Chapter 9
Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve, aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok. Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur, zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend geveder van haar hoofdkussen.
In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij 't naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering eraan zou geen goed stichten.
De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij. Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.
Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan, allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg, een brief voor Goedele.
--Wat is 't? vroeg Ursule.
Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe, behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.
--Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.
Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters, heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.
Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak voelend in haar kele:
--Watte?... Watte?... Hein?
Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:
--Slecht nieuws....
--'t Is van Wiezeken, niet waar?
--Wiezeken is aan het sterven.
Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn geliefde voorhoofd.... Ze zei:
--Ge moet gaan....
--Ja.
--Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan Romaan.
Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen, waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist, nog aarzelend en nog vreezend.
Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst, kwikte schier omme.
Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na:
--Juffrouw! Juffrouw!
Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje.
--'t Uwe, juffrouw?
Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel scherp aankeek binstdien.
--Ja, lieveken.... Danke.
Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam over haar.
--Wat zal ik zien?
Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig in haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon precies niet verder uitkijken, recht vóor haar, waar haar weg gebaand was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg, een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was:
--Wat zal ik zien?
Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan.
Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar hoofd, alsof ze meende:
--Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariëtte. De trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en hoe de deurklinke daar precies te wachten hing....
Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur.
Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele herkende, kwam vóor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar. Goedele vroeg, lage sprekend:
--Wiezeken?...
Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een ende:
--De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt open.
--Wat zegt de dokter?
--Niets ... en durft hij--maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken!
--En Romaan?
Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde:
--We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen. Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend:
--En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen wij allemaal eruit gaan....
--Is mijnheer Ameye hier?
Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder overgang.
--O ja! die goeie mijnheer!
Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te schrijven aan Goedele.
--Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt.
Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden stap van iemand, zwaar krakend over de trap.
--De dokter gaat weg, zei tante Olympe.
Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar overgroot verdriet. Ze jammerde:
--'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere!
Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg:
--'t Kan nog beteren?--Toe, Leentje, wees rustig.
--De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben. Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed?
--Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk.
--Ja--een ongeluk. Ameye zegt ook--een ongeluk. Maar na al mijn leed, na al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer....
--Ge zijt niet alleen....
--Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook troost noodig!
Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond vóor 't venster naar de daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen droge en de schotelvodde heel stijf--en was het niet alsof de soepkomme, achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de overweldigende treurnisse te keer te gaan:
--Mag ik Romaan zien?
Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen. Bij 't kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht vóor zich uit. Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de blauwige holten zijner oogen.
Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde. Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend:
--Broer ... broer....
Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar:
--Wat is er?
--Ik.... Bezie mij, Romaan....
Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd rimpelde. Hij zei, onverschillig.
--Hâa!...
Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig:
--Komt ge van huis, zoo?
--Ja....
--Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar u gevraagd.
Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen begon.
Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe, asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen:
--'t Slaapt....
Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte:
--Hee! slapen....
Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster.
In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe, die de koffietasjes op de tafel plaatste:
--Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch!
Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van 't kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen. Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse. Hij zuchtte en vroeg:
--Is dat een nieuwe hoed?
Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze neerzitten zou. Hij zei:
--Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen.
--Alles komt weer goed.
--Alles?
Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen. Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer op tafel neer.
--Meent ge dat, Goedele?
Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant.
Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige oolijkheid en hij vroeg:
--En thuis bij u, hoe draait daar de rommel?
Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de hertelijke aandoening van moeder, zei ze:
--Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen....
--Wat wilt dat zeggen? Effen?
--De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens malkander staan....
--Leven ... leven ... leven....
Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen, op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met het gansche droeve huis van ginder....
--Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen.
Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend:
--Wie heeft u hier gezonden?
Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep:
--Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen! Ze naderen!
Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur broeder.
Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te gooien.
--Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden ... laat me zoeken ... Wacht!
Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde.
--Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood. Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan kussen?
Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in natheid.
--Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven alles stelde, naast mijne vrouw. Luister--ze zal voort alles aanwenden, alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat ze geweend had!
Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts ophaalde.
--Heb ik u zeer gedaan?
Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren.
--Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje--en alles wordt zwart om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge moet mij vergeven.
Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd.
--Laat ons sterkelijk hopen, zei ze.
Hij knikte en zijne wimpers vielen toe....
Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot aan den dorpel.
--Goeien morgen!
't Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte. Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt. Hij zei:
--Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet laten beïnvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit.
Hij klopte op de knie van Romaan:
--Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een beetje geslapen--als ik thuis kwam, ik heb vrij veel geëten, en ik ben hier terug, gezond. Heeft Romaan wat geëten, dezen uchtend, tante Olympe?
--Een walm koffie opgesnoven....
--Dat is buiten reden!
Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele, die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen.