Chapter 10
Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar. Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets opklom tot een vrage--zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een vrage deed--wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met Ameye gevoeld had--en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen....
Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon schrikkelijk te beven en ze bad:
--Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu?
Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan hare lippen. Ze paaiden haar, vragend:
--Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts. Wat is er gebeurd?
Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof stamelend:
--'t Kind ... 't kind....
Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen haar gezichte.
--Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in Goedele's armen.
--Maar wat deert er toch?
--Hoort ge?... 't Sterft!
Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde:
--Ho! Hoóo!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!...
Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig:
--'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren die oogen.
--Drink een beetje, lieve.
--Ja.
Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde:
--'t Is zonde!
En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en helpen.
Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer, en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien--en haastte zich om te zien....
Vóor 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens, op een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ... Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen asem meer had.
--Romaan....
--Ssjt!...
Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en 't licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel gestraal.
--Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage.
Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en de ringen van de ribbetjes.
Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet. Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden. Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem sprak Romaan:
--Laat ons nu rustig zijn....
Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele zijlings weg en fluisterde:
--Het slaapt.
Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate, eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren. Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den doffen tert van Mariëtte's vader, en de deure begon redeloos te rotelen. Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind....
Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere, haar kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei:
--Is hier geen zeupken water voor het kind?
Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, zóo rustig, bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen.
Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven....
--'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan.
Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde:
--Wees sterk....
Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen, en 't was te hooge en te wijd en overal tastbaar--en nievers te taken. Ze wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost....
Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn stoel, en wipte nadien rechte.
--Hee-la!
't Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan hijgde:
--Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?...
--'t Zal overtrekken....
--Hee-la!
Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover. Hij reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem.
--Overtrekken.... Overtrekken?... Watte?
Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk, dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend hierdichte.
Zóo staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze natheid....
Goedele zakte ineen op hare knieën.
Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met zijne vuisten tegen zijne slapen.
Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan, zonder een woord, lijk een doode overend....
* * * * *
IX.
Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar gansch vreemd geworden, zooals die vóor haar in de donkerte, heel massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was thuis geraakt.
--Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde.
--Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel nieuws.
Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige leelijkheidjes.
Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging, de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar van Sebastiaan zijn vingeren....
Ze stond vóor Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei simpel:
--Het kind is dood.
Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch voren. Ze sprak:
--God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig.
Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare gevoelerigheid van te-morgen afstak.
--De tijd zal 't uitwisschen, zei ze.
Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde stille:
--Ja, de tijd zal 't uitwisschen....
Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op. Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk:
--In mij is 't gebeurd....
Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte die zekerheid.
Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd, was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en af en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog, ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend.
Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel eenvoudig, praktisch. Moeder had geld.
Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare vingeren.
Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende tranen rolden en ze vroeg:
--Hebt ge groot verdriet?
Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht.
--Wel ja ik, zei hij.
--Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt.
Hij stamelde, heel week wordend:
--Ja, het is goed ... het is goed....
Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat deed hem zachte deugd.
Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden fluweelde. Ze zei:
--Goeienavond....
En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers.
's Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde plekke.
--Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele.
't Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere, versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.
Een tijdeken vóor den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo, zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en 't gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer--'t geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't avond werd....
--Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt.
Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen, langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.
En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai van kleine witte dingetjes--endelijk, als de mannen kwamen en 't kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met franjen, op den zwarten wagen--endelijk een regelmatige val van dikke trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim.
Romaan had geëischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd worden. De strate was leeg. Gevieren--tante Olympe was thuis gebleven om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon geven--gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid.
Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens. Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder Wiezeken lag, en ze stamelde:
--Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn....
--Ja, zei Romaan, heel laag.
Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw, die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne tranen gewaar werden.
Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee koorden rond.
Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen....
Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knieën knikten thoope. Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in zijn gedachten en mummelde gestadig:
--Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?...
Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij ze troosten moest.
--Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen....
Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei:
--'t Is hier plezant, zoo te rijden....
Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen.
Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mariëtte. Mariëtte wilde subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet.
Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig, vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou. En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mariëtte begreep seffens dat ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid.