Chapter 8
En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest, maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee. Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel.
Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk. En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren, getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen:
--Zij ook ... en ziet mij niet geerne....
Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch vatte. Hij vroeg:
--Zijt ge ziek, mijn kind?
Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste.
--Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij.
Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn.
--Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt? Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld moest doen om te spreken. Haar borste zwol.
--Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer.... Wáar, wáar, mijn kind.
Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen lot en ruw werd ze op nieuw.
--Bah!
Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop, ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder, langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht.
Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen.
--Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte 't. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar....
Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden. Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken, moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen.
Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod. Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting.
--Zóo is mijne goesting! had Ursule gezeid.
Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden....
Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door, zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje, te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven--'t werd alles besnuffeld en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was.
--Wat zeggen ze? vroeg Ursule.
--Bijna niets ... een woord ... een ja--een neen....
--Maar, hoofdzakelijk?
--Niets! zei Justa.
Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen dokter.
--'t Is rheumatiek.
Dat was zóo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ... Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds nachten geen ooge meer beloken, ze was zóo lijdende, ze voelde dat het erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar....
--Och! Och!... dat is vreeslijk!
Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een dobbele sargie vragen aan Justa.
--'t Is nu 't gevaarlijke seizoen.
Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren.
--Willen we verhuizen?
Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong aan:
--We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken, ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad. Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden.
--Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder....
--Kom! Kom!...
Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was moeder daarom, ze wist dat iets mishandde.
--Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen, kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij?
--Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre, verre....
--Is dat alleen uw droefenis?
--Dat is een groote droefenis.
Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al starrelings turend dwars in hare oogen:
--En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief!
Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg;
--Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn. We zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen vóor mij, uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een andere liefde?
Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach. Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep:
--Wel, moeder, onnoozele moeder!
Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef. Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde bij poozen:
--Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge 't u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan.
Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe, smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met pruilende lippen:
--Hatje! het leelijke jong!...
Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige gepeinzen.
Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder.
Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals.
--Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in 't koude weer....
--Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien.
--Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding--ik geraak er nooit van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai! mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja!
Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa, die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid.
--Djentig, hee?
--Heerlijk, mijn kind--Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet. 't En was in waarheid niet noodig....
--Ja!... ja!... ja!...
--Danke.
Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht.
--Ge weet wel--zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost! Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende woorden. Ze vertelde van thuis--hoe moeder sinds een paar dagen aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was, en hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen, droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of fluisterde:
--Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus....
Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing.
--Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is éen strijd, éen roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er gelukkig uit.
Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in 't zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeën 't zicht herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan, plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels....
Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen, stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven.
Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette vóór hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen, te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde ze.
--Wat doet ge daar?
Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen.
--Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u!
Ze fluisterde hem toe:
--'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten....
Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele. Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei dadelijk:
--Haal moeder's kistje!
Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden zich ievers vasthaken.
Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af. Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem:
--Wat gebeurt er?
Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu danig droeve. Ze zei:
--Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze leute gehad!
Bella lachte subiet mee.
--Vertel eens, Goedele....
--Straks!
Ze ging vóor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig:
--Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella?
--Ja ... wacht even....
Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt. Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo, gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al zuchtend.
Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend, dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar takend, op haren schoot.
--Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella!
--Trouwen?
Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieën op het voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud:
--Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt.... Maar helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral!
Ze blikte naar 't horloge en vroeg:
--Is 't hier 't juiste uur, moeder?
Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en antwoordde:
--Half-vijve.
Hare wimpers vielen trage toe.
Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen vóor grootvader stond. Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in de stilte.
--Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde?
Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht.
--Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies?
--Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies. Is hij schoon?
--Och!
--Is 't een vent met een lijf voor de liefde?
--Zotte kappe!
--Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu stotterend en ongedurig op uw stoel....
--Ik vind het hier bang....
--Ja--bang.
Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend, tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht krijgen. Ze fluisterde:
--Ik word ongemakkelijk....
Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's blikken gedurig. Goedele zei:
--Ge windt uzelve op.
--Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig.
--De assche ligt dood.
--Mag de deure niet open met een reetje?
Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieën. Ze bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap, heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd. Ze probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al groetend:
--Dâag--dâag--
Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte:
--We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan!
Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit, dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule.
--'t Ligt hier zoo alles in wanorde!
En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't haar of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene nieuwe emotie. Goedele zei:
--Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en met Bella trouwen!
Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag, roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen en wreef over haar voorhoofd.
--Djeezes-Maria! stotterde Ursule.
Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot, gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt.
Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond lagen heel diepe.
* * * * *
VIII.