't Bolleken

Part 10

Chapter 103,960 wordsPublic domain

Eleken vloog op, haalde de servietten uit een la, nam plaats aan tafel.

"Goa wasch toch te minsten ou handen!" zei hij wanhopig.

Zij sprong weer op, naar de keuken toe, terwijl hij de soepborden vulde.

"Ge 'n meug nie kwaad zijn, 't zal nie mier gebeuren," fleemde zij, na een oogenblik terugkomend. Zij had haar haren wat opgestreken, haar handen frisch gewasschen, haar japon wat op orde gebracht en zij kwam hem een zoen geven.

Daar was zijn kwaad humeur niet tegen bestand. Hij glimlachte, trok haar op zijn knie en zoende haar terug.

"Nie mier doen, zille," knorde hij nog even. "Altijd alles op zijnen tijd en surtout proper blijven."

Zij beloofde 't hem nog eens: 't zou niet meer gebeuren. 't Was de schuld van dien haan, dat onhandelbaar beest. Die had alles in de war gebracht, de konijnen in hun rug gepikt en zijn kippen dol gemaakt.

"Dien hoan es zot!" glimlachte hij. "Heurt hem weere kroaien, die laweidmoaker!"

"Al d' hoans zijn zot; en tòch zien d' hinnen ulder geiren!" schaterde zij. En zij kwam hem weer een zoen geven...

* * * * *

XVIII.

Langzaam aan, dag aan dag, voelde meneer Vitàl in zijn leven iets veranderen. 't Was als een stille kracht die ongemerkt maar gestadig op hem inwerkte, eene geleidelijke vervorming, waarvan hij de verschijnselen eerst bespeurde nadat ze zich in vastheid van feiten en gewoonten hadden omgezet. Het was nooit iets geweldigs, dat plotseling als een op zichzelf staande daad of als een bruuske hinderpaal vóór hem oprees; het was iets sluipends, iets stil-indringerigs en geniepigs, dat zijn ontbindende macht bijna onvoelbaar om zich heen verspreidde; iets dat alle wils-en-weerstandskracht in hem verdoofde en hem traag meesleepte in een sleur waarvan de onaangename werkelijkheid als 't ware met verloomende nevelen werd omsluierd.

Zoo zag en voelde hij zijn leven heel anders worden dan hij 't zich voorgesteld en gewenscht had; en als hij er soms tegen in wou gaan, bemerkte hij, met kwellende geprikkeldheid, dat het haast niet meer kon, dat alles reeds te ver gekomen was, dat hem de noodige, flinke kracht ontbrak om het ineens weer te veranderen.

Het zat hem voornamelijk in zijn voorgenomen plannen van verfijning en beschaving. Hij wilde Eleken zijns gelijke maken door haar tot zich op te heffen; en hij bemerkte met ongeduldige machteloosheid dat hij langzamerhand haar gelijke werd, door tot haar af te dalen. Hij kon haar niet in de hoogte tillen; zij trok hem naar de laagte. Dat was de vreemd-onoverkomelijke ontbindingskracht die van haar uitging.

Hij had de oude schoolmeesteres laten komen en die gaf Eleken nu drie maal in de week fransche les. Doch van vooruitgang was zoo goed als niets te merken. Hij ondervraagde haar dan 's avonds, na de les, en probeerde Fransch met haar te spreken. Maar het vlotte niet, het wilde niet, het kòn niet. Zij zei twee of drie korte zinnetjes en onmiddellijk flapte zij haar vlaamsch patois** er weer tusschendoor en 't Fransch was er verder niet meer boven op te krijgen.

Het zelfde wat haar kleeding en manieren betrof. "Droagt toch de klieren die 'k ou in Parijs gekocht hè!' zei hij telkens weer. Maar zij kon er niet toe besluiten die dagelijks in huis of in den tuin te dragen; ze waren te mooi, meende zij, en uitgaan deed ze haast nooit. Waar zou ze ook gaan? Voor vader en moeder, die ze nu en dan ging bezoeken, hoefde ze waarlijk geen toilet te maken. Dat zou ook niet staan, ginds in dien achterhoek der _Groene Linde_. Zij zou niet eens durven, uit vrees voor spot vanwege haar vroegere kennissen. En verder ging zij enkel naar de kerk, steeds naar de vroegmis, waar het alweer niet paste groot toilet te maken.--'k Zal** mijn beste klieren aan doen as ik mee ou uitgoa," zei ze eindelijk, om er van af te zijn. Maar zij vroeg niet eens om met hem uit te gaan; en hij, van zijn kant, had nu ook een vreemden, haast onoverkomelijken tegenzin om zich gelijk met haar op straat te vertoonen. Hij was niet meer zoo trotsch op haar knap uiterlijk als te Parijs; hij voelde nu duidelijker dat er nog te veel aan ontbrak van beschaving en verfijning; en zonder het haast aan zich zelven te durven bekennen, was hij bang voor spot vanwege de menschen die hem kenden. Eén idee vooral was voor hem onuitstaanbaar van vlijmende vernedering: dat hij met haar, op straat, als halfdame nog maar, 't barontje, of, erger nog, mademoiselle de Saint-Valéry zou kunnen ontmoeten. Hij had haar, tot nog toe, slechts een paar keer meegenomen in zijn automobiel, waar hij haar, zoo goed als onkenbaar-vermomd, onder mantels en voiletten** in kon pakken, een pretje dat haar trouwens heel erg tegenviel omdat ze 't toch nog veel te koud vond en ook bang was.

Aan tafel ging het ook weer mis. Hetzelfde kleed bleef te lang dienen, verfomfaaid en bezoedeld, uit de randen der borden waren scherven gebroken en de lepels en vorken glommen niet meer.

Als hij daarover klaagde werd het dan voor een dag of wat wel beter, maar nooit voor lang: de stil-ontbindende, onoverkomelijke kracht, bracht er langzaam aan weer de slordigheid en nalatigheid in. Zij zelve, trouwens, kon maar niet behoorlijk leeren eten: het slurpen en smekken, het verkeerd houden van vork en mes, 't scheef of gebogen zitten bleek onuitroeibaar. En tot de badkamer moest hij haar telkens bijna dwingen; daar had ze een onoverwinnelijken afkeer van; en hij twijfelde steeds of zij in werkelijkheid wel baadde, zòò kort bleef zij er altijd in.

In heldere oogenblikken zag en voelde hij die geheele disharmonie scherp en duidelijk en begreep hij wel hoe onoverkomelijk hij zich mis-huwelijkt had. Maar die momenten werden al zeldzamer en korter van duur en van lieverlede werd het in hem een toegevende berusting, terwijl hij daarentegen het-goed-en-sensueel-materieële meer en meer in haar waardeerde. Zij was toch steeds zijn frisch natuurkind nog, zijn mooie vrouw van gezond vleesch en bloed. Dàt was verrukkelijk en echt, dàt kon niet overtroffen worden, dàt was een steeds hernieuwd en onverzadigbaar genot. En meer en meer vond hij zijn troost en hechtte zich diep vast in algemeen materialistisch welgenoegen. Hij voelde, zonder er 't gevaar van te beseffen, dat zij zijn lichamelijke rust en zijn gezondheid was. In zijn hersens doofde elke intellectueele inspanning uit, de scherpte van zijn waarnemings-vermogen verslapte en de verfijning van den geest verstompte, maar zijn fyziek wezen werd krachtiger, meer en meer tegen dagelijkschen overdaad bestand. Hij werd een sensueele lekkerbek, een eter en drinker. De nieuwe keukenmeid was gekomen, een flinke, vaardige deerne; en, samen met Eleken, leerde zij, uit Nonkelkens oud keukenboek, de fijnste schotels toebereiden. De jacht, vroeger voor meneer Vitàl louter sportlief hebberij, werd nu langzamerhand een approviandeeringsbron voor lekkere gerechten. Het beekje, dat hij eertijds zoo liefhad om zijn zachtruischend gekabbel in de stille, heldere lentenachten, of om 't zwaar-bruisend rollen van zijn dikke, blonde kolken onder storm- en windvlagen, beschouwde hij thans als de rijke vischmijn, waaruit zooveel heerlijke snoeken en palingen kwamen. Hij werd als een tweede vriend Fritz**; en zij, zijn Suze**, liet zich naast hem niet onbetuigd; zij at en dronk en genoot van alles flink mee en waardeerde en voelde, evenals hij, 't geluk en 't welzijn van het louter materieel goed leven.

Hij kreeg weldra een hekel aan beweging, werd vadsig en lui. Zelfs zijn automobiel interesseerde hem niet meer; hij reed er bijna nooit meer mee uit en Louitje werd nu nagenoeg uitsluitend voor huiswerk gebruikt. Na den eten bekroop hem telkens een onweerstaanbare behoefte tot uitgestrekt liggen en 't duurde niet lang of hij ging dagelijks een paar uur slapen op zijn bed. Zij deed het ook: zij volgde hem op de kamer en kwam naast hem liggen. En toen het weer koud werd, mistig en vriezend, met nauwelijks nog enkele uren grijs en grauw daglicht, lieten zij vuur op hun kamer aanmaken en bleven er liggen, wellustig-gezellig, zonder eenige neiging tot opstaan of tot uitgaan kijkend door de hooge ramen naar de nevelig-grauw omhulde boomen, in welks koude geraamten de bloedrood-ondergaande zon soms als een vuurbol scheen te gloeien. Met invallende duisternis stond hij eindelijk op, kleedde zich aan en trok langzaam-slenterend naar de herbergen waar hij zijn vrienden vond, terwijl zij weer naar de keuken ging om met de meid over het avondmaal te spreken.

's Avonds, na 't souper, bleef hij wel graag bij haar thuis. Dan lagen zij, rechts en links van het gezellig-knappend houtvuur, in gemakkelijke stoelen uitgestrekt en rookend las hij de courant, terwijl zij naaide of breide.

