't Bedrijf van den kwade

Chapter 5

Chapter 53,867 wordsPublic domain

--'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been.

Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening was omtrent Mariëtte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die, volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand.

Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat, haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou.

--Ik neem aan dat Mariëtte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te verwijten.

--Djeezes-Maria! kreet tante Olympe.

--Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan? Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk.

--Ja, zei Romaan.

--'t Is een slette, zei tante Olympe.

Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu gaan--nog een paar zaakjes afhandelen vóor den noene--en morgen zou hij eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte.

--'k Zal eens 't portret maken van Mariëtte....

Hij boog vóor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe in hare oogen.

--Voor u, juffrouw.

--Ja, doe dat, sprak Goedele.

Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd, en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel zonderling daar blijvend, vóor haar, met een bovennatuurlijken wil....

Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond Sebastiaan--heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als gindsch vierkante steenmassa.

Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel en peinsde:

--Die mijnheer Ameye is een leege man.

Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van Mariëtte. Ze vond daar behagen in--een kap met blonde lokken, een gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen stilstaan vlak vóor haar. Ze peinsde:

--Die mijnheer Ameye is ongemanierd--en niet vriendelijk ... en niet schoon....

En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde:

--Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk?

En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe. Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel. Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.

Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier ontsloten--gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het aangezicht....

* * * * *

V.

Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur haar een beetje schikte:

--Och! ja, moeder....

Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen, van Goedele's kleed.

--Ge hebt wolle op uw kleed.

Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op de randen van zijne lippen.

--'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en nutteloos....

--En hijgt zijn borste?

--Bij stonden.

--En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?

--Watte?

Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....

--Uit belang ... zekerlijk.

Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen achter malkaar:

--Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.

Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.

Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud.... Dàn wilde ze sterven, alleen dàn.

Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen hare tanden:

--De prije zal ik wegkrijgen.

Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.

--Dat arme Wiezeken....

Ze prevelde drij keeren:

--Dat arme, arme Wiezeken....

Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat ende.

--'t Zou 't ende zijn.

Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens--Wiezeken was zoo'n luttel ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens.... 't was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....

Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.

Na 't diner--ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met groenten gegeten--sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had meegebracht. Hij zei:

--Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...

Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering, en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou zijn.

--Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....

Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten nijverheidstentoonstelling--een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer --een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning. Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen, achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:

--Dat is nu mijn eigendom.

Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in 't zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen, nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge, die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was 't wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid. Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik krijgen middelerwijl.

--Mishandt er iets? vroeg ze.

--Wel neen, wel neen, zoo precies....

Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:

--Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!

Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer, zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig rumoer--af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:

--Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?

--Ba ja....

--Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?

Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad aanbod ook.

--'t Is een brave jongen....

--Dat is de zaak niet.

Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:

--Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...

Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen naar zijne luie vingeren.

--Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....

Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne slapen gekomen was.

--Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...

Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze kamer, werd weelde, zijne weelde.

--Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier openlegge ... toe ...

Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:

--Hebt-ge ze alreeds?

--Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.

--Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de kaarte van uw keuze, zegt het boekje.

--In 't deze, rechts....

Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de kaarten nadien weer in drij pakjes.

--En nu?

--In 't deze opnieuw, rechts....

Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.

--En nu?

--In 't pakje te midden....

--In 't pakje te midden.

Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte niet vergeten.

--Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?

--Ja....

--Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een beetje attentie....

Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering, in de afwachting der wonderbare machten.

--Kijk nu!

Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde omme.

--Koekelaas!

Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:

--Koekenaas.... Hee!

--'t Was koekenaas.

--Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ... eigenlijk....

Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede, verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon, en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een zake bezien.

--'t Is een kind nog.

Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden, en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij vroeg, bedrukt:

--Houdt ge niet hiervan?

Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen, beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?

--'t Wordt avond....

Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad, voordeelig voor de droomende stilten....

Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure. Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk. Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige handen, bekommerde zich om zijne bleekte.

--Zijt-ge vermoeid?

--Een beetje.

Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd, zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond, en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood hij mijnheer Wilder een sigaar aan.

--Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.

Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en wilde alles zelf doen.

--Gebruikt ge melk van avond?

--Als 't u belieft, een geutje....

Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan zei 't:

--'t Is een gulden avond.

Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen. En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte, oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde vroolijk daarbij.

--Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!

Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker, sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle glanzende hoofd.

--Bella? vroeg Sebastiaan.

--Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....

--Ik weet niet....

Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een, die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't maakte hem dronken. Hij zei stille:

--Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.

--Wij?

Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde, folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in, dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee.... Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was, bezeerde haar.

Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen mocht.

--Dat doet u dan ook plezier, niet waar?

Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei, niet wetende:

--Ja....

Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.

Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje. Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij niet vreezen wilde.

--En hij vreesde!...

Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....

Tot ze hem meteen het woord afnam:

--Is dàt uw werk?