Chapter 12
Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt, omdat de gansche gebeurtenis--de droefheid in gindsch gefolterd huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid--zoo verre achterwaarts gelegen was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld doende om natuurlijke woorden te vinden:
--Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ... hij is in slaap gevallen ... vermoeid....
--Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt?
Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken vóor zich en schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over.
Ursule sprak:
--Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen.
Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met een klein lachje:
--Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet?
Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer en tuurde naar 't vuur.
Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten....
* * * * *
Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar, die nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg.
Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten. Ze vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes, moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig:
--Is 't nog verre?
Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame uitleggingen wrevelig.
--Nee-ë, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint....
Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte.
Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven, opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort.
Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen fronste. Ze had Ameye gezien.
Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord?
Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar afkwam.
--Goedele!
Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren.
Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken. Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat haar herte openlag, bloot vóor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd:
--Waar gaan we?
Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar huidig geluk.
En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens. Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg:
--Zijt ge moe?
Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei:
--Uwe vingeren zijn warm....
Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde echter niets meer--noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch 't woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht.
Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, éen-wordend en bij parende rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie hunne diepe zaligheid.
In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met, uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend:
--Willen we hier eens binnen?
Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog, en fier-schoone in hare grootheid.
Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken.
De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar vóor haar, heel dichte, in de toekomst. Hij zei:
--Drink eens.
--Ik spreek liever. Luistert ge niet?
--Laat uwe lippen koelen.
Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte, haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei:
--Ik wou wel koffie.
--Koffie moogt ge niet hebben.
Ze lachte koortsig:
--Wat belieft?
Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend:
--Och! ik weet niet--ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet aankijken.
Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend:
--Ik zal u niets meer vragen.
--Doe dat.
Ze moest dan meelachen.
Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen:
--Willen we naar 'n schouwburg?
Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in trippelgang niet afloopen kón. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest. En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren?
--Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage.
Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en fluisterde:
--Ik ben gelukkig!
Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende. Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn moed daar neersmeet met éen gezegde:
--We gaan soupeeren....
Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen tarten kon.... Ze zei:
--'t Is me eender ... als ge wilt....
Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet....
Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit zijn herte. Vóor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich en lachte:
--Hier?
Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren hoed was vastgestrikt.
Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was.
--Nu geen leute bederven, hoor!
Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te strijken, die buiten plaatse geraakt was.
Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf om de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid aardige avonturen.
Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden.
De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel, en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare hersens:
--We zijn alleene....
Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde, midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol van 't eenvormig gedruisch;
--Alleene ... alleene....
Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon. Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige werking bracht, en dat hij daar zat, vóor haar, aan 't spinnen een aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden verwachtingen....
En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende slagen, tot hare gedachten maar éen gedacht meer vormden, een gedacht van zonderlinge angst:
--Alleene....
Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas reikte ze naar 't zijne uit....
Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige strepen. Johannes was opgestaan....
Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde over haar gezichte.
--Melieve....
Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende gichtigheid:
--Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den blik, die optoovert uit uwe oogen. Zóo zijn we in sterke zaligheid te gare--te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot. Weet ge ooit hoe diep ik u lieve!
Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen hare lippen. Hij lispelde, begeesterd:
--Kijk òp--kijk òp ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk òp.... De toekomst is me een blijde straling geworden.
Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij 't haar vóor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in menig geflikker, vlammekens alhier en alginder--altegare een groot minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en aaide hare vingeren, vragend:
--Wilt ge?... wilt ge?
Ze stamelde, heel week wordend:
--Ik ... wil....
Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde:
--Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zóo ... machtig geerne ... u ... u....
Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals.
Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het tinteleerende gesternte van bloemlampen--al wat ze zonder aandacht nog opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't roerde een ende ginder, heinde en verre.
Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking....
Met hem ... met Johannes ... eeniglijk....
Alleene.
* * * * *
XI.
Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde.
De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene verdraagzaamheid.
Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te verweren.
Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant inspectie doen.
Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't, peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden afwerpen.
Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid, meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en 't groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte, en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije theorieën. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed was. In hare hersens wapperden de driftige woorden:
--Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!...
En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was vrij....
Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou.
Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met éen verdiep en een trap vóór de deure. Johannes had het binnenwaarts met kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet, en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde, en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid.
Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel en er rechtover, was een hooge psyché-spiegel ook met licht gewaad omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig behangsel.
Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer op een verrukkelijk pied-à-terre, een donzig nest voor schuchtere en angstige verliefden.
't Gebeurde zelden dat hij niet vóor haar binnen was. Ze had halvelings de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar, onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was. Hij staarde diepe in hare oogen:
--Melieve!
--Johan!
Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen slofjes aansteken.
--Waar ge warme pootjes mee houdt....
Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad. Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden.
Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle jacht hun bloed opzweepend.
--Ziet ge mij geerne?
--Eeuwig ... eeuwig....