Chapter 16
Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou.
Andermaal waren ze getweeën precies aan het spelen met Seppie. Goedele rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts, rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde:
--He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende vingeren van zijn meesteresse.
Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde:
--Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God, och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar zijn ondergang wil!
Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd.
Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven, had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en zorgvuldig.
--Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe 'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en--hoe zou daar entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...?
Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme en voegde er bij:
--Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte. Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige jeugd.
En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen. Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze interesseerde zich aan zijne studiën over Hieronymus Bos.
--Wat vind ik zoo'n man wonderlijk--zoo bezig gestadig met buitensporige fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een grauwe spelonke....
Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders vertellen moest. Ze glimlachte:
--Ik zie permintelijk al die dwaasheden!
En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht, zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest.
En omme gingen de dagen.
Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen. En ze verzinde grootsche werkingen.
Op een dag, in den valavond--ze lag nu meerendeels alleen--liet ze Goedele bij haar roepen.
--Zet u, mijn kind.
Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te weren. Ze wilde zeggen, seffens:
--Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen.
Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend:
--Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder willen wonen.
--Ja, moeder.
--Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me niet....
--Ik herinner me niet, moeder.
--Ja, dat zal heerlijk zijn!
Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse. Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde, waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van de vensterruiten.
Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille Goedele's vingeren, fluisterend:
--Kom dichterbij, mijn kind....
Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in de wattige donkerte.
--Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde bereikt hebben,--die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een leven, dat niet werkzaam is--en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks moet geld werkzaam zijn, mijn kind....
Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand. Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen 't bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over hare hand. Ursule zei:
--Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd gebleven zonder nuttig bedrijf, en dàt is zonde. Wat wij door werken gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn?
Ze zweeg een wijlken.
--We zijn schadelijk, omdat we de leêgheid van onze handen bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore.
Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond, die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze ziet.
--En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat. Ik dwing u niet. We moeten discuteeren.
Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in alles?
--Ja.... Ja....
--In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in u. Mag ik op u berusten?
--Ja, moeder.
Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar. Ze lispelde:
--Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief.
Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest. Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak:
--Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld, vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare.
Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de daling van hare stem, zei ze:
--Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker, als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele?
Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk, dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde:
--Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed daarin....
Ursules mond viel in gramschap open:
--Hein?
--Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens stille overwegen....
Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder de sargie.
De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte brekend, die lastig in de kamer was gedrongen.
* * * * *
De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de zonnige diepten....
Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer, stegen de verschillige beelden van hare liefde.
Ze zag Johannes.
Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre....
Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan, leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre, heel verre.
Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig, pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden en, in naïeven overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen arm.
Eens--de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in een draaiing van gloeiend licht--waren ze, langs een pijnboschje, buiten hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op tegen den purperen hemel.
Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en belachelijk uit te zien.
De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was, lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar.
Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld.
--Goedele, wacht....
Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar. Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in éen asem zijn liefde zeggend.
Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak:
--Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal, overal--u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen 't idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge gevlucht--en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij?
Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht, dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen.
Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht schemerden vóor haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een smette....
Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in den avond. Ze fluisterde:
--Ik doe ... wat ge wilt....
Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte, zonder hope, te lore in haar overgroote leed....
De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en alginder, sprakeloos, naar huis.
* * * * *
XV.
Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij. Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk beter worden. Ze murmelde:
--Ik genees!
Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar rugge was zonder sterkte.
De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het op te stooten langs haren mond.
Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan 't wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene ál-omstreelende goedheid en haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare geldkist over en zei:
--In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die, en breng me die.
Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde:
--Negenhonderd--duizend--twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef....
Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak, fleemend:
--Wilt ge me nóg van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten. Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja, ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan komt niet vóor 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ... gemakkelijk....
Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken:
--Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan....
Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig:
--Ge moet niets vertellen van mij--en mij achterna niets van hem vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge?
Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat:
--Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht!