't Bolleken

Part 9

Chapter 93,923 wordsPublic domain

"Mietje," zei hij, zoo kalm mogelijk, "dat 'n es gien reden om doarveuren te schriemen en 'k hope wel da ge bij mij zil willen blijven...."

Wanhopig en hartstochtelijk schudde zij het hoofd:

"O nie, menier, o, nie nie, bij azeu iene! Veur gien geld van de weireld!"

"Mietje, ge 'n kent ze niet!" riep hij bits; "en 'k verzoek ou in alle geval van d'r noch goed noch kwoad van te zeggen!"

Nog wanhopiger viel Mietje aan 't schreien. En voor het eerst in haar leven was ze tegenover haar meester ongehoorzaam. 't Was haar te machtig, zij kòn niet zwijgen.

"Doe lijk Nonkelken!" snikte zij; "stel ze kontent mee geld as er ne kleinen moe komen! Moar 'n treiwt er toch nie mee, 'n doet de noame van ou scheune famielde toch die oniere nie aan!"

"Zwijg, Mietje!" gebood hij ruw, boos. En hij keerde zich om, terwijl de oude meid, steeds snikkend, met het hoofd in haar schort naar de keuken terugstrompelde.

* * * * *

Eenige dagen verliepen. Een zware droefheid drukte op 't kasteelken. Ook Netje had stil haar dienst opgezeid; en zwijgend, met rood-geweende oogen en neerslachtige gezichten, bedienden beiden nu haar meester.

Meneer Vitàl was zenuwachtig opgewonden en gejaagd. Hij ging niet meer uit, behalve naar de _Groene Linde_, waar hij met koortsachtige haast de laatste toebereidselen bespoedigde. Zoo gauw als het kon moest het nu maar gebeuren; de geboden in de kerk en de huwelijksbelofte op 't gemeentehuis waren reeds afgekondigd; en Eleken werd haast geen tijd gegund om voor een behoorlijk uitzet te zorgen. Dat alles zou later wel komen: hoofdzaak was nu dat ze getrouwd waren, om uit den strijd en den twijfel te zijn, om voor 't onoverkomelijke van 't volbrachte feit te staan. Hij wilde niet langer folterend tobben en denken, niet langer aarzelen noch talmen. Hij sloot zijn oogen voor de werkelijkheid en schudde de kwellende gedachten uit zijn hoofd. Het moest er nu door, zoo spoedig mogelijk, om eindelijk rust en vrede te hebben.

De menschen in het dorp twijfelden nog tot het laatst, konden, wilden er niet aan gelooven. Allen dachten, evenals Mietje, dat meneer Vitàl zich te ver gewaagd had met Eleken en dat hij toch ten slotte, zooals Nonkelken herhaaldelijk gedaan had, met geld weer alles goed zou maken. Maar de tijd verliep, 't gezegeld papiertje der huwelijksaankondiging blééf hangen in 't gerasterd kastje. buiten aan 't gemeentehuis en de groote dag brak eindelijk aan.

Van in den vroegen, stillen, glanzenden September-ochtend bulderden al in de verte de kanonnen, Meneer Vitàl had alles zoo kalm mogelijk gewenscht en daarom zou de huwelijks-plechtigheid ook zoo vroeg mogelijk geschieden; maar hij kon toch niet beletten dat de buurt, ginds aan de _Groene Linde_, luidruchtig feestvierde. Vader Peutrus, althans, zou geducht moeten trakteeren.

Even vóór acht uur kwam vlug, een dicht rijtuig het erf van 't kasteelken opgereden. Daarin zaten vader Peutrus, moeder Lie en Eleken. 't Chauffeurtje liet hen binnen. Den vorigen avond waren Mietje en Netje schreiend met pak en zak vertrokken en een noodhulp was in huis. Stralend zag Eleken er uit, geheel in zwarte zij gekleed, met wit-en-zwarten hoed en witte leeren handschoenen. Het stond haar niet en zij hield zich te stijf. Zij zag er veel aardiger uit in haar dagelijksch japonnetje; maar mooi was ze ondanks de hinderende, stijve kleeren, stralend-mooi van blozende gezondheid, en meneer Vitàl zoende hartstochtelijk haar frisschen, rooden mond. Ook vader Peutrus en moeder Lie waren heel in 't zwart gekleed: vader Peutrus met dikronden rug in zijn spannende jas en met hangende armen; moeder Lie strak van verbauwereerdheid, met gapenden mond en donkere, bijna angstig om zich heen loerende oogen, als een beest dat in een vreemde kooi zit. Zij gebruikten een haastig ontbijt en stegen met meneer Vitàl in den landauwer, die hen tusschen een dubbele rij van gapende nieuwsgierigen naar het gemeentehuis bracht.

Meneer Vitàl was hoogst zenuwachtig en had maar één groote, obsedeerende vrees: dat het barontje, als burgemeester, de huwelijksplechtigheid zou voltrekken. Dat zou voor hem de ergste vernedering wezen. Hij zag al in verbeelding de fijn-sarkastische silhouet van 't oud nobiljontje** en hoorde hem minachtend, met bedekte spotternij, in zijn gebrekkig Vlaamsch de sacramenteele vraag stellen:

Meneer** Vitàl Dubois, verklaart kij voor wettig huisvrouw te neem, mademoiselle Elodie Peeters?" Doch neen; gelukkig was hij er niet. Toen meneer Vita] met Eleken en haar ouders in de secretarie, waar het huwelijk zou voltrokken worden, binnentrad, zag hij terstond, achter den grooten, zwarten lessenaar, meneer Waelckens, den eersten schepen, die als burgemeester zou fungeeren. Hij verademde. Zijn twee getuigen: de ontvanger De Reu en de jonge Taghon, stonden daar al te wachten; en uit de herbergkamer tegenover de deur der secretarie kwamen ook Elekens getuigen: twee aanzienlijke boeren uit haar gehucht, te voorschijn.

De secretaris begon de voorlezing der acte. Alles ging hoogst deftig en ernstig. Niemand glimlachte, niemand verroerde zich. Meneer Vitàl, zeer bleek, hield strak zijn wenkbrauwen gefronst, starend naar den grond kijkend, terwijl Eleken, naast hem, als een bloem zat te blozen. Buiten in de straat gonsde dof rumoer, met af en toe gestamp van paardenhoeven op de straatkeien. Twee jongenskoppen verschenen plotseling achter de vensterramen, waar zij tegen opgeklauterd waren, maar een dreigend gebaar van den veldwachter, die naast den secretaris stond, deed ze spoedig weer verdwijnen.

De secretaris onderbrak even zijn eentonige voorlezing, meneer Waelckens stelde de geijkte vragen, ouders en trouwers zeiden het verwachte "ja" en heel gewoon, als een alledaagsch gezegde, klonken de woorden die hen voor altijd aan elkaar verbonden:

"In name der Wet verklaar ik u door 't huwelijk vereenigd."

Ernstig, gewichtig, werden met stille, matte stemmen, bescheiden gelukwenschen geuit. Moeder Lie pinkte eventjes een traan weg; meneer Waelckens keek aarzelend naar meneer Vitàl en daar deze een beweging maakte stak hij hem feliciteerend de hand toe en drukte daarna ook de hand van Eleken en van haar ouders. Daarop kwamen ook de vier getuigen, de secretaris en de veldwachter, handendrukken. De secretaris las het einde van de acte voor en toen kwam uit de herbergkamer een dienstmeisje in een witte schort, met een presenteerblad waarop een ontkurkte portflesch stond, omringd van een aantal volgeschonken glazen. Allen bedienden zich, klonken in stilte aan, en dronken. Meneer Vitàl, Eleken, haar ouders en de getuigen namen om de beurt de pen en teekenden de acte, moeder Lie en vader Peutrus langzaam en met groote inspanning. Alles bleef hoogst ernstig en deftig. Geen lachje, geen enkel der gewone, schouwe grapjes werd gewaagd.

