Chapter 11
--Wil ik de lampe aansteken?
Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille blauwigheid. Mariëtte schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd.
--Zie-zoo, lachte Mariëtte, nu zitten we lekker.
Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken. Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel van zijne aardige woorden. Getweeën droegen ze behendig hun moeielijke take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen draaien.
Mariëtte werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen. Ze had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist zoo naïef aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei:
--Hoort ge?
Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers ... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed thuis en vóor hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien--zoo zat hij en keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn vingeren, zachte.
--Ziet ge?
Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet.
--Hoort ge?
't Was alweer Mariëtte, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het bel-tjinkelende lepelken....
Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden. Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens. Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en onder zijne oksels.
Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog:
--Komt ge? We gaan....
Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde:
--Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben....
Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging, en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden.
Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het taterend gedoe. Mariëtte was haastig om deze tafel te ontvluchten en blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mariëtte als ze de kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te zien. Tante Olympe zuchtte Juidop.
--Aai-Heere God!
En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte, dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen.
--Aai-Heere God! mijn kinderen!
Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het tafelberd in slaap donkelde.
Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme. 't Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen:
--'t Is tijd....
Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar, 't bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede--ze wist dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen in de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet:
--'t Is tijd....
Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend bij Romaan en Madeleen, want dáar was tegenwoordig een rust, waar ze lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af....
Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone bij mekaar gebracht over zijne knieën, zouden 't gebaar doen van woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat haar te doen stond.
Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van Ameye, en ze peinsde niet meer:
--'t Is tijd....
Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende:
--Waar hebt ge 't gezet?
Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen.
--Wat?
--'t Beddeken, 't kleene....
--Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude. Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan.
--Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel....
--Denk niet daaraan.
--Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog....
--Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan?
--Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al?
--Ge doet me pijn, Madeleen.
--Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken.
--'t Zal de werking van de koffie zijn.
--Ja, dàt is 't.
Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had nog een flauwen lach en verdween.
Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem. Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse, want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar, krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar--moest ze nu subiet opkijken--ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien. Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet.
Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei:
--'t Is tijd.
't Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan moést. Zijn vrage was een fluistering.
--Tijd?
Zijn stemme, met dat éene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot zijne oogen en lispelde:
--Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken....
Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op.
--Hein?
--'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde, daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is....
Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer. Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat geen weigering te verwachten was, sprak hij:
--Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen.
Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en gerust daar blijven kon, als hij eerst zóo van plan was. Hij vroeg:
--Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg....
Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat ze hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde, uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye alreeds te wachten.
--Kunnen we gaan, juffrouw?
--Ja, mijnheer.
Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te maken.
--Slaap zachte!
Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde brengen, al lachend groetend:
--Tot morgen?
--Tot morgen.
Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde subiet, en de deur klonk dichte.
Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en 't was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden. Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den galm van haar late pleizieren.
Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou rondblikken:
--Geen ziele op weg....
Hij blikte rond.
--Geen ziele....
Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven. Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een hooge zulle kon halvelings nog opduiken vóor de woonste van rijke lui.
In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos. En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare diepe werking doen....
In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze zweeg.
De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te sneeuwen....
Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele.
--Leun op mijnen arm, zei hij.
Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde:
--Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte....
Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving:
--Een wonderbaar geneuchte....
Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af:
--Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den eendelijken wind?
Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af:
--Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ... naar....
Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid:
--Een wonderbaar geneuchte....
Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, éen krachtig gedruisch. Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig gezegde:
--Een wonderbaar ... een wonderbaar....
Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen zijne borste. Ze hoorde heel zachte:
--Goedele ... Goedele....
Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond werd wild heet.
* * * * *
X.
Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook meegeholpen in 't kwade bedrijf--haar opgroei tusschen de muren van 't massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood.
Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden. Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur àl zonnig, wat optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet met bangheid af:
--Wat heb ik nu gedaan?
Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet. Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen toestand niet taken kon.
Als ze zich aankleedde, bleef ze vóor den spiegel een lange stonde de malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen.
Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu, binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn....
Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond--'t was alsof het aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeën thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid.
Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde:
--Vandage niet--vandage niet....
Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte van haar besluit.
--Vandage niet!
Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond, elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok, de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't buigen van zijn zoenzware lippen....
De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte.
Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde.
--Dag, Seppie!
Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen.
Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd. Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk:
--Hoe is 't met Romaan?
Goedele zei, met een vreemde verwondering:
--Romaan?