Suez De Aarde en haar Volken, 1865
Part 5
Ver in het zuiden, over de Bittere-meren heen, ziet men aan den horizon eene hier en daar afgebroken lijn, die met het blauw des hemels ineensmelt. Deze lijn duidt het gebergte van Attakah aan, dat in waarheid de natuurlijke grens tusschen de Roode-zee en Egypte genoemd kan worden. Dit gebergte is als het ware in drie groepen verdeeld, namelijk Djebel Geneffe, Djebel Awebet en Djebel Attakah. De eerstgenoemde vormt den voormuur van deze bergmassa, en loopt westwaarts langs het zoetwaterkanaal tusschen de Bittere meren en den spoorweg van Suez naar Kaïro. Toen de heer de Lesseps met de eerste ingenieurs de woestijn doortrok, korten tijd nadat zij de onderneming aanvaard hadden, ontdekten zij dat Djebel Geneffe uit eene steensoort was samengesteld, uitnemend geschikt tot het maken van steenen glooiingen en kaden langs het kanaal. Bij nader onderzoek bleek hun, dat men reeds vroeger dit gebergte tot zulk een doel gebezigd had, maar wat van die werken geworden was, kon men niet nagaan. Waarschijnlijk heeft reeds Necho of een der Ptolomaeën deze steengroeven gebruikt voor de waterwerken aan gene zijde van Kaïro. Dadelijk vatte de heer de Lesseps het besluit op, om zoodra de waterweg tot zoover gereed was, deze rotsen te doen springen en de groote steenklompen te doen verwerken. Dit is dan ook geschied; en als men heden ten dage Djebel Geneffe gadeslaat, beroofd van zijne spelonken en spitsen, dan staat men verbaasd hoe menschenhanden het hebben kunnen vermogen deze rotsgevaarten te splijten en op uren afstands te vervoeren. Maar in weerwil van deze berooving, blijft Djebel Geneffe nog altijd majestueus en somber; tallooze rotskloven, de een nog dieper en steiler dan de ander, bieden adelaar en gier, eene veilige woning, beiden welhaast de eenige bewoners van dit verheven en tegelijk ontzagwekkend oord, ontdaan van allen plantengroei en kaal tot zelfs aan den voet van het gebergte.
Wij keeren echter naar El-Guisr terug, waar de reizigers gebivouakeerd zijn (zie bladz. 85) en op het punt staan om noordwaarts naar Port-Saïd te trekken. El-Guisr is eene zeer liefelijke streek, althans in vergelijking met den naasten omtrek, welke ten eenenmale woest en dor is. Mahomed Saïd heeft er een kiosk doen bouwen en deze allerprachtigst doen inrichten. Men vindt er verscheidene zalen, slaapkamers en goed ingerichte badvertrekken, alsmede een balkon, vanwaar het uitzicht over de omstreek zeer bekoorlijk is. Zoodra men El-Guisr verlaat, treedt men eene geheel andere wereld binnen. Het is alsof de natuur plotseling veranderd wordt. Het groene kleed verdwijnt en maakt plaats voor eene steenachtige woestijn, welke men den drempel van El-Guisr noemt. Op een der rotsachtige heuvels geniet men een treffend vergezicht. Met het aangezicht naar het noordoosten gekeerd, ziet met Timsah en Ismailia, terwijl men den noordelijken loop van het kanaal naar Port-Saïd kan volgen, en van verre de blauwe wateren der Middellandsche zee schemeren (zie bladz. 77). Men moet in eene woestijn gezworven en uren of dagen achtereen niets anders gezien hebben dan een wolkenloozen hemel en gloeiend rood zand, om de verrukking te kunnen beseffen, die men gevoelt bij het zien van een waterstroom, en vooral een waterstroom zooals het groote zeekanaal is. Het is een symbool des levens te midden van het rijk des doods. De ontroering, die zich van den beschouwer meester maakt, als hij dit grootsche kanaal ziet, kan men onmogelijk beschrijven. De ruïnen van Thebe en de puinhoopen van Ninive mogen eenen machtigen indruk te weeg brengen op het gemoed van den bezoeker, maar hier, waar het leven uit den dood is te voorschijn geroepen, staat hij in stomme verbazing, getroffen door de gedachte aan de macht van den mensch over de natuur. Als men dat reusachtige kanaal ziet, doorkruist van blauwgeschilderde schepen, met perzische zeilen voorzien, dan roept men uit: dit is een werk der Farao's! En toch is het dit niet. Ook de negentiende eeuw heeft hare koningen onder de bouwmeesters en hare groote mannen, die zich daarin van de Farao's onderscheiden, dat dezen zich zelven mausoleums en pyramiden stichtten, waaraan tijdgenoot noch nakomeling iets heeft, terwijl genen spade en houweel gehanteerd hebben, om aan de nakomelingschap een erfdeel na te laten, dat onberekenbare winsten zal afwerpen.
De reiziger stapt nu in een der booten, die in het kanaal gereed liggen, en die hem naar de Middellandsche zee overbrengen. De afstand van El-Guisr naar de oevers van dezen binnenlandschen oceaan bedraagt langs het zeekanaal 75 Ned. mijlen. Het kanaal tusschen Timsah en de Middellandsche zee wordt gewoonlijk in twee panden of afdeelingen verdeeld: de eene doorloopt een rotsachtig en woest terrein, de andere gaat midden door het meer Menzaleh. De toch op het eerste pand, waartoe eene geheele dagreis vereischt wordt, wordt in een vaartuig afgelegd, door kameelen getrokken. Het overige deel der reis geschiedt in schoone barken, wier zeilen u als op de vleugelen des winds voortdrijven. Het verblijf in zulk een transportschip, door kameelen getrokken, biedt altijd veel afwisselends aan. Het vaartuig is verdeeld in twee vertrekken, waarin men naar verkiezing rooken en slapen kan. Maar men moet al zeer vermoeid zijn om zich in de armen van Morpheus te werpen, zittende te midden van een gezelschap, waarvan men met recht kan zeggen, dat het bestaat uit allerlei natiën, geslachten en talen. Zulk een mengelmoes van dialecten is zeker niet gehoord bij Babels spraakverwarring, als in dit vaartuig op het kanaal. De een heeft de sphinx beklommen en verhaalt in het engelsch al de gewaarwordingen, welke hem daarbij bezielden; de ander heeft eene reis naar het klooster van St. Catharina afgelegd en schildert in gloeiende kleuren de verhevene rotsgevaarten van Sinaï; een derde komt van den Indischen archipel en deelt eenige vruchten uit, welke hij in het tropische land geplukt heeft; een vierde is op de nijlpaardenjacht geweest en laat ons zijnen gordel zien, die hij uit de huid van een hippopotamus gesneden heeft; wederom anderen spreken over het kanaal, over zijn toekomst, over winst en verlies:--kortom, hier is alles leven en beweging.
Onder dergelijke gesprekken bereikt met het meer Menzaleh: eene ware binnenzee, welker oevers men niet ziet en op wier golven men dagen achtereen roeien kan, zonder dat men het doel zijner reis bereikt. Een jachtliefhebber is op dit meer recht in zijn element. Eene menigte van vogels, snippen, pluvieren en eenden, trekken gedurig heen en weder, en zelden laat men deze gelegenheid voorbijgaan zonder zich een maaltijd te verschaffen, zooals de woestijn dien zelden oplevert. Onder het voortzeilen wordt het oor getroffen door een vreemd geluid, dat den reiziger de werkzaamheid der europeesche fabrieken in herinnering brengt: onwillekeurig slaat men den blik buiten boord, en ontwaart nu, dat de boot langs een hoogen ijzeren muur vaart, waaruit dat geluid komt. Dit metalen gevaarte is eene baggermachine, in gebruik om de bedding van het kanaal nog dieper te graven en tegelijk de steile oevers te vormen. Het slib, door ijzeren emmers uit de diepte getrokken, wordt door een houten buis naar de glooiing geperst, waar het opgehoopt en door de zon spoedig gehard wordt. In het eerst werkte men met eene kleinere soort van moddermolens; waarmede men weinig vooruitkwam; doch sedert Frankrijk aan den heer de Lesseps die monsterachtige baggermachines geleverd heeft, vordert het werk met reuzenschreden. Oorverdoovend is het gedruisch, dat deze werktuigen veroorzaken: het gillen der fluiten, het donderend opstijgen der zwarte rookkolommen, het ratelen der zware emmers, en het voortschuiven van het slib, doet den reiziger hooren en zien vergaan, zoodat hij blijde is, als hij zulk een moddergevaarte achter zich heeft. Het kanaal is hier op het breedst, en de werkelijkheid logenstraft de voorspelling, die de engelsche ingenieur Stephenson eenmaal uitsprak: "Mijne heeren," zeide hij eens in het Lagerhuis van Londen, "het zeekanaal van Suez zal men niet anders kunnen noemen dan eene sloot of kleine gracht." Inderdaad is het dan ook eene gracht, maar eene gracht, welke op den Bosporus gelijkt: en als men den blik laat weiden over die groote uitgestrektheid water, dan glimlacht men onwillekeurig bij de gedachte aan de kinderachtige tegenwerpingen, die de engelsche ingenieurs in woord en geschrift geopperd hebben.
Weldra nadert men Ras-el-Eiche. Dit is de legerplaats, waar sedert vele jaren de agenten der Compania op een eilandje van slib gehuisvest zijn en getoond hebben wat moed en volharding vermogen. Men noemt de werklieden, die zich daar bevinden, schertsender wijs "de zouaven der Compania," en zij hebben dien naam ook ten volle verdiend wegens hunne energie en de zelfverloochening waarvan zij elken dag de schoonste blijken gaven. Op dit punt van het kanaal hebben de wateren van het meer Menzaleh de dijken van tijd tot tijd doorgebroken; en onophoudelijk zijn duizende handen aan het werk geweest om de breuk te herstellen, totdat het genie der fransche ingenieurs een middel heeft uitgevonden om deze verwoestingen in het vervolg te keer te gaan.
Van Kantara, dat aan den ingang van het meer Menzaleh gelegen is (zie bladz. 96), heeft men acht uren noodig om te Port-Saïd te komen; en daar wij hier aan het einde van onzen tocht zijn, zullen wij dit gedeelte van onze reis besluiten met onzen lezers nog een overzicht mede te deelen van de werkzaamheden aan het zeekanaal, zooals deze door den Franschen Moniteur van 1862 werden opgegeven.
De arbeid der doorgraving van de landengte is in twee secties verdeeld: de eerste strekt zich uit van Port-Saïd naar het meer Timsah; de tweede van laatstgenoemd meer naar Suez. De voornaamste punten der eerste sectie zijn: Port-Saïd, (de haven aan de Middellandsche zee) Ras-el-Eiche, Kantara, Ferdane (wier duinen men op bladz. 96 zien kan) en de drempel van El-Guisr. Deze allen te zamen vormen eene uitgestrektheid van 75 Ned. mijlen. Port-Saïd is eene belangrijke stad geworden. Nog in 1859 was de kust vlak, naakt, woest en werd door de golven der zee gedurig geteisterd. De eerste werklieden waren genoodzaakt den nacht onder tenten aan het strand door te brengen. Wijl men van deze zijde der landengte alle werktuigen voor de onderneming ontvangen moest, werd dan ook te Port-Saïd de eerste spadesteek gedaan, en wel op 25 April 1859. Eene commissie, bestaande uit de heeren Ferdinand de Lesseps, voorzitter van den raad van administratie der maatschappij, de Chancel, lid van den raad, Corbin de Mangoux, graaf van Galbert en de heer Rouffio, vertrok van Pelusium naar het punt, waar de haven van Saïd ontworpen was. Daar aangekomen, vonden zij er aanwezig de heeren: Mougel-Bey, hoofdingenieur, directeur-generaal der werken; de Montaut, ingenieur der bruggen en wegen; La Roche, ingenieur der bruggen en wegen; La Rousse, hydrographisch ingenieur van de marine; Aubert-Roche, chef van de geneeskundige dienst; Hardon, aannemer der werken van de maatschappij; Tunieux, directeur der aannemingswerken; de agenten en beambten van de maatschappij; en een personeel van honderdvijftig conducteurs, opzichters, zeelieden en arbeiders.
De voorzitter, na de egyptische vlag op de werkplaats te hebben doen ontrollen, sprak de volgende woorden:
"In naam van de algemeene maatschappij van het zeekanaal van Suez, en tengevolge van de besluiten van den raad van administratie, zullen wij de eerste spadesteek doen, die den toegang tot het Oosten zal openen voor den handel en de beschaving van het Westen.
"Wij zijn hier allen vergaderd, bezield met hetzelfde denkbeeld van toewijding aan de belangen der aandeelhouders van de maatschappij en van haar verheven oprichter en beschermer; vorst Mohammed Saïd.
"Het nauwkeurig onderzoek, dat wij ingesteld hebben, geeft ons de zekerheid, dat de onderneming waarvan de uitvoering heden begint, niet alleen een werk zal zijn van vooruitgang, maar een groote waarde zal geven aan de kapitalen, die het zullen verwezenlijken."
De voorzitter, elk van de leden van de commissie, en na hen de ingenieurs en beambten der maatschappij, openden nu de doorgraving in de voor het kanaaal afgebakende richting.
De heer de Lesseps sprak toen het volgende tot de egyptische werklieden, rondom hem geschaard:
"Ieder uwer," zeide hij, "gaat zijne eerste spadesteek doen voor dit groote werk, even als wij hebben gedaan. Herinnert u dat gij niet slechts den grond gaat omwoelen, maar dat uw arbeid den voorspoed zal brengen in uwe huisgezinnen en over uw schoon land.
"Eere den Effendi Mohammed Saïd-Pasja! dat hij lange jaren leve!"
Deze woorden van den heer de Lesseps, aan de werklieden vertaald zijnde, werden met levendige toejuiching begroet, en daarna werd het werk met ijver begonnen.
Sedert die eerste spadesteek is Port-Saïd als uit het zand der zee opgerezen. Allereerst werd er een vuurtoren opgericht en een soort van vliegende brug (appontement) opgeslagen, welke vierhonderd-vijftig ellen zeewaarts zich uitstrekt. Verschillende werkplaatsen werden, de eene na de andere, gebouwd: stoomzagerijen, gieterijen, smederijen, distillatie-machinerie, timmerloodsen en tallooze groote en kleine houten en steenen huizen verrezen als in een oogwenk. Reeds in 1861 telde men dertien spoorlijnen, welke dienen moesten om de bouwstoffen, die over zee herwaarts gebracht werden, naar het binnenland te vervoeren. Port-Saïd is naar een welberekend en goed overlegd plan gebouwd. Het spreekt van zelf, dat de haven de eerste werkzaamheid vereischte. Moeite noch kosten werden gespaard, en thans reeds loopen er ieder jaar verscheidene honderden schepen binnen. Ook is de bevolking der stad grootelijks toegenomen: zij bedroeg in 1862 reeds 5000 zielen, onder welke 1200 Europeanen. Nog maar eenige jaren, en Port-Saïd zal gelijkstaan met Marseille en andere groote zeesteden.
Het meer Timsah is uitgediept tot eene binnenhaven. De stad Ismailia, aan de noordelijke oevers van dit meer gebouwd, breidt zich elken dag uit. Schoone boulevards en prachtige alleën zijn zoowel binnen als buiten de stad aangelegd; de meeste huizen dragen een oostersch karakter, terwijl de hotels en de woonhuizen der kooplieden in westerschen stijl zijn gebouwd. Niet ver van daar ligt het dorp Seuil, waar eene katholieke kerk en een mohammedaansche tempel in vrede naast elkander staan.
Wanneer men de groote menigte arbeiders nagaat, die nog onophoudelijk aan de beide oevers, in de binnenhaven of aan de glooiingen werken; als men de velerlei ontberingen en de tropische hitte in aanmerking neemt, aan welke deze menschen zijn blootgesteld;--dan moet men zich verwonderen dat er zoo weinige ziekten onder hen heerschen. Er was steeds een goed aantal geneesheeren aanwezig, maar hunne praktijk beteekende weinig. Epidemiën hebben er niet geheerscht en van de twaalfhonderd-vijftig Europeanen stierven er in een jaar slechts twintig. Maar wat het meeste verwondering gebaard heeft en toch bepaald is bewezen, is dat in een jaar, toen er 120,933 fellahs aan het graven waren, slechts drie-en-twintig personen gestorven zijn. De werklieden (fellahs) werden bestuurd naar een reglement, dat door den onderkoning van Egypte zelf is vastgesteld; en daar wij het, vooral met het oog op de doorgraving van Holland op zijn smalst, niet onbelangrijk achten, deelen wij dit reglement hieronder, zooals het in het reisverhaal van den heer Conrad voorkomt, meê.
"Wij Mohammed Saïd-Pasja, onderkoning van Egypte, willende voorzien in de goede uitvoering der werken van het groote zeekanaal van Suez en in de goede behandeling der egyptische werklieden, die daartoe zullen worden gebruikt; en tevens willende waken voor de belangen der landbouwers, eigenaars en ondernemers van dit land, hebben, in overeenstemming met den heer Ferdinand de Lesseps, als voorzitter en grondlegger van de algemeene maatschappij voor het kanaal, de volgende bepalingen vastgesteld.
Artikel 1. De werklieden tot de werken der maatschappij te gebruiken, worden aangewezen door de egyptische regeering, volgens de aanvragen der hoofdingenieurs en naar de behoeften.
Artikel 2. De betaling aan de werklieden toe te kennen, wordt vastgesteld volgens de bepaalde gemiddelde prijzen bij de werken van particulieren: namelijk 2 1/2 tot 3 piasters [2] daags, waaronder niet begrepen zijn de levensmiddelen door de maatschappij in natura te voldoen, ter waarde van 1 piaster.
De werklieden beneden de twaalf jaren ontvangen slechts 1 piaster en het volle bedrag der levensmiddelen.
De levensmiddelen in natura moeten worden uitgedeeld dagelijks, of alle twee of drie dagen vooruit; en in het geval dat men verzekerd is dat de werklieden, die daartoe aanvraag doen, in staat zijn in hun onderhoud te voorzien, wordt het bedrag der levensmiddelen in geldswaarde gegeven.
De betaling in geld geschiedt alle weken.
De maatschappij betaalt echter gedurende de eerste maand slechts de helft, totdat er eene reserve van veertien dagen daggeld is bijeengebracht; daarna wordt het volle daggeld aan de arbeiders uitbetaald.
De maatschappij is belast met de zorg voor het drinkbaar water en voor al de behoeften der werklieden.
Artikel 3. De taak, die aan de werklieden kan worden opgelegd, mag nimmer te boven gaan die, welke is vastgesteld voor de administratie der bruggen en wegen, en is aangenomen voor al de groote werken, die in de laatste jaren zijn uitgevoerd.