Die lezing van het dagblad interesseerde hem steeds meer en meer en was ook van lieverlede zijn eenige lectuur geworden. Hij leefde daarin mede, veilig en gelukkig naast zijn vuurtje, al de ontroerende gebeurtenissen van het groote leven. Hij las van veldslagen, waar duizenden en duizenden menschen werden vernietigd; van beschavingstochten in verre koloniën, waar wilde stammen werden uitgeroeid en dorpen platgebrand; van reusachtige werkstakingen, die in plunderingen en in oproer ontaardden; van aanslagen en ongelukken, van zeerampen, van trein-botsingen en van aardbevingen; en in de veilige zekerheid dat hij en zijn vrouw en zijn "Kasteelken" buiten het gedrang en het gevaar stonden, kon hij alles helder-objectief ontleden en haar zijn indrukken en emoties mededeelen. Ja, ja, wanneer je daar zoo kalmpjes en veilig over nadacht, dan begreep je ook alles zooveel beter en dan ook leerde je 't geluk waarderen van niet arm en niet zwak te zijn. Zoo'n arm matroosje of soldaatje, die mòèst toch maar gaan vechten, duizenden uren verre, altijd, altijd tegen zijn zin en tegen vijanden die hij niet eens kende, die hem persoonlijk niets misdaan hadden en daarom ook geen vijanden waren. Maar 't was voor 't vaderland; het vaderland eischte dat offer van hem; anders zou het vaderland zijn prestige verliezen en misschien in groot gevaar gaan verkeeren.--Zoo'n arme werkman, die niets geen zin in staken had, omdat hij wel heel goed wist dat staken van werken ook staken van eten was, en dat het toch nog beter is met vrouw en kinderen droog brood te eten dan in 't geheel niets: zoo'n arme drommel móést toch ook maar staken met de anderen of zij maakten hem 't leven onmogelijk. En dééd hij meê en ontaardde de staking in een oproer, zoodat politie en gendarmen er op los hakten en schoten, dan had hij ook alweer groote kans om in het hospitaal of in de gevangenis te eindigen.--En dan die negertjes, of andere "wilde" volken, die aardige bruintjes, geeltjes of zwartjes, die in plaats van een abstracte Godheid welke zij niet begrijpen konden, de krachtige heerlijkheid van zon of vuur, of de poëtische verschijning van de maan aanbaden, en gelukkig en tevreden waren met hun akkertje, waarop zij niet veel hoefden te werken om in hun niet veeleischend onderhoud te voorzien; tevreden met hun hutje waarin geen nuttelooze luxe was ten toon gespreid en met hun twee, drie, vier of ook nog meer vrouwtjes, die zij er, ondanks hun nederig vermogen, toch op na konden houden; men kwam ze bekeeren en hun de weldaden van de beschaving brengen; en bij die bekeering en die weldaden verloren zij geregeld hun akkertje, hun hutje en hun vrouwtjes, en ook soms nog als straf het een of ander lidmaat: de hand die niet vlijtig genoeg voor de beschaving had gewerkt; de voet die, met iets van de opbrengst der beschaving op hun akkertje, was weggevlucht!

Daarover en over meer andere dingen las en sprak hij avond aan avond in gelukkig welbehagen van hun eigen veiligheid; en om tien uur waren zij al weer te bed en sliepen heerlijk in elkanders armen in, zacht in hun slaap gewiegd door het gezang van 't beekje waar nu iederen nacht een vischnet stond gespannen: het liefelijk beekje, dat nu eens stil en droomerig en dan weer wilder en onstuimiger, al naar gelang van 't waterpeil, in de diepte van den donkeren nachttuin stroomde en ruischte.

* * * * *

XIX.

Zij werden dik, alle twee, en hun gezicht kreeg een roode, soms vurige kleur. Zijn kleeren begonnen hem om 't lijf te spannen, en toen zij, met haar voorjaars-uitzet bezig, de japonnen die ze te Parijs gekocht had, nog eens wilde aantrekken om te zien wat er nog van gebruikt of aan vermaakt kon worden, stelde ze met verbazing vast dat zij er niet meer in geraakte. De corsages stonden een hand-breed open voor de zwaargeworden borst, de japonnen trokken spannend om de ronde heupen, de mouwen van de mantels sloten als pijpen om de wijd-van-'t lijf-staande armen, Vroeger zou meneer Vitàl om die boersche lompheid getreurd hebben; nu zag hij er alleen het bloeiend-malsche van haar weelderige gezondheid in. En zij stonden om elkaar te lachen: hij in zijn trekkende broekspijpen, met open ceintuurband en losgeknoopt vest; zij met haar door 't spannend goed als 't ware omgoten bochel-heupen en haar tusschen de corsage uitpuilende borst. Hij kittelde haar op het plekje waar hij iets van 't malsche roze vleesch onder het hemd zag en 't eindigde met wild gezoen en hartstochtelijk genieten van hun fyziek-overtollige gezondheid.

"Doar 'n es niets aan te doen," lachte zij. "'k Zal Emelie, de noaisterigge**, doen komen en heur de moate loate nemen veur 'n nieuw klied en da 'k lijk gij woare 'k zoe noar Arjoans goan en mij euk ne nieuwen tenue bestellen."

Emilie en Arjaan! De boerinne-modiste en de boeren-kleermaker! Wat zou hij verontwaardigd zijn geweest had ze daar vroeger ook maar even van gewaagd! Nu vond hij de idee zoo kwaad niet. Het was wel gemakkelijk je kleermaker zoo bij de hand te hebben en niet telkens naar stad te moeten loopen. En zij liet Emilie komen en hij ging eens kijken bij Arjaan wat hij wel had van stoffen en naar welk model hij werken kon.

* * * * *

Tegen het einde van den volgenden zomer werd zij zwanger. Dat was een blijde tijding, maar toch eene die hun egoïstisch geluk wel spoedig zou storen. Het prikkelde en verveelde hem gedurende een paar weken, maar dan ging hij erover redeneeren en voelde zich eindelijk heel trotsch dat hij zou vader worden.

Dokter Van der Muijt werd tijdig op de hoogte van den toestand gebracht en verzocht de bevalling te willen waarnemen. 't Liep als op rolletjes af. 's Avonds vóór de gebeurtenis voelde zij nog al scherpe weeën, maar vóor den ochtend was 't er al: een mollig, flink meisje. Meneer Vitàl woonde de bevalling niet bij. Hij kon er toch niets nuttigs bij verrichten en vond die dingen afschuwelijk. Den heelen nacht hield hij dokter Van der Muijt beneden gezelschap, onder het drinken van bourgogne en 't rooken van sigaren, terwijl moeder Lie en de baker bij Eleken de wacht hielden. Maar tegen half drie kwam de baker met ernstig gezicht den dokter naar boven wenken; en kort daarop hoorde meneer Vitàl een rauw gebrul, dat hem met een angstkreet op deed springen, door het huis weergalmen; en 't oogenblik daarna stond hij ook boven in de kamer, zonder dat hij 't zich bewust was, overvloedig schreiend, en keek hij, om de beurt, als een verbauwereerde, naar zijn bleeke vrouw in 't bed en naar het prachtkind, dat de baker hem, gelukwenschend, op haar armen voorhield. De dokter lachte hem vierkant uit om zijn snikken en zijn huilen en verzocht hem maar liever weer weg te gaan, terwijl hij verder zijn vrouw zou behandelen. Moeder Lie liep zwijgend en beteuterd heen en weer, dingen zoekend die zij niet scheen te kunnen vinden, de keukenmeid was opgestaan en kwam ook even, te nauwernood half aangekleed, kijken; en beneden in de gang stond Louitje roerloos-luisterend te wachten, of men hem soms voor 't een of 't ander noodig had.

Meneer Vitàl, óvertrotsch van geluk, hield op met schreien, verliet de kamer en ging weer beneden. Maar plotseling, toen hij bijna in de gang was, keerde hij zich om en stoof onstuimig weer de trappen op. In al zijn ontzetting had hij nu vergeten wat het eigenlijk was: 'n jongen of 'n meisje; en verwilderd stak hij 't hoofd naar binnen, stotterend:

"Docteur,.... wa.... wa es 't nou eigenlijk: ne jongen of 'n meisken?"

"Hein?" riep de dokter, zich met verbaasd gezicht omkeerend bij het bed, waar hij over Eleken gebogen was. En eensklaps barstte hij in een onbedaarlijken schaterlach uit.

"'t Es 'n dochter, 'n firme dochter, meniere," zei de baker, insgelijks schokkend van het lachen. Ook de keukenmeid kon zich niet inhouden en zelfs Eleken begon even te giegelen, zoodat de dokter haar dringend stil deed houden. Moeder Lie, plotseling roerloos midden haar beteuterd zoeken, keek meneer Vitàl stom en strak-starend aan en haar gezicht vertrok in vreemde plooien, onder een stil-argeloozen, langzaam ontluikenden glimlach van verbluftheid, die haar tandeloozen mond scheef openrekte en haar zwarte oogen even leuk deed glinsteren.

Meneer Vitàl was al weer weg.--'n Jongen of 'n meisje, 't kwam er niet op aan, 't was alles goed; maar op zoo'n gelukkige gebeurtenis moest nog eens lekker gedronken warden en hij ging met Louitje naar den kelder en haalde twee flesschen van zijn fijnste champagne boven. De dokter, moeder Lie, de baker, de meid, 't chauffeurtje, allen werden getrakteerd. Meneer Vitàl kwam zelf met het volgeladen presenteerblad in de kamer en bood de glazen aan. Zij dronken op de gezondheid van het kind en wenschten nog eens allen meneer Vitàl en Eleken proficiat.

"Mag ik euk nie 'n zeupken hén, docteur; 'k hè toch zuk nen dust?" vroeg Eleken met weeke stem.

"O, nie g' zulle, nie g' zulle!' zei de dokter ernstig, op vastberaden toon.

"O, en ik die toch zeu geirne sampoande** drijnke!" klaagde zij.

De baker begon te vertellen van een vrouw waar zij herhaaldelijk gebakerd had, en die telkens, onmiddellijk na iedere bevalling, twee glazen "sampoande" dronk en er zich uitstekend bij bevond. Ook moeder Lie ging onduidelijk aan 't verhalen van een vrouw die telkens brandewijn wilde, maar de dokter deed beide zwijgen en stuurde hen met een wrevelig gebaar naar het kind, dat zwak begon te kreunen.

Heel zacht, als met een soort van vrees of tegenzin, ging meneer Vitàl er nu eindelijk ook naar kijken. Hij zag de kleine, krieuwelende handjes, de dichte oogjes, de rusteloos heen en weer bewegende lipjes van 't gesloten mondje. Heel het klein gezichtje zag eenkleurig rood, als 't ware gekookt, en 't leek hem iets akeligs, bijna gedrochtelijke, hij begreep niet hoe daar ooit een mensch uit moest groeien.

"'t Dijnke mij** da meniere schouw of vies es van zijn dochter, e-woar?" grinnikte de baker, met een spotblik naar meneer Vitàls verbauwereerd gezicht opkijkend. En lichtjes door de champagne opgewonden begon ze schril te lachen.

De dokter was met Eleken klaar.

"Et maintenant du repos, du sommeil," zei hij, zich tot meneer Vitàl omkeerend. "Houdt ou nou scheune stille, mamaatje," glimlachte hij Eleken toe, "en sloap wel. 'k Zal al vroeg in den uchtijnk** nog ne kier kome kijken."

Eleken, met gesloten oogen, was al haast in slaap. De lamp werd laaggedraaid, moeder Lie ging op een veldbed liggen en de baker kwam stil-sussend in de schemering, naast de wieg zitten. De stemmen werden fluisterend.

"Kan ik niets veur ou doen, meniere?" Wil** ik kàffee moaken?" vroeg de meid stil aan meneer Vitàl.

Meneer Vitàl keek ondervragend naar den dokter.

"Voyons un peu quelle heure," mompelde deze zijn horloge uithalend.--"Trois heures et demie, non, c'est trop tôt. Es er messchien nog 'n glas van die champagne?"

"Natuurlijk, natuurlijk, zeu veel of da ge wilt," fluisterde meneer Vitàl. "Venez en bas dans mon bureau, nous pendrons** encore une bouteille en fumant un cigare."

Schoorvoetend verlieten zij de kamer en gingen naar beneden.

* * * * *

XX.

Al spoedig ondervond meneer Vitàl welk een groote verandering de komst van het kind in zijn huiselijk bestaan had gebracht. Gedaan was 't met het wederzijds, uitsluitend-egoïstisch materiëel genotsleven! Eleken voedde en verzorgde ook grootendeels zelve haar kind, en dat nam veel van haar tijd voor teederheids-ontboezemingen in beslag. Hij klaagde niet, hij vond het mooi in haar, die toewijdende moederliefde, maar hij voelde zich wel eenzaam en verwaarloosd soms; en, meer dan in de eerste maanden van zijn huwelijk, dreven eenzaamheid en verveling hem nu naar zijn vrienden in de dorpsherbergen.

't Was winter weer, met korte, triestige, vuile dagen; de jacht was gesloten, de visch lag roerloos in de diepte van het kille water, als bedwelmd en versteven wachtend naar de komst van de nog verre lente-luwte om weer op te duiken en zich te bewegen; en toen meneer Vitàl zijn ochtend-courant gelezen had, wist hij niet meer wat uit te voeren tot de avond-courant kwam. Hij slenterde doelloos rond, ging even kijken naar zijn auto, dien hij nu wel vagelijk van plan was te verkoopen indien zich soms een gunstige gelegenheid voordeed; hij kwam weer in huis, bleef eventjes bij Eleken en 't kind, waar hij trouwens spoedig in den weg zat, stak een sigaar aan, nam soms een boek dat hij al gauw weer dicht sloeg, keek nu en dan eens naar de klok of 't nog geen tijd werd om in 't dorp te gaan. Tegen half elf trok hij er eindelijk op uit, bezocht zijn vaste herbergen, ontmoette er zijn kennissen, hoorde de nieuwtjes van den dag onder het drinken van zijn borreltjes, kwam tegen één uur eten, ging liggen, trok er weer op uit, keerde terug om te soupeeren en ging dan nog eens weg, terwijl Eleken zich met haar kind en haar huishouden bemoeide, dag aan dag hetzelfde leven, vastgeregeld als de stille, trage uren, die steeds over dezelfde klok eentonig voortkropen.

Eleken vond dat best. Een rijke buitenheer hoorde deftig op stamenee te gaan en er zijn vrienden te ontmoeten, en met de grootste belangstelling luisterde zij iederen middag en iederen avond naar de praatjes en nieuwtjes, die hij uit de herberg meebracht. Zij ook, trouwens, had zich langzaam aan van een heel gezellig kringetje weten te omringen. Behalve moeder Lie, die nu heel dikwijls kwam, en de oude schoolmeesteres, die haar nog steeds, driemaal in de week, fransche les kwam geven, had zij ook kennis gemaakt met de vrouw van den koster en met de oudste dochter van den brigadier der gendarmerie; en meer dan eens nu, als meneer Vitàl thuis kwam, vond hij dat heele troepje om een koffietafel zitten, niet in de eetkamer, maar gezellig in de keuken, naast de keukenmeid en het chauffeurtje, bij de warmte van de kachel, met de wieg van 't kleintje in een hoek, allen luisterend naar de trage woorden van de oude meesteres, die steeds en onophoudend aan 't verhalen was. Zij was héél lang en mager, als een verdorde reuzin, met een houterig, breed gezicht en groote, wijd-uit-elkaar-staande, als 't ware verwilderd-starende oogen; en alles wat ze met haar trage, doffe, eentonige stem vertelde, klonk even zwaar en gewichtig, als deelde zij dingen mede van diepen ernst en overwegend belang.

Meneer Vitàl werd er in den beginne wrevelig onder en deed Eleken verwijten. Hoe was 't toch mogelijk, dat ze zich met zulke menschen afgaf en dan nog wel in de keuken, in 't bijzijn van meid en knecht! Nu begreep hij ook best waardoor het kwam dat ze heelemaal geen vorderingen maakte in het Fransch en hij sprak van die nietsbeteekenende lessen af te schaffen. Eleken zette een bedroefd gezicht en ging aan 't schreien.

"'K 'n hé euk anders niemand om mij 'n beetse t' amezeeren," klaagde zij: "Gij zij heule doagen uit; 'k zit hier àltijd alliene."

Die woorden brachten hem tot bedaren. Hij moest in zichzelf toegeven, dat hij haar den laatsten tijd wel veel alleen gelaten en verwaarloosd had.