't Bedrijf van den kwade

Chapter 14

Chapter 143,904 wordsPublic domain

Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse, zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend:

--Ze moeten trouwen!

En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was geweest--niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod.

's Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen, maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond dibberde.

Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken. Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mariëtte en telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste, peinzende:

--De zonde is hier tallenkant in huis....

Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar 's noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden de Lente kon ze uit haar bedde niet meer.

Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken. Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten weghongeren alzoo en koeragie hebben.

--Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg:

--Koeragie?

De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken, waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze stamelde:

--Ik kan niet ... ik kan niet, jongen....

Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn....

--Niet waar, tante?

Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk--maar ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken. Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem.

--Mag ik het u zeggen?

Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen hier gedrijen de waarachtige schuld ervan.

--Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste.

Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen langzaam toe. Ze fluisterde:

--Wilt ge mij niet begrijpen?

Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde:

--Tante Olympe, slaapt ge?

Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei:

--Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ... we moeten wij u gehoorzaam zijn....

Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht hem dat al zijne theorieën tegenover het tastelijk dood-gaan van deze goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost, dien hij in ontroerde gezegden haar gaf:

--We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge zegt.... Bekijk me eens....

Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde.

--Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen. Zult ge spoedig weer genezen?

Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig....

En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't geluchte.

Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel.

--Trouwen!

Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening naderen, die--sinds wanneer?--och! al zoo lange verwijderd was. Als hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert. Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te worden. Ze had de wettige sensatie daarvan.

--Madeleen verheft zich!

't Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en--was daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen. Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't.

Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was klein en leelijk.

--Madeleen verheft zich!

Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette zich viermaal vóor haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een nieuwe uitvindinge.

Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig.

--Ga weg!

Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn lachend wezen wendend naar haar.

Ze stapte haastig voorbij en dacht:

--Hij weet entwat.

Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere gebladerte.

Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang, die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op zijn eentje versteend in zijn zwijgen.

Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van moeder.

Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter....

Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan. Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk.

Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele vóor haar verschijnen. Ze beet haar toe:

--Wat is 't?

Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer vóor 't klavier. Korter hakte het stekkig gezegde:

--Wat is 't?

Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei, lage, onverkennelijk:

--Niets.

Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag, en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos.

Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg:

--Ge hebt Justa doorgezonden?

--Dat jong walgt me.

--Ge hebt ze doorgezonden?

--Ja....

Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens:

--Maar wat meent ge? En ben _ik_, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat alles, dat ben ik.

--Ik begrijp u niet.

--Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft. Romaan....

--Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd?

--Eens staat hij daar, nevens u.

--En Madeleen?

Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat, alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte, omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed. Ze zei:

--Laat Romaan met Madeleen....

--Ik weet wat ik laten mag.

Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken:

--Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen zullen.

Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn. Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen.

--Trouwen ... trouwen....

Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen. Ze reutelde:

--Ge liegt!

Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte, bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een sterken slag neere en brak.

Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele. Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen zou.

--Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden. We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen gelooven!

Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En Ursule en hield niet op.

--Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht--gij en Romaan....

--Romaan trouwt.

--Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig?

--Hij heeft me gezeid dat hij trouwde.

--Maar Wiezeken is immers dood!

--Laat ons zwijgen--moeder....

Ursule tort vooruit.

--Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen. Ik had nóg hoop, tóch hoop.

Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen bedrukt over haar aangezicht.

--Nu is Romaan voor goed ... gestorven.

Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik.

Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes, heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed. Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een dag--met Ameye.

Ameye!

Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware geweest?

--Romaan is nu voor goed gestorven.

En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar hoofd,--dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd.

Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na, hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde. En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing.

't Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen. Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid. Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren.

Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen. Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig plein voor den tocht van haar loopende ideeën. Ze bukte zich en leunde met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde.

Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe. Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong. Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe:

--Niet meer gaan!

Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen. Het was toch _moeder_. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling voelde en haar eigen in de toekomst tartte.

Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit--maar, als ze haar witte lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de keerse zoo rijkelijk....

Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare tanden saam en stiet:

--Niet meer gaan!

Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een stotteren, een pijnlijke hakkelinge:

--Niet--meer--gaan....

Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde, benauwd, verloren:

--Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer....

Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen.

* * * * *

XIII.

Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen wat hij van zins was.

Goedele ging.

Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn.

Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig ommedom.

Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog....

Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts, kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel.

Ze stond meteen vóór 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde.

Zou Johannes wachten op haar.

Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte.

Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte zijn hoofd. Ze fluisterde:

--Ik ben stout geweest....

Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze zei:

--Ja--stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is? Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen?

--Zwijg, lieve. Mij zie 'k dáar in een sterreken....

--Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden.

--Een eeuw, ja....

--Herinnert ge u nog mij?

--Deugniet, die me lief zijt!

Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos geweest was op haar.

--En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden....

--Nu wordt ge schuldig, in waarheid.

Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden, trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder, en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals.

De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend over hunne knieën. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen, tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen.