Chapter 7
Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieën saambrengend in hare armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren allemaal....
--Is mijn deure goed vaste?
Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn. Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ... en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen, hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad.
--Johannes zal meehelpen ... om raad....
Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar, en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was een vriend.
Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was....
Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen. Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en thoopegedrongen in een leunstoel zitten.
--Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze.
Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen.
--'t Is of het rheumathiek ware....
En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog gefolterd.
--Gefolterd ... wie?
--'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit medelijden van de strate raapt....
--Zoo dan terug op strate gesmeten?
--Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een hoofdkussen te halen ... dat heeft ze.
Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw gemompel van Grootvader.
--Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt....
De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte 't zware hekken.
--Ze is weg, zei Ursule.
Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen was--Marie was een dievegge--en ze herkloeg met gelijke woorden over haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop--haar kele stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou.
--En die rheumatiek daarenboven....
--Ge moet den dokter halen.
--Och! Och!...
Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen. Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden--en naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van voortdurend zwoegen.
--Ho! ik hebbe gezwoegd!...
Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage doende om Goedele weer tot zich te trekken:
--Wat is mijne belooninge?
Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd.
--Wel ... moeder....
En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten.
En Goedele bleef sprakeloos.
Rik tort binnen. Hij zei:
--'k Hebbe ze op strate gegooid.
Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieën tegeneen knokkelen, in koortsige vroolijkheid.
--Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster!
't Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens.
--Vertrekt ge?
--Wiezeken bezoeken....
--'t Is half-elf.
--'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder....
Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden, verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte komen wou....
Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige stad.
De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren, tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk.
Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beïnvloeden, ze liet zich zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door, drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje. Ze zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen.
--Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse juffrouw, en niet geverfd.
Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje.
--Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u.
--Ja, dat wel.
Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke vóor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij _sito-sito_ klaar zou geraken.
--Even nog een koordeken--hier--met een strikje ... Zóo!
Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht:
--Als 't u zal believen, juffrouw--tot een naaste keer.... Anders, juffrouw, anders de klinke draaien ... zóo ... let op de trap ... zóo.... danke wel!
De deur viel toe achter haar en zij stond vlak vóor Ameye. Hij lachtte en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't geluchte.
--Ik was naar uw broer tewege.
--Ik óok, precies....
Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed. Ze dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen.
Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden.... Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid, zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht.
De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem, liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd, naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf.
Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Vóor hen stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding. De dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeën kreeftsgewijs doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig vóor de uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden.
--Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye.
--Zoo verschillend van meeningen toch?
--Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn.
--Maar dat is een zotte leven! meende Goedele.
--Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag.
--Het huwelijk is wel een beetje onzedig.
--Onzedig?
--Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen. Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze maatschappij is echter zóo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte liefde geen rekenschap gehouden wordt.
--O ja!...
Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme:
--De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw. En als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?... De liefde is _overal_ heilig.
--Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn?
--De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht--en dan heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en heilig ... en overal....
--Ik weet zoo geen liefde.
Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand, die te lang in warme kamers bleef. Ze zei:
--We loopen buiten onzen weg!
Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen. Ze waren nabij de St. Anne markt.
--Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg....
Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had.
't Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Vóor 't portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie, een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek.
Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse.
--Aai-Jezes! Kijk hier!...
Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zóo klein was hij, dat hij zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes. Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken:
--Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier!
Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn:
--Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te vinden zijn--en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste.
Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend:
--Mijnheere!
Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien omhooge, profijtelijk:
--'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong huishouden....
Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval:
--Jè-dan ... schoon koppel....
En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over de menigte, die langs de kramen scharrelde.
--Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye.
--Wel ja ik, redelijk.
--De tast van het volk is niet altijd zuiver....
--Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo volledig. Ik weet niet--vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van een anderen kant precies ... en alles is mij goed....
Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als er een korte stilte tusschen beide viel.
Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan.
--Voor de aardigheid, zei hij.
Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een overgroot geneuchte maakte haar dronken....
Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om te te peinzen in eenigheid--want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets, dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen--en eeuwig zijn zou. Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat komen moest, was niet te weerhouden.
Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag.
--Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele.
--Ginder is de brugge.
Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd.
Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien:
--We zijn er alreeds....
--Ge tert zoo zoetekens!
Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze vroeg:
--Werkt ge veel?
--Als ik alleen ben.
--Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder?
--Moeder is ... weg.
--Zoo eenig leeft ge!
Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel droever--een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte.
Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen.
--'t Wordt noene straks.
--Ja.
Hij tort verder zonder opkijken, en, vóor de drempel, als Goedele het linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer, hij knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij. Hij fluisterde:
--Gij weet niet?
Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden.
--Niet?
Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte eens om zijn kele nat te krijgen.
--Niet?...
Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariëtte.
Ah! Môsieu le capucin, T'as d' la veine-- T'as d' la veine!...
Ameye zei:
--Ik ben getrouwd ... al vier jaren....
Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen.
Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach:
--Ho!... ja ... zoo!...
Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op, die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen.
* * * * *
VII.
Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid. Ze was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken er zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen. Ameye walgde haar.