# Suez De Aarde en haar Volken, 1865

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/suez-de-aarde-en-haar-volken-1865-14401/index.md

"Haast u dezen weg van geluk te openen, die ons moet voeren naar Mekka, tot de heilige plaatsen van de bedevaart. Het is de vorst van Egypte die ons beschermt.

"Reeds voleindigt hij de landwegen; hij bedekt ze met ijzer; hij vereenigt en hij regelt ze: onze reizen zullen geene lengte meer hebben.

"Wij geven aan onzen Nijl zijne oude luisterrijke kroon terug; van nu af aan hebben wij niets meer te verlangen. Hoe zouden Tyrus en Carthago thans nog in grootheid met ons kunnen wedijveren!

"Ons vaderland, wij liefkozen het zoo als eene moeder haar kind liefkoost; wij zouden het terugkoopen tegen den prijs van al het bloed onzer vijanden. Hem, wiens hart tegen ons vaderland was, zouden wij door onze zwaarden verscheuren."--

Als slot van onze beschouwing over den toestand van het groote zeekanaal, deelen wij aan onze lezers nog het volgende mede.

De heer de Lesseps heeft aan een aantal kamers van koophandel, zoowel in Frankrijk als elders, eene circulaire gericht, ten einde bekend te maken, dat sedert 1 Januari 1865 de eerste weg van gemeenschap tusschen de Middellandsche en Roode zee is voltooid. De maatschappij heeft tien kleine stoombooten besteld, welke dienen moeten om platboomde vaartuigen van weinig diepgang op het nieuwe kanaal te slepen. De heer de Lesseps noodigt de bedoelde kamers uit, tegen 6 April ieder een gedelegeerde naar Alexandrië te zenden, ten einde een en ander in oogenschouw te nemen.

VI

De toekomst van Suez.

Wij hebben reeds hier en daar in ons artikel onze meening geuit over de ontwikkeling en de toekomstige grootheid van de verschillende punten en gedeelten der landengte. Wij voor ons blijven bij ons gevoelen, dat Suez trapsgewijze ontwikkelen en tot eene hoogte stijgen zal, welke haar de eerste plaats in de rij der nieuwe volkplantingen zal doen innemen.

Meermalen is de vraag geopperd, welk volk eigenlijk zich in massa derwaarts zal begeven om de landengte te bewonen, en in de toekomstige dagen daar eene afzonderlijke natie zal uitmaken? Deze vraag is waarlijk niet van gewicht ontbloot, en het zou ons niet verwonderen, zoo zij nog heden ten dage dikwijls in de kabinetten der verschillende rijken behandeld werd. Wij veroorloven ons te zeggen, dat de vraag: welk volk de landengte van Suez bezitten zal, Europa gewis eenmaal in opschudding zal brengen. Laat ons dit nader toelichten.

Van den beginne der onderneming af, is Frankrijk de hoofddrijver der zaak geweest, en dit niet alleen uit een commercieel, maar vooral uit een politiek oogpunt. Het is Frankrijk toch niet slechts te doen om zijne kustvaart te vergrooten en zijnen handel te vermeerderen, maar vooral ook,--en dit staaft de ondervinding elken dag--om zijne bezittingen en zijn gebied uit te breiden. Frankrijk heeft niet voor niet gedurig aan zijne diplomatieke agenten last gegeven om vasten voet zoowel bij den Sultan als bij den onderkoning van Egypte te verkrijgen. Met al de listen der staatkunde heeft het getracht den eersten te bewegen tot de doorgraving concessie te verleenen, en den laatsten te overreden om spoedig handen aan het werk te slaan. Men kan eigenlijk de geheele onderneming, hoewel zij door actiënhouders van verschillende natiën geschraagd wordt, eene zuiver fransche noemen, met een franschen directeur, fransche ingenieurs, fransche bouwlieden en egyptische fellahs, die geheel door franschen invloed beheerscht worden. Frankrijk zendt de meeste schepen naar de haven van Port-Saïd, en allerlei maatregelen worden er genomen om den handel derwaarts nog uit te breiden. Ja, men fluistert reeds hier en daar, dat Napoleon III met den onderkoning van Egypte overeengekomen is, om de landengte van Suez tot eene fransche kolonie te verheffen. Maar dit zal Engeland nooit gedoogen. Vooreerst niet, omdat het nu reeds met leede oogen aanziet, dat Frankrijk zich uitbreidt; en ten anderen, omdat het alsdan,--en terecht--vreest, dat zijn vriendschappelijke vijand te veel in de nabijheid komt van de indische wateren, zoodat, bij een eventueel uitbreken des oorlogs, Frankrijk als in een oogwenk door de Roode zee troepen en schepen kan vervoeren. Ook Rusland wil gaarne de landengte koloniseeren. Maar hiertegen verheffen zich de twee genoemde mogendheden, daar men nog met schrik denkt aan Ruslands veroveringsplannen in het Oosten; men wil liever den kwijnenden toestand van het turksche rijk door allerlei kunstmiddelen, eerlijke zoo wel als oneerlijke, zoo veel mogelijk rekken, dan dat men dulden zou dat de dubbele adelaar de plaats inneemt der glanslooze halvemaan. Maar, zegt wellicht deze en gene, laat Egypte voor die koloniseering zorgen; het heeft immers fellahs genoeg. Zeer juist, aan menschen ontbreekt het Egypte niet. Er zijn bedelaars in overvloed, en ook arbeiders, die met de zweep moeten gedreven worden. Doch zouden dezen niet de welvaart van de landengte belemmeren en den handel afschrikken? Men verlangt--en wie zal de noodzakelijkheid hiervan ontkennen?--handelaars, bedrijvige menschen, ontwikkelde kooplieden, kunstenaars en bouwmeesters. Doch welk land zal in staat zijn deze, zonder aanstoot of ergernis te geven, in genoegzaam aantal te leveren? Met andere woorden, welke nationaliteit zal de overmacht op Suez verkrijgen? Wij doen de vraag, maar hare beantwoording is uiterst moeielijk en onzeker. Er zijn eenige geleerden, en ik bedoel hier vooral godgeleerden, die met het antwoord volstrekt niet verlegen zijn. Naar hun oordeel bestaat er een volk, dat hiervoor de meeste geschiktheid heeft; zij wijzen het als met den vinger aan. Zij beweeren namelijk, dat de Israëlieten sommige aloude profetiën bezitten, waarin gewezen wordt op een terugkeer van Israël naar zijn land, om daar onder een eigen koning te leven, en niet meer als ballingen, gesmaad en veracht, te midden der volkeren te wonen. Wellicht, meenen zij, zullen eenmaal de groote mogendheden opgewekt worden om de Joden bijeen te verzamelen, en "op snelle loopers", gelijk de profetie van Israël dit zegt, naar de landengte van Suez te vervoeren: welk oord alsdan met recht de voorhof van het land der belofte zou kunnen genoemd worden.

Wij laten natuurlijk dit gevoelen voor rekening van hen, die deze opvatting der profetiën deelen. Maar hetzij dat dit Israël, dat nu reeds menigen Christen en heiden door de beoefening der wetenschappen beschaamd maakt, zich nog eenmaal op nieuw krachtig moge ontwikkelen, en wellicht joodsche ingenieurs en joodsche bouwkundigen langs Sinaï, Berseba en Hebron de eerste spoorweglijnen zullen leggen naar hunne heilige koningsstad; hetzij dat eenige andere natie, welke ook, zich neder zal zetten op dezen woesten bodem om er vruchtbaarheid en leven, nijverheid en handel, maatschappelijke ontwikkeling en beschaving over uit te breiden;--onloochenbaar is het, dat de graving van het Suez-kanaal een eereplaats inneemt onder de reuzenwerken der negentiende eeuw, wier grootschheid wij bewonderen, maar wier invloed eerst openbaar zal worden in de toekomst des tijds.

AANTEEKENINGEN

[1] Lezers van dezen herdruk gelieven zich te herinneren, dat dit stuk in 1865 geschreven is.

De Uitgever.

[2] Een piaster doet ongeveer 12 cents Holl.