Toen zei meneer Vitàl eenige woorden van dank en met Eleken aan den arm verliet hij statig de secretarie en daalde de treden van de stoep af naar het rijtuig. Als in een bont-verwarde wemeling zag hij de ontelbare, nieuwsgierige gezichten van de op elkaar gedrongen menigte. De oogen glommen van onverholen verbazing en graagte, de monden hingen gapend open en de gestalten stonden roerloos-stijf gespannen, als versteend.

Haastig stapte hij met Eleken binnen, gevolgd door vader Peutrus en door moeder Lie. De koetsier zweepte zijn paarden, en door de volle straat, waar voor ieder deurgat weer diezelfde, als versteend gapende en starende nieuwsgierigen stonden, reden zij naar de kerk. Wild-gillend holde plotseling een heele bende jongens naast de wielen mee. Heel in de verte, op het gehucht der _Groene Linde_, bomden dof de feestkanonnen.

* * * * *

XV.

Zij maakten slechts een korte huwelijksreis. Eleken had het verlangen te kennen gegeven Brussel en Parijs (P'rijs, zooals ze 't noemde) te zien; en zij gingen eerst naar Brussel en van daar naar P'rijs.

Te Brussel voelde Eleken zich nog eenigszins thuis, maar te P'rijs was ze volkomen van streek.

"Ziet da ge mij hier nie allien 'n loat stoan! 'k En zoe noei mijne wig nie mier vinden!" riep ze telkens, in voortdurenden angst, op de hoeken der straten, als een klit aan zijn arm hangend. Al dat lawaai en gewoel overweldigde haar en gaf haar hoofdpijn. Het vermoeide haar buitenmate en zij klaagde ook over pijn aan haar voeten, die zwollen van steeds in die spannende schoenen over de harde steenen te loopen.

Hij trachtte haar een beetje op te voeden, haar eenig gemak van beweging en manieren te leeren.

"Houdt ou rechte!" zei hij elk oogenblik. "Ge leup weeromme gebogen. Woarom doe-je datte! Thuis hield g' ou altijd zeu goed."

"'t Es die corsé," klaagde zij; "'k en ben doar nie aan geweune."

"Kijk rond ou," zei hij. "Al die damen droagen toch corsets; en zie ne kier hoe rechte da z' ulder houên."

En zij keek om zich heen, maar met oogen van bijna angstige verbauwereerdheid. Zij zag die dames loopen, kaarsrecht, ruischend van zijde, met vlugge, flinke, klinkende passen over het effen asfalt. De oogen keken brutaal, de gezichten en de haren waren gepoeierd en geverfd; en enorme hoeden, met wapperende voiletten van de schelste kleuren, stonden als gek-overdreven tooisels op haar hoofd.

"Ge 'n zoedt toch zeker nie willen da 'k er azèù uitzie!" riep ze, verontwaardigd.

Neen; dat wou hij zeker niet. Maar toch: 't gemak van bewegen, dàt wou hij wèl. "Recht-houden, korte, vluggere passen, armen niet slap langs het lijf laten hangen," herhaalde hij telkens. En hij bracht haar in groote magazijnen, waar hij haar nieuwe kleeren, mantels, hoeden, handschoenen, laarzen liet koopen. Ook het ondergoed moest heelemaal vernieuwd. "Alles veel lichter, dunner, fijner," zei hij.

Aan table d'hôte durfde hij met haar nog niet komen. Zij gebruikten hun maaltijden aan aparte tafeltjes in restaurants of, half uitgekleed, in sensueel-verliefde intimiteit op hun kamer, waar hij haar léérde eten.

"Niet slurpen!" zei hij bij de soep. Bij 't vleesch moest ze mes en vork juist anders houden dan ze deed; en "nie smekken! en ou recht houên! ou recht houên!" herhaalde hij voortdurend weer.

Toch was hij niet ontevreden over haar vorderingen en ook zij voelde zich weldra, na de eerste, vervelende lessen, prettiger gestemd en gansch bereid haar verfijnings-opvoeding te voltooien. Zij kreeg, vooral toen zij haar nieuwe japon--een heel aardig en sober, donkergroenen-blauw geruit écossais van goed snit--en haar nieuwen hoed had, een zekere, oppervlakkige élégance, waarbij haar frisch-gezonde kleur en haar mooie oogen zeer voordeelig uitkwamen. Een paar keer werd zij, niet zonder eenige bewondering, door vreemden opgemerkt en daarbij voelde zich meneer Vitàl heel trotsch. Nog wat geduld maar. Met zulk een frisch-bekoorlijke schoonheid als de hare kon ze, door beschaving en verfijning, verre de meeste overtreffen. Een zoete wraak zou 't voor hem zijn, indien hij daarin slagen kon. Zij begon het verblijf in Parijs heerlijk te vinden en sprak niet meer, als in de eerste dagen, van maar zoo gauw mogelijk naar het dorp terug te keeren: wel integendeel.

"Zoe-je geleuven da 'k het al firm geweune ben in P'rijs!" zei ze hem eens.

"Párijs," verbeterde hij kalm.

"Párijs," herhaalde ze gedwee. Maar eensklaps ondeugend-glimlachend:

"Parìjs!" verbeterde zij hem op haar beurt en zei het ook in 't Fransch:

"Paris."

"A la bonne heure!" juichte hij.

"Wie wie, ze veu aussi de nouveau apprendre le francé!" lachte zij overmoedig.

Maar dàt hield hij vooreerst nog tegen. Later, eenmaal thuis, zou hij zich wel met haar bemoeien, haar fransche les geven. Nu was 't maar beter dat ze nog hun vlaamsch spraken. Een vreemde taal, dat stond ook wel goed in Parijs.

Om haar verder te ontwikkelen bracht hij haar in de musea. Zij bewonderde zeer de militaire portretten en tafereelen, maar voor de naakte beelden en vooral de naakte schilderijen ergerde zij zich schromelijk, werd boos bijna.

"'k En weet toch nie hoe da ze nie beschoamd 'n zijn!" wendde zij zich verontwaardigd, met hoog-kleurende wangen af.

Hij drong niet aan.--Later, later, dacht hij; en nam haar mede naar de schouwburgen.

De comedies verveelden haar. Zij begreep er ook haast niets van en zat star en stijf, terwijl de anderen lachten of schreiden. Maar in de opera, bij de indrukwekkende muziek en de prachtige décors was ze ontroerd, overweldigd. Doch dan schaamde zij zich ook weer voor de veel te kort gerokte danseuses met haar vleesch-kleurige tricots; en eens, in een café-concert, werd ze werkelijk boos voor het te laag decolleté van een paar zangeressen en wilde absoluut vóór 't einde weg.

"Later, later, glimlachte hij in zichzelf. En hartstochtelijker verliefd dan ooit keerde hij met haar terug naar het hôtel, waar hij wel wist dat alles goed en heerlijk wezen zou.

* * * * *

XVI.

Nu waren zij op het "Kasteelken" geïnstalleerd...

In alle stilte, zonder iemand anders dan Elekens ouders en hun bediening te waarschuwen, kwamen zij er op een avond laat aan.

Hij bracht haar in dat huis, waar zij nog maar eenmaal, 's ochtends van hun huwelijk, was geweest; hij wees haar aan 't souper de plaats die zij voortaan elken dag zou innemen, vlak tegenover hem, onder 't portret van Nonkelken; en voor 't naar bed gaan leidde hij haar even rond, in al de kamers.

"O, da es hier amoal greut en scheune!" riep ze verrukt. Maar haar grootste bewondering was voor de keuken, de prachtige, ruime keuken van het lekkerbekkerig Nolkelken, met al de glimmende tinnen en koperen vaten, waarin gedurende zoo menigvuldige jaren, door het bekwame Mietje, zooveel heerlijke schotels waren klaar-gemaakt. Nu waren daar nog alleen de noodhulp en 't chauffeurtje; maar de noodhulp moest nu ook weldra vertrekken en in haar plaats zou Eleken al spoedig een andere, vaste meid nemen--zij had er al een in 't zicht die zij sinds jaren kende met wie zij alles naar haar eigen zin zou schikken en beredderen.

Ook boven bleef zij in langdurige verrukking voor de mooie oude kasten, vol met het fijnste linnen- en tafelgoed. Wat zou ze dat alles ook keurig onderhouden en in orde brengen! Dagen, weken van gezellige, huishoudelijke bezigheid zag ze reeds in het verschiet; maar voor een klein vertrekje tusschen hun slaapkamer en een andere logeerkamer stond zij even in onthutste aarzeling, niet begrijpend:

"Wa es dàtte?" keek zij hem verwonderd aan.

"De badkoamer en 't vertrek, heul geriefelijk, vlak noast ònze koamer," glimlachte hij.--Hij trok een gordijn weg en liet haar het bad, en, in een hoekje, de verdere gelegenheid zien.

"Ha moar Hiere toch!" riep ze verbaasd. "En moe ne meinsch doarin?"

"Natuurlijk; ge wilt toch nou en dan 'n bad nemen."

"Noakt? Heul-de-gansch noakt?"

"Hoe anders? Toch niet mee ouën hoed en ou lizzen** aan!"

Om het idee van dien hoed en die laarzen moest ze wel lachen; moar ze vond de heele gelegenheid toch griezelig en dacht niet dat zij er ooit gebruik van zou maken.

Hij drong niet aan. "Later, later," glimlachte hij in zichzelf.

Vroeg in den volgenden ochtend ging hij met haar rond den tuin. De door den herfst reeds uitgedunde loovers waren geel en rood en bruin geworden gedurende zijn afwezigheid, het beekje stroomde snel en bruisend, de bloemperken waren aan 't sterven en de grasvelden lagen dicht bezaaid met dorre bladeren.

"Ne scheune, greuten hof," zei ze. "Moar woar es de groenselhof?"

Hij duwde een hekje open in een heg en zij traden in den moestuin.

"O!" riep ze verrukt. "Al da scheun groensel! Wat doe-je gij mee al da groensel?"

"Opeten," lachte hij. "Opeten! Ge 'n keun gij da nie amoal opeten! Nog 't tienste poart zelfs niet. Wat doe-je mee den overschot?"

"'K 'n weet ik niet; 'k 'n ken ik da niet. Isedoor, den hovenier, neemt da zeker mee noar huis, veur zijn giet en zijn konijnen," veronderstelde hij.

"Woarom 'n houdt-e zelf gien giet en gien k'nijnen?" zei ze, haast verwijtend.

"Kónijnen," verbeterde hij haar; want ze kreeg alweer neiging om plat-boersch te spreken.

"Konìjnen," verbeterde zij hem op haar beurt, lachend, zooals ze met "Parìjs" gedaan had.

Hij lachte ook, trok haar tegen zich aan, gaf haar een zoen.

"Hawèl, woarom 'n hóúdt-e gien giet en gien konijnen?" drong zij aan.

Dat wist hij waarachtig niet, hij haalde zijn schouders op.

"Wacht moar; 'k zal ik hier wel biesten houen," voorspelde zij. "Loat mij ne kier ou kotterijen zien."

Hij leidde haar, achter het huis om, naar de bijgebouwen: de remise, de stal, het waschhuis.

"O!" riep ze, "g'hèt ploatse genoeg om virkens en koeien t' houen!"

"Zij-je meschien van plan om hier te beginnen boeren?" schertste hij.

"Nien ik, moar 'k zoe toch gieren ienige biesten houen. Kijk ne kier, al die scheune plaats en niets doarin, zelfs geen kiekens. Mag ik aan voader vroagen dat hij mij wa kiekens en k'nij.... en konijnen keupt?" glimlachte ze, zoet fleemend.

"Joa g'," beloofde hij, ,joa g', joa g'." En in 't halfduister der remise nam hij haar weer in zijn armen en drukte haar, hartstochtelijk-zoenend, tegen zich aan.

"En morgen," zei hij, "morgen, of te langsten overmorgen, beginnen we Fransch te leeren...."

* * * * *

XVII.

Hij was met zijn auto naar stad gereden en had de noodige leerboekjes meegebracht.--Zij zaten in zijn werkkamer en hij leerde haar Fransch. Maar 't ging nog al verward, niet makkelijk, eigenlijk veel véél moeielijker dan hij wel gedacht had. Hij kende de methode niet en voelde, instinctmatig, dat hij nutteloos expliceerde, dat het anders en eenvoudiger kon. Het vermoeide haar, en ook hem, en zij schoten niet op. Voortdurend werd zij trouwens afgeleid, nu eens met gespannen aandacht luisterend naar gerinkel van kastrollen** in de keuken; dan weer tersluiks door 't venster kijkend, naar de kippen en konijnen, die, 's ochtends door vader gebracht, in een met rasterwerk afgesloten ruimte op het grasveld liepen. Het was daar een rumoerig heen en weer gehuppel; de beesten waren vreemd en gejaagd; af en toe ging er onder schril gekakel een klapwiekend gefladder op en men zag de grijze ruggen der konijnen in bliksemsnellen drom over het gras scheren; en onuitstaanbaar-schetterend kraaide elk oogenblik de haan, als om opzettelijk nog meer de boel in de war te brengen.

Meneer Vitàl lei er eindelijk den moed bij neer.

"Weet-e watte," zei hij; "we zillen 't anders doen. 'k Zal ou drei doagen in de weeke fransche lesse loate geven van d' ouë schoolmeestesse."

"C'est ça, dà zal beter zijn, die es da mier geweune!" riep Eleken, met een zucht van verlichting opstaande. Zij sloeg haar armen om zijn hals, gaf hem een vluggen zoen, liep naar de keuken en van daar naar buiten, op 't grasveld, bij haar woelbende van kippen en konijnen.

"C'est une enfant," glimlachte meneer Vitàl, in zichzelf verteederd haar door 't venster nastarend.

Hij keek op zijn horloge. Elf uur. Nu hij toch niets meer te doen had, zou hij wel eens tot aan _d'Ope van Vrede_ of het _Huis van Commercie_ gaan. Hij was reeds vijf dagen van de reis terug en had nog niemand van zijn vroegere kameraden gezien. Ze zouden 't hem wel kwalijk kunnen nemen. Trouwens, 't was volop in den jachttijd; zij hadden weer hun gezamentlijke tochten te regelen.

Hij klopte aan het venster. Eleken, reeds in druk gedoe bij 't rasterwerk met de noodhulp en 't chauffeurtje, keek haastig om.

"'k Goa ne kier uit!" riep hij. "'k Zal tegen ten halver ien weere thuis zijn om te dineeren!"

"Goed, goed!" knikte zij, alweer volop in haar bedrijvigheid met de kippen en konijnen.

Hij glimlachte, begrijpend dat zij hem nu ook liever kwijt was, zette zijn hoed op en ging.

* * * * *

Het deed hem niets vreemd aan weer in zijn dorp en op de straat te zijn. Alles was net eender gebleven zooals hij 't kende; het leek hem wel of hij er nog geen dag was uit geweest. De menschen, die hij ontmoette, groetten heel beleefd en vriendelijk; en alleen hier en daar een gezicht achter half-weg-geschoven gordijntjes keek hem even met gretige nieuwsgierigheid na. De opschudding, door zijn huwelijk te weeg gebracht, was nu geluwd, het was een eenmaal aangenomen toestand, de menschen waren er al aan gewend, zooals hij zelf reeds gansch gewend en heel tevreden en gelukkig was in 't huwelijk met Eleken.--Ook in het _Huis van Commercie_ en daarna in _'t Klein Congres_, in den _Dubbelen Arend_ en in _d'Ope van Vrede_, die hij om de beurt bezocht, trof hem het gewoon, natuurlijk en blij-vriendelijk onthaal van al die heeren. Allen waren blijkbaar tevreden hem terug te zien, zij vroegen hem ernstig, zonder een zweem van schimp, of het goed ging met "medàm" en of hij een aangename "speelreis**" gemaakt had. En dadelijk daarop praatten zij over de jacht en begonnen al vast de vele, gezamentlijke tochten te bespreken, waarvoor zij op zijn terugkomst gewacht hadden.

Hun ongedwongen, ernstig-vriendelijk onthaal deed meneer Vitàl echt-aangenaam aan. Want hij was wel even bang geweest voor een of andere bedekte toespeling of schimpscheut, voor een of ander blijk van geringschatting of minachten. Dat ze daar niet aan dachten en nog steeds met hem omgingen als vroeger stemde hem dubbel vriendelijk en dankbaar, terwijl het hem in eigen-achting ophield, en hij besloot hen voortaan niet meer links te laten liggen maar integendeel trouwer dan vroeger hun gezelschap te zoeken.

Vroolijk-gestemd en zelfs een ietsje warm van de borreltjes, kwam hij tegen etenstijd thuis. Maar groot was zijn verbazing nog niet eens de tafel in de eetkamer gedekt te vinden. Wat beteekende dàt nu! En 't heele huis was zoo stil en leeg alsof er geen mensch in leefde. Maar langs achter daarentegen klonk verward rumoer; en toen hij door de gangdeur in den tuin kwam, stond hij niet weinig onthutst hen daar nog steeds met hun drieën: Eleken, de noodhulp en Louitje, midden in de heen en weer hollende en vliegende kippen en konijnen te vinden. Eleken had andere kleeren aangetrokken; zij liep nu in een slonsig werkpak, als een meid, en haar gezicht was vuurrood van de inspanning, terwijl haar half-losgevlogen haren in klamme, verwarde klissen en krullen op haar zweet-bepareld voorhoofd plakten. Zij rende met de dikke meid midden in 't omrasterd veldje, telkens struikelend over de wild onder haar voeten opstuivende konijnen; en één voor één, met groote moeite, pikten zij de kippen op, die schril kakelend en schreeuwend door 't chauffeurtje weggedragen werden.

"'t En goa niet!" hijgde zij, toen ze meneer Vitàl zag; "ze vechten; we moên ze weere schiën en we 'n keunen die sloeber van dien hoane nie krijgen!"

"Moar, Eleken, hoe es 't toch meugelijk," riep hij misnoegd. "'t Es koart veur den ien en de toafel 'n es nog nie gedekt!"

"Och Hier, es 't al zèù loate!" schrikte zij. "Toe, Nathalie, leupt al gauwe noar ou keuken en schept de soep uit; 'k zal ik te binst de toafel dekken!"

"Wacht, medàm, 'k hè hem!" gilde de meid.

De haan was plotseling, meer dan manshoogte opgevlogen en zoo greep de meid hem in de lucht bij een van zijn vleugels, terwijl het beest, als dol, onder uitzinnig alarm-gekrijsch, met den anderen, vrij-gebleven vleugel sloeg en klapperde.

"Kiiii! Kiiii! Kiiii! Kiiii!" ging het aanhoudend. Maar de meid liet niet meer los; ze sloeg haar dikke, rooie handen om de beide vleugels, sprong over 't rasterwerk en gooide den haan in de remise, bij de andere, gevangen kippen. De konijnen zwierden nog eens in een laatste wilde ronde om het nu schoongeveegde veldje; en zoodra hij bij zijn kippen was staakte de haan het schreeuwen, maar klapwiekte hartstochtelijk en kraaide oorverscheurend, twee, drie maal na elkaar, als in woeste uitdaging.

"Toe nou, toe nou, toe nou," pruttelde meneer Vitàl ongeduldig en geprikkeld.

Eleken holde naar binnen; en zonder den tijd te nemen zich te wasschen of te kammen, begon zij hijgend de tafel te dekken. Borden, messen, vorken, lepels, glazen, 't werd alles overhaastig en op goed geluk af neergegooid; en met zweetstralend, opgeblazen, rood gezicht, bracht de meid de dampende soepkom binnen.

"Gien servietten," bromde meneer Vitàl.