Chapter 3
Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad, vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns:
--Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe!
Ursule zei:
--Vader, ge moet zachte zijn....
Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen, endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg, zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis vertellen mocht.
--Dwing hem met uw lieve handjes.
Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een lachbui:
--Ma chère!
Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel, te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil gebaar:
--Laat juffrouw Bella maar bedaren--ze krijgt wel wat praats, als ze mij hierom genegen is.
--Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
--Wel ja, wel ja, zei Albien.
Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur. Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij.
--Waaraan denkt ge?
--Aan niets, mijn vriend....
--Goedele is nooit zonder gedachten.
--Ik bekeek die bloemen....
Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte, omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid schoone....
--Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij.
Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om hem te doen eten.
--Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder.
--De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien.
Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden.
--En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat vleesch, mijnheer Wilder?
--Wel ja--wel ja....
Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen" zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van vriendelijkheid.
--Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog, en die naderen bij tijde.
Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust. 't Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge.
--Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij.
Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe.
--Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
--Wel ja, wel ja....
Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon. Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak gelegen; 't was hier tegenwoordig goed....
Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten.
--Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij.
Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige woorden--hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon.
Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale.
--En Weenen?
Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen bekeken.
--O ja--Bos en Brueghel, zei Goedele.
Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren. Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een vóor een de monsters daar vereend--konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten, grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm te worden als hij over Brueghel begon.
--Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis, was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieën die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon genoeg.
Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele.
--Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien.
--Ja, mijn vriend?
--Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel, uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der menschelijke ziele....
--Ik ben u dankbaar hiervoor.
Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was gelukkig bij haar.
Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare wimpers.
--Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze.
Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld.
--Niets, juffrouw.
--Wel--Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze.
Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen witten kop omhooge.
--Hebben die monsters indertijd bestaan?
Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen.
--Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik.
--Zekerlijk niet....
--Ha!
Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er nievers draken bestaan hadden.
--En zeemeerminnen? fluisterde Rik.
--Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer.
--Zeemeerminnen wel! zei Rik.
Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden.
--Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een zeemeerminne in 't witte schuim der baren.
--Tèt ... tèt ... tèt, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen in wellust.
--Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel, vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze ook.... Ha! Ha! Dat weten wij!
Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving.
--Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan!
Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen.
--Zing ereis van "Sur la rive solitaire"....
--Een danig oud ding toch niet, mama.
--Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk!
Sur la rive solitaire, Loin de toi je désespère....
Het is fijne muziek, Bella.
Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits pavés". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander fatsoenlijk begeleiden.
Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere, en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking.
--Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder.
Elkendeen juichte haar toe.
--Wat een allerliefste stem! zei Ursule.
--En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos.
Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was lamlendig en éentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke katte daar te miauwen stond.
--Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare onderlip, lachte ze Bella toe.
Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd. Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam gestadig vóor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van spreken zou.
--Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij.
Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens schrikkelijk te vervelen.
--Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien.
Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met hunne bronzen armen.
--Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen--hebt ge dat al ievers gezien?
--Neen ik, zei Alfred.
--He wel! ik hebbe er zoo een!
Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken verduldig werkzaam waren.
--Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leên.
Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter. Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen, lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een ongemakkelijke stilte meesteresse.
--Werkvolk, zei Rik na een stonde.
Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig.
--Weer een meeting....
--Weer een vechting....
--Weer 't bedrijf van Zondag--een ophitsen, een losloopen van gewelddoeners.
--Wat een tijd, wat een tijd!
Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde:
--Wat een tijd! Wat een tijd!
't Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in 't lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de kasseide gehaald. Drij dooden.
Rik mummelde dat het een hoop met beesten was.
--Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd.
Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde niet rechtveerdig genoeg zijn.
--Elkendeen moet te eten krijgen.
--Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte leeggangers.
--Ja, sprak Ursule, kort en hard.
Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het uiterste kwaad leiden zou.
--Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven. De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd grooter blijven dan 't getal verstandige--zij zouden dus 't hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf, omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet opofferen durven.
Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk, tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van 't horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar maken.
--Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid. Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek:
--Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten. Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geëerbiedigd worden." Ja dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk verschijnsel.
Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte, met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en speldde hun vool vaste.
Ze hoorde ze op den hof vóor 't hekken nog groeten en naderhand hun gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan gewaar achter heur, en draaide zich omme.
--Gij?
--Ja....
Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme asem was een aangename jeukte over haar hoofd.
--Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele!
Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd, hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden.
--Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten.
En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die vrede--tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok.
Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels tellen, de vorken, de suikertichelkens.
--Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze.
Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was sinds jaren zoo.
Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht. Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Vóor een vierkant tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen.
Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd, en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar, en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor smachtend en aroetekoeënd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden hare gedachten--moeder was valsch en vader was klein en grootvader was vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle hoofd, tot een stekelig sterreken....
Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien vóor den spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden, die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden, ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen worden....
Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in éen scherp zicht, gewaar dat hij over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren.
Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met haar hortend snikken mee....
* * * * *
IV.