't Bedrijf van den kwade

Chapter 17

Chapter 173,898 wordsPublic domain

Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare hersens spijt--omdat die gulden somme zonder weerkomste zich verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't waarlijke beeld was van hare dorre ziel.

Zoo, na den noene, vertrok Goedele.

Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat niet direkt-tastbaar aanwezig was.

Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek:

--Daág!... Daág!...

Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij 't weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne.

Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coupé, zat nu Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het veranderlijke veld.

Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel bange op, soms met stooten haar kele toestroppend.

En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant. Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude dame, ze zag dat wezen niet--en sterk spookte in hare hersens 't zicht van haar verloren vreugde.

Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat over 't liefelijke weer.

--Een schoone oogst, niet waar, mevrouw?

--Ja.

De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen lagen zonder nevel open vóor haar. Ze zag ze worden en kruipen in den tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken. Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind. Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet....

Ze had Johannes ontmoet.

En Wiezeken was bleeker geworden.--Hoe was 't gekomen? Wat had zij, Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes ontvlucht had....

Ze had Johannes ontvlucht.

Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen, en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd? Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,--en ze had zich weerloos overgegeven....

Ze had zich overgegeven aan Johannes.

Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge langs de kussens van 't coupé. Ze werd de sjokkende rolling van den trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies. Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke onregelmatigheid van de vluchtige vaart.

Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mariëtte, de smertelijke moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in verzonken was. Den afgrond!...

De liefde!...

Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen, loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts om te roepen,

--Johannes! Johan!... Ho! Johan!...

Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend, brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond, en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar....

De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij.

* * * * *

't Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu 't leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe.

--Die goeie tante Olympe!

Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei bij haar eigen:

--'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik....

Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar.

Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap. Binnen huis was nievers geruchte.

Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde zich tot een vriendelijken groet:

--Kijk! wie daar toch endelijk is!

--Dat is wel zusje....

Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend.

Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn nieuws vertellend.

Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden. Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal wegbabbelen met plezierig getater.

--Er is nieuws, hoor!

Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na den noene moest zij er binst éen uurken weer in.

--Ze ligt nu haar uiltje te vangen.

Tante Olympe had maar éen verlangen meer: uit dees huis gaan en in zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte stove.

--Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen.

Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet. Mariëtte zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan het zingen. Goedele vroeg:

--Mariëtte?

--Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen. Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt tegenwoordig leutig lawaai....

Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend:

--Mag ik 't zeggen?...

Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder genade:

--Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage.

--Luister, Goedele....

Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend geluk verlichtte zijn gansch gelaat:

--Madeleen zal.... weer moeder worden....

Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk rumoer.

--Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe!

Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken droegen den sterken blos van vroeger.

Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn. Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen, en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten.

--En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten?

Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren, en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede:

--Voor ... hoelang?

--Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in België onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme vriend.

--Hij blijft ... ginder?

--Ja.

Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van onverschillige woorden op. Ze dacht:

--Het is zóo best.

Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een graf, dat men ommedelft en vernielt.

Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele had een droeven uitroep:

--Ha! het was een zoontje....

En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig zijn koffie opslurpend.

--Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele.

Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen acht gevend op zijn woorden:

--Daags na Paschen.

--Daags na Paschen?

Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mariëtte. Waar was Mariëtte naar toe?

Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand grabbelde met een reik naar heure hand.

--Goedele!

Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater. Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze giechelde:

--Neen! dat is een lol, broer!--Nu wordt ge--grappig! Zeg eens--zeg eens wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm!

Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde:

--Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!...

--Ja, hoe komt hij daaraan!

En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen kwamen 't gedurig taken binst zijn groei.

Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken, wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders geldbeurze in de hand, fluisterend:

--Dat is voor de verlakte stove!

Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om nog den vroegsten trein te treffen en dan vóor Sebastiaan thuis te zijn.

In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk, buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille, zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen. Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en peinsde:

--Wat ben ik dwaas!

Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel.

--'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven, wat moeder hem ontnomen had....

--Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen, waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien. Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te worden.

--We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn....

Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen.

Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken. Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de zoetige lampe.

Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds.

--Wat ben ik blij!

Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten. Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen. En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd.

Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste. Ze stamelde:

--O God! Hó-ó-ó!...

Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank te bereiken. Ze zakte thoope en hare knieën bibberden, rijzekens kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd ronkte lijk een leege kasse....

Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de brugge, vóor 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag. Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad, de aaiing van een liefelijk geluid:

--Voort!... voort!... voort!...

En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend, mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid:

--Voort! voort!

Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren der huizen, nu snikkend en stotterend:

--'k En mag niet! 'k En mag niet!