't Bedrijf van den kwade

Chapter 4

Chapter 43,975 wordsPublic domain

Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten.

Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar coupé. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen. Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte, achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare doening. Zóo, lijk deze, wilde ze worden--zoo, handelend naar beliefte, en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan, toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze zou trek hebben ernaar.

Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk....

Binstdat ze vóor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der ruiten kon zij hem zien--een sterken vent, hoog en goedgeschouderd, fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens.

--Hij heeft tijd te vele, meende Goedele.

Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit, zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij. Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten. Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram.

Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op. 't Was een dwaze leutigheid.

In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel. Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze wijk in rep en roere gesteld.

Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht:

--Ons pover Wiezeken!...

Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open.

--Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe.

Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen rinkelden van weerskanten tot in haren hals.

--Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze komt. Dat is goed. Dat is goed.

Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele toe.

--Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw!

--Zoo erg?

--Och ja! Och ja!

Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende wolk, langs het venster.

--Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk vermeden....

Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam, langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei:

--Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke. Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan.

Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die zeer deed in hare keel.

--Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden....

--Is Wiezeken gevaarlijk ziek?

--Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest, die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen kijken, en Wiezeken ziet hem geerne.

--En komt de dokter er ook bij?

--Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal. Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt.

Goedele stond recht.

--'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe.

Ze was te wege Goedele vóor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze vroeg:

--Wilt gij Romaan overhalen?

Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen.

--Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten.

Goedele weerde zich zachtjes af.

--Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte haar--dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met schadelijke uiterlijkheden.

--Schadelijk?

--Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft.

Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig.

--Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele?

Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig.

--Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger kregen--is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten....

--Ho! Ho!... tante Olympe....

Goedele was niet toornig--ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over haar roerend aangezicht.

--Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en genegen....

Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu, al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme en scheef lijk te voren.

--Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die 'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu ook weg, door hare schuld dat voele 'k--en ik zie Romaan en Madeleen allebei zoo geerne....

Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze:

--Wilt ge nu Wiezeken zien?

Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging vóor. Maar, bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder.

--Wie is die mijnheer Johannes?

Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was.

--Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap. Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt toegeloopen....

--Hoe is zijn name?

--Ameye, Johannes Ameye--wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes. 't Is een gouden hert.

De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was.

--Och ja! ik ben tevreden.

Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en te luisteren naar schoone aandoeningen.

Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar vóor aan zijnen vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een bevrienden lach bejegende.

--Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is nevens u.

Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog.

--Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk hoekje krijg in haar geheugen....

Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om.

--'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele.

Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger begeerde,--en hoe dat alles danig smertelijk was om zien.

Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover.

--Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken....

Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk, broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daáag!... en ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die domme bulten van weerskanten.

--'t Is een poesjenel voor de brave kinderen.

De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig. Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei:

--Bêe-êe-êe-êe....

Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne handjes bleven stille.

--'t Slaapt.

Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen--'t werd alles effen wit.

Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een zoetvervig blauw--al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen, een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem, en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet zeeg over haar.

--'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe.

Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog:

--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.

Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, vóor haar, te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zóo blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen:

--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.

Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind.

Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd, ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken wou. Daar was buiten een man die riep:

--Scherre-scherre-scherresliep!

En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En mijnheer Ameye zei:

--We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen....

En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge huishouden.

--Een blinde met zijn dochter.

Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede herten.

--En hoe geraken ze aan hun brood?

--Ja, hoe geraken ze aan hun brood!...

Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien.

--Ja, mijnheer Johannes ... ze naait.

Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare verlegen manieren te verbergen.

--Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort, droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent, mijnheer Johannes.

--En de dochter?

Goedele vroeg hoe haar naam was.

--Mariëtte, zei tante Olympe.

Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariëtte gestadig leutig was en aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat en gebeurde niet dikwijls. Mariëtte hield zich meer met hare twee kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel 't venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had, boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo geheel alleene.

--Maar....

--Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye.

--Ja, maar ... daar hapert iets....

--Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt? lachte Goedele.

Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond vóor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei:

--In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariëtte hare zotte voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste....

--De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe.

--Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de sleutel in de klinke.

--En Mariëtte...? vroeg Goedele.

--Ja, Mariëtte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders nooit uit.

Romaan wendde zich omme.

--Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet?

Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren, alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend.