't Bedrijf van den kwade

Chapter 6

Chapter 63,980 wordsPublic domain

Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik: 't was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.

--Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...

Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte uitspreidend om haar.

--Mijn vleesch is struisch--maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden geest?

--Goedele!

Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende lippen:

--Dat is slecht, wat ge doet.

--Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me lief hebt....

Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken mochten.

--Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes. Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ... Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel en ik lijd: ben ik abnormaal?

Ze dwong stille haren arm los.

--Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik ween als ik eenzaam zit--Mocht ik dat alles ú niet zeggen?

Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:

--Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....

Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol. Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.

--Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn--slagen in de hersens.

Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte armen.

--'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't gemakkelijker ... vergeten....

Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet taken met haren blik. Ze wachtte.

--Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen bedaardheid.--Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken. Ze sprak:

--Het alkoollampje brandt nutteloos.

Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.

--Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een druppelken munte?

--Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal geleidelijk overgaan.

--Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?

Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.

--'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.

Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed. Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die overal was, werd onverdraaglijk....

Sebastiaan vertrok.

Ursule kwam vóór Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst.

Ze beet haar toe:

--Kijk òp!

Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare tanden heen sisten hare woorden.

--Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u--wat zijt ge van zin? ... Kijk òp, zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw voorhoofd niet.... Op! wat is er?

Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de hoeken van haren mond neerwaarts.

--'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't leste gebouw omverre storten?

Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies, om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende, onbeteugeld en afgrijslijk.

--'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't aanlegt, hoort ge?--'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister goed--ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ... die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is dáar--ik heb hem u gewezen....

Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar mond open.

--Haâ-aâ-aâ....

Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze meteen wegvallen in een diepen zucht:

--Och, Heere-lief!...

Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei ze:

--Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen ... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw geluk....

--Ik ben niet gelukkig.

--Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's avonds, en praat wat, zing wat....

--Bella moet hier niet komen.

--Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat deert immers niet!

--Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder....

--Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge?

--Ik denk aan u....

--En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen....

Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't deurgat.

--Goeien avond.

Ze tort de trap op.

--Goeien avond, antwoordde Ursule.

Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw Wilder onbeweeglijk vóor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid, die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een bruine vlek, die geleidelijk openging....

In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute gevoelend, zóo op een keer.

* * * * *

VI.

Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken. 't Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam. Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen. Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten, al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen, de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar eene vernedering en woog op hare hersens.

De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn groote figure--dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere gezegden. Ze dacht:

--Maar hij sprak zoo gek!

Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of een nachtraaf was.

--Hij loopt in kroegjes....

Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met lichte meiskes omging.

--De stad is zoo vol daarvan!

Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blasé", een ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier--een zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan in den grond een zwakkeling was....

Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan 't venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden in 't verleden, achterwaarts.

De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis....

Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie in de keuken gebleven?

--Maar wat verricht Marie in de eetplaats?

Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer. Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven, en ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg, met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege zalen binnenging.

Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe.

Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn aangezicht kwam seffens een groote blijdschap.

--Ze zijn er nog! mompelde hij.

Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens 't andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had. Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw. Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde: gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe, een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou wasschen. Vele kleinoodiën lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens:

--Al 't mijne ... àl 't mijne....

En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in zijn zijden klakke, die hij vóór zijn knieën neergelegd had. 't Waren al goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van ongeduldigheid. En hij lispelde:

--Al 't mijne....

Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering omhoog.

--Al 't mijne....

Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar niet in kadense geraken kon. Zijne knieën kluppelden tegeneen aan en zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die schitteringe daar--en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde her en rond, lijk te voren....

Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor:

--Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... á-á-ál....

Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd uitermatelijk bleek....

Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij 't kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier.

--Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele....

Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen.

--'k Hebbe zoo'n pijn!...

Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk leed. Ze vroeg zich af:

--Wat is 't?

Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen, slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang.