Chapter 15
Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke, al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde hunner passie.
Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde--endelijk dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde:
--Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief?
--Eeuwig....
Hunne wimpers trilden en vielen toe....
Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde.
In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeën waren ze nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend of peensend.
Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken.
--'t Is tijd!...
Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen was. Goedele vroeg:
--Naar uw atelier?
--Ja.
--Ik ga mee!
't Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die onbekende kunst te benaderen.
Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend:
--Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende menschen....
--Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder.
--Ja, zoo is 't goed....
Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat éene oogenblik, de foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede:
--Neen!
--Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan?
--Ik ga mee....
Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem den drempel beterten.
Hij kuste haar. Hij lispelde:
--Wat zijt ge koud!
Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg. Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze, beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken. Hij vroeg endelijk:
--Maar wat meent ge?
Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen, en trage sprak ze:
--Wat meent ... gij?
Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf rechtestaan.
--Nu dan.... Kom!
Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de straat.
't Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes....
Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte af te leiden, ze stond altijd ten slotte vóor een vrage te weifelen, en ze maakte haar geest uitermatelijk moe.
--Wat moet ik vreezen?
Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste.
Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare inbeelding.
Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren. Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had. Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar over nooit gesproken. Hij zei:
--Artiesten zijn wanordelijk.
Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte opendraaide.
Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets. Ze wachtte. Hij sprak:
--Zijt ge nu voldaan, lieve?
Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins.
Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk. Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken, dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven....
Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad:
--Geef me een zoen.
Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen.
Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en tort onvaste naar voren.
Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden vóor hare oogen, landschappen en binnenhuizen, àl verven van veranderlijk getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar Johannes:
--Wat doe'k dwaas, he?
Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen:
--'t Is Mariëtte.... Ik had u dat portret beloofd.
Mariëtte! Ja, zoo was in waarheid Mariëtte! Mariëtte, half naakt in een weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariëtte met natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde:
--Mariëtte...?
Zoo moest Mariëtte zijn--een lijf van rijke blankheid, ongedekt en onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht, verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van wonderbare blikken.
Zoo was Mariëtte wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming van bruine haren? Mariëtte moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig beeld.
--Is dat ... Mariëtte...?
Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariëtte de weergave van heur eigen wezen. Dat waren _hare_ leden, dat was _haar_ gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was _haar_ portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed?
Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen. Duidelijk herklonk om haar het verre lied:
Ah! mosieu le capucin, T'as d'la veine, T'as d'la veine!...
't Was Mariëtte! En hier was nu Mariëtte in onveranderlijke afbeelding aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was....
Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk, vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van hare eigenliefde.
Hij toetste haar en ze huiverde.
--Ge zijt zoo bleek....
Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn en stille.
Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte vool vallen.
Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed, vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder: rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig praalde, in strengen neergang, haar fijne mond.
Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende gebeurtenis van hun ongeluk.
Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met éen slag stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te stooten. Ze hakkelde:
--De moeder van dees kind?... Van dees kind?...
Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen vermoeden. Ze riep:
--Spreek ... maar spreek!
En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch vaneen.
--Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik verzink, o mijn God!
Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar bedaard:
--Zeg me wie deze vrouw is, Johannes.
Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg.
--Zeg me--wie, Johannes.
Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte, die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de treurnisse zelve--'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei, voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef:
--Mijne vrouw.
Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort, schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme:
--Goedele!... Goedele!...
Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht vóor zich uit, en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween:
--Goe-öe-dele!
't Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als een holle kasse aan 't ratelen ging....
Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd:
--Zijde gij hier nog?
Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze had hem willen kussen.
Hij keek op en verwonderde zich, lachend:
--Ha!... gij....
Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op.
Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en in haar verward gemoed klopte 't verwijt--dat ze schuld had aan moeders lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte, beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet weer ruw en hard op te bulten.
De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden heet.
Ze stamelde:
--Moeder....
De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule vroeg:
--Zal hij trouwen?
Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze gedrieën een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte, niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was.
--Ja.
Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken. Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap, uitlengde naar Goedele:
--Zal hij--trouwen?
--Ja, moeder.
--Hein?
Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar 't herhaalde antwoord en 't was alsof ze tóch hoopte dat het niet zou herhaald worden.
--Ja....
Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen haat uit haar boezem--een walg en een grijnzen:
--De hoere!
Haar mond bleef halvelings open.
't Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieën, vatte moeders hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in geen toekomst.
* * * * *
XIV.
Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat men hem wegjagen moest.
Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe noodzakelijk en veel voorzichtigheid.
Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en het was voor haar in feite eene afleiding.
Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze dacht niet aan Johannes: met éen schok was hij weggerukt geweest en heel verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder kleur en preciese maten--een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder, geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht, die alle dagen dook.
Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd door gindsche vervaarlijke somberheid.
Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang--tevreden dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't verrichte noodlot.
Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele.
--Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten.
--Ja, ringskens.
--En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs....
--Ja.
Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep:
--Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier, wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Leêgaards! Leêgaards!
Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens.