Chapter 13
De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in éen laaien ring van vlammen.
--Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve?
--Hier zijn uwe lippen....
--Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen, en dees is de laatste dag....
--'t Is eene eeuwigheid, die begint.
Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde.
Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van haren asem, tot ook dát wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten, beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren schouder. Ze bloosde en glimlachte:
--Ik wist ... niet meer....
Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging, terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch.
--Zult ge me nooit verlaten?
Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging....
Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen.
--Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms.
Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen.
Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar. Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte kantewaarts naar Johannes.
--'t Gaat over....
--'t Herbegint.
Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en 't leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte over hunne vingeren....
De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der zonne.
De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen op strate reeds met kevers speelden.
In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde, beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels:
Vliege--vliege--vleugeke, Dat beesteke gaat naar 't meuleke, Alover de zokken, Alover de blokken. Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het luttel gerinkel van 't lied:
Vliege--vliege--vleugeken, Dat beesteke gaat naar 't meuleken....
Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens, terwijl ze op hun knieën voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd.
Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei:
--Johan!
Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg:
--Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij?
--Ik maak entwat--'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo neerleggen kon, in lijnen....
--Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?... Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen....
't Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling van klokskens:
Alover de zokken, Alover de blokken, Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend:
--'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde die hier vóor maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge gelukkig?
--Bemint ge mij?
Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes' leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg.
Zoo leuterde de jonge Lente.
Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van het aloude Zeuniërwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coupé, tegeneengedrongen, matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een malsche weide open.
--Waar zijn we hier?
--Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in....
--Ei? Kijk daar!
't Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden, hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen. De zonne spetterde lustig tegen de ruiten....
Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht. In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen, lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's vrijzinnige theorieën en ze werd dronken van de hevige lucht.
Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots vóor hun voeten een jonge puit opjoepen deden.
--Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken!
--Jrsst!... wipte de puit.
En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel, waarlangs hij te lore was gesprongen....
Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een heimelijken wind.
--Wordt ge moe, lieve?
--Wat zou ik!
Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel, op al haar grootste gemak.
--Ze blijft stille....
--Ze peinst.
Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert....
Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van 't schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen. Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der halmkens.
Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig en steeg met stage verduldigheid.
--Ziet ge 'm nog?
--Wacht ... ja ... ja....
--Langs die luttele watte ginds....
--Ik zie hem!
Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde schatering zijn juichende lied. Hij ging òp. Al bewoog hij naar rechts noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en levenloos--òp, hooger en hooger, kleiner en kleiner, òp ging hij! Ze voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden:
--Nog...?
--Een zierken....
--Hij is weg!
--Neen!
--'k Hebbe hem weere....
--Ho!... Ho!... Ja....
Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik daalde--daalde--plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa, die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren.
Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen.
Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen. 't Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder 't blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten.
Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm, langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de matelijke roep van een boschuil.
De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe deemsteren van den hemel.
Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde en dood was.
Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't schaterend rumoer over dag.
Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud.
Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling opflikkeren in hare oogen.
--Weent ge?
Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend. Ze stamelde:
--Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk....
Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, éen schuivende schimme, éen wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg:
--Zijt ge nu weer rustig?
Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder.
Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel, donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige stilte.
Zoo was de stilte.
Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de éenige duisternis. Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht.
Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze fluisterend:
--Ik ben gelukkig....
Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de àl-zoete harmonije en spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde. En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had gedaan.
De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote. Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen langsheen het roerloos getwijg.
Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden, in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen, in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies, 't omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes murmelde, dichter komend:
--Verwijder u niet....
Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde:
--Stil.... Ik sta in het licht.
Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het lieve bedrijf van hun ziel.
't En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg. Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij omarmde haar, smeekend:
--Verwijder u niet....
Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare wimpers:
--Ik ... ikke ... ikke....
Ze vond niet het woord--daar was geen woord.... Daar was de zalige stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren.... Toch de stilte, die niet te storen was.
--Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen. Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen drukte.
Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand.
Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coupé dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen, om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun asem was heet.
--Waar zijn we hier?
--Bijna binnen de stad.
Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun gedachten vloeiden saam tot éen gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders brandende blikken.
't Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige jeukte hunner lusten--Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar mekaar....
Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare.
't Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn.
* * * * *
XII.
De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze schuddebolde en pruttelde al zuchtend:
--Onregelmatig--en zoo lastert gijlie God.
Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou.
--Ge moet trouwen, zei tante Olympe.
--Dat komt wel ... later, zei Madeleen.