormina.

Andermaal dalen wij langs den heerlijken zig-zag weg af naar Giardini en sporen van daar naar Giarre. Hier geen dorre omgeving zooals bij Mola, geen braakliggende landen; vruchtbare wijnvelden liggen aan beide zijden van de spoorbaan, het oog verlustigt zich in het warme donkergroen der uitgestrekte citroen-aanplantingen en in het diepe blauw van de zee.

Wij stappen te Giarre over in de Circum-Etneaspoor, het kleine armelijke rammelende treintje, dat in 5 1/2 tot 7 1/2 uur Catania bereikt. De wagens van dit spoortje hebben de bizondere eigenaardigheid dat een eens gesloten raampje niet meer geopend en een geopend niet gesloten kan worden; de deuren gaan aan hetzelfde euvel mank. De stations, veelal uit lava opgetrokken, verkeeren in den meest armoedigen en primitieven toestand en wij kunnen een gevoel van deernis niet onderdrukken met de ongelukkige aandeelhouders in deze onderneming. Eene aangename gewaarwording daarentegen maakt zich onwillekeurig meester van hem die zonder ongevallen ter bestemmingsplaats is uitgestegen, na over de slecht-liggende rails op de woeste lavavelden te zijn gehobbeld. Intusschen de weg dien men aflegt doet alle ongeriefelijkheden zoo niet vergeten, dan toch getroost dragen.

Reeds dadelijk na het verlaten van Giarre begint de baan aanmerkelijk te stijgen en al spoedig bevinden wij ons tusschen de lava. Een bruinzwarte dikke vloeistof in haar loop plotseling tot steen gestold, een donkere hardgeworden zee met hare golven en kolken, alom de meest phantastische krullen en vormen vertoonend, omringt ons aan alle zijden. Van afstand tot afstand is de steenharde lava geschikt gemaakt voor den wijnbouw en in vruchtbare velden herschapen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt komt bij deze bewerking een eereplaats toe aan den "toovenaar van de Etna", aan de Cactus die, hoe raadselachtig het moge schijnen, die harde massa weet te doorbreken en weder aarde weet te vormen in dezen, voor menschen onbewerkbaren grond. Als zij haar eerste werk verricht heeft, plant men de brem die de lava nog meer doorbreekt en scheurt, ten slotte de vijg die alles uit elkaar rukt en den grond weder geschikt maakt voor den wijnbouw. Een boeiend schouwspel vormen de plotselinge overgangen van de meest desolate wildernissen tot de groene en vruchtbare landouwen en omgekeerd weder van deze in een streek van verschrikking en verwoesting.

Voortdurend stijgt de spoor, links ziet men op tegen den berg, rechts wordt het uitzicht op het golvend binnenland al fraaier en fraaier. Wij gaan dwars door den inktzwarten lavastroom van 1879, gevloeid uit den meest noordelijken krater van de Etna, stijgen hooger en hooger en bereiken na 2 1/2 uur sporens op een hoogte van 750 M. het stadje Randazzo.

Al spoedig blijkt ons dat wij hier worden verwacht. Een station vroeger stijgt een jongmensch in den trein en vraagt ons of wij de Hollanders zijn die naar Randazzo reizen. Niet weinig verbaasd kijken wij elkander aan, doch al spoedig komen wij tot de ontdekking dat een Belg en zijne vrouw, met wie wij te Taormina kennis maakten, ons bezoek hebben aangekondigd in den Albergo Italia. De hôtelhouder, bevreesd dat de zeldzame gasten zijn eenigen concurrent zouden bevoordeelen, zond ons zijnen boodschapper tegemoet, om zeker te zijn dat wij hem niet zouden ontsnappen. De jonge man, waarschijnlijk bevreesd dat de jongen van het andere hôtel de lucht van zijn plan zou krijgen, had zich van twee petten voorzien, en eerst toen hij zich van ons bezit had verzekerd, werd zijn gewone pet voor zijn hôtel-pet verwisseld en trad hij als officieel persoon voor ons op.

De Belgen, die Sicilië reeds vroeger hadden bereisd en dus het klappen van de zweep kenden, hadden hunne komst te Randazzo vooraf aangekondigd en den hôtelhouder ook op ons bezoek voorbereid, daar wij dan allicht de kamers iets schooner zouden vinden dan dit gewoonlijk voor onverwachte gasten is weggelegd.

Onbevreesd dus wandelen wij met den jongen man naar den bewusten Albergo. Niettegenstaande de vreemde omgeving, hebben wij een oogenblik het gevoel of wij een hollandsch stadje binnentrekken, immers evenals daar te doen gebruikelijk is, stroomen ook hier de inwoners van alle zijden toe om onzen plechtigen intocht bij te wonen, er vormt zich achter ons een kleine optocht en begeleid door een flink escorte trekken wij voorbij het andere hôtel, welks eigenaar ons met donkere blikken nakijkt, en komen weldra aan voor een groot oud palazzo.--Breede marmeren trappen leiden naar een ruime vestibule op de eerste verdieping; het geheel getuigt alweer van vroegere weelde en grootheid, doch is thans overtogen door een waas van verarming en vervuiling. De waard heet ons welkom, laat ons in de groote eetzaal en vervolgens in onze daarop uitkomende slaapkamers. Het zijn alle groote en zeer hooge vertrekken met uitzicht op de Etna.

De hôtelier is blijkbaar niet zeker genoeg geweest van onze komst om daarvoor iets in huis te nemen of in gereedheid te brengen. Hij zit er erg mee in wat hij zoo op eens klaar moet maken, maar heeft gelukkig zooals een rechtgeaard Italiaan betaamt, macaroni in huis. Terwijl de jongen in ruwe aarden kannen water op onze kamers brengt, wordt met den heer waard overeengekomen dat hij ons gedurende vier en twintig uren zal herbergen en verzorgen en met den noodigen goeden wijn onze dorst zal lesschen voor de somma van zeven lire de persoon. Wij houden een nauwkeurige inspectie over slaapkamers en bedden, die na onzen eersten indruk van het hôtel gelukkig nog al meevallen, en wachten met belangstelling af welk maal men ons zal opdisschen.

Al spoedig worden wij aan tafel genoodigd en na een diep bord met macaroni en tomaten te hebben genuttigd, worden wij onthaald op kip. De waard blijft heen en weer loopen, vraagt telkens belangstellend of het smaakt en herinnert ons herhaaldelijk aan het feit dat wij op het land zijn, waar men geen hooge eischen kan stellen. Wij verklaren ons dan ook volkomen tevreden, doch van de oogenblikken dat de man zich omdraait maken wij behendig gebruik om eenige varkens, die onder de ramen loopen te knorren, mee te laten genieten van de ongare kip. 's Mans verbazing moet groot geweest zijn zelfs de beentjes niet op onze borden terug te hebben gevonden, doch of hij dit heeft toegeschreven aan hollandsche zeden, hij heeft met italiaansche wellevendheid over de zaak gezwegen. Intusschen laat u door dergelijke kleinigheden toch niet afschrikken een nacht in Randazzo te blijven, niet alleen dat het stadje zelf een bezoek overwaard is, maar tenzij gij vóór dag en vóór dauw op weg wilt gaan, moet gij er dit voor over hebben, indien gij de Circum-Etnea toer geheel bij daglicht maken wilt.

En nu de stad in. Randazzo is de plaats die het dichtst nabij den Etna-krater gelegen is. Het dateert uit de middeleeuwen, heeft een bevolking van ongeveer 12000 zielen, en is grootendeels uit lava gebouwd. Hoewel deze hier en daar is beschilderd hebben de gebouwen die hun oorspronkelijke kleur behielden een somber en droevig aanzien. Aan al die bruin-zwarte kerken, scholen en huizen, aan die vervallen gebouwen die nooit worden opgeruimd, maar overal als ruïnes blijven staan, kan zelfs de italiaansche zon geen vroolijk tintje geven. Wij bezoeken de hoofdkerk de Santa Maria, een gebouw uit de dertiende eeuw, met een negentiende eeuwsche toren in den stijl van de kerk opgetrokken. Oude paleizen als dat van Baron Fisauli, het palazzo Finochiaro, het stadhuis trekken onze aandacht en zijn nog een sieraad van de stad. Het vroegere hertogelijke paleis is in een gevangenis veranderd en de hôteljongen wijst ons de puntige ijzers die uit den gevel steken en waarop men vroeger de hoofden der onthalsden ten toon stelde.

De kerk San Nicolo is geheel van steen gebouwd met vroolijke afwisseling van witte en zwarte kleur en komt dus aangenaam uit tegen de sombere omgeving. Van de hoofdstraat bereikt men die kerk door een zeer fraaie overwelfde gang.