Het getal der werklieden wordt vastgesteld in verband met de tijdperken der werkzaamheden, die voor den landbouw gevorderd worden.
Artikel 4. De politie der werkplaatsen wordt uitgeoefend door de officieren en agenten van het gouvernement, onder de orders en volgens de instructien van de hoofdingenieurs, overeenkomstig een reglement, dat aan onze goedkeuring moet worden onderworpen.
Artikel 5. De werklieden, die hunne taak niet hebben vervuld, worden aan eene vermindering van daggeld onderworpen, die niet minder zal zijn dan 1/2 en evenredig aan het minder volbrachte werk. Zij, die zich zonder toestemming van de werken verwijderen, verliezen daardoor de veertien dagen daggeld, die in reserve staan; dit bedrag moet worden gestort in de kas van het hospitaal, waarvan in het volgende artikel gesproken wordt. Zij, die verwarring of oproerigheid veroorzaken in de werkplaatsen, verliezen mede hunne veertien dagen reserve daggelden. Hun wordt daarenboven eene boete opgelegd, die mede in de kas van het hospitaal wordt gestort.
Artikel 6. De maatschappij is verplicht te zorgen voor de huisvesting der werklieden, hetzij in tenten, hetzij in keeten of behoorlijk ingerichte woningen. Zij moet een hospitaal en de noodige ambulances onderhouden, met het geheele personeel en materieel, dat noodig is om de zieken op hare kosten te behandelen.
Artikel 7. De reiskosten der aangenomen werklieden en hunne gezinnen, van de plaats hunner afreis tot aan hunne aankomst op de werkplaatsen, zijn ten laste van de maatschappij.
Ieder ziek arbeider ontvangt in het hospitaal of in de ambulances, behalve de zorgen die zijn toestand vordert, een daggeld van 1 1/2 piaster, gedurende al den tijd dat hij niet kan werken.
Artikel 8. De handwerkslieden, zooals metselaars timmerlieden, steenhouwers, smeden enz. enz. ontvangen een daggeld zooals de regeering gewoon is hun op de werken te betalen, behalve het bedrag der levensmiddelen of de waarde daarvan.
Artikel 9. Wanneer militairen in actieve dienst aan de werken der maatschappij worden gebruikt, moet de maatschappij aan ieder hunner, als verhoogde betaling van het gewone daggeld en onderhoud, eene som betalen gelijk staande met de betaling der gewone werklieden.
Artikel 10. De aardmanden (_couffes_) noodig voor het vervoer der grondspecie en der materialen, alsmede het kruit voor de exploitatie der mijnen, worden aan de maatschappij geleverd van regeringswege, tegen den prijs van aankoop, mits de aanvraag minstens drie maanden te voren is gedaan.
Artikel 11. Onze ingenieurs Linant-Bey en Mougel-Bey, die wij voor de directie en de regeling der werken ter beschikking stellen van de maatschappij, hebben het oppertoezicht over de werklieden, en moeten zich verstaan met den zaakgelastigde administrateur van de maatschappij tot het wegruimen der moeielijkheden, die bij de uitvoering van dit besluit mochten voorkomen.
Gegeven te Alexandrië, den 20_sten_ Juli 1856."
De doorgraving van Suez heeft ook een egyptisch dichter opgewekt zijn hart in zangen lucht te geven. Wij deelen hierbij de vertaling van eenige koupletten mede van een lied door Sheik Refaah-Bey vervaardigd. De dichter is eene ulema of mohammedaansch priester, leeraar bij de moskee El-Azhar. Hij was de beste kweekeling onder de jongelieden, die de egyptische regeering in 1826 naar Frankrijk zond onder de leiding van den waardigen Jomard. Dit lied werd op muziek gesteld en is op last van Z. H. den onderkoning gevoegd bij de vier andere nationale zangen van denzelfden dichter, die door de egyptische troepen worden geleerd en die zij in koor zingen. De fransche vertaling is gemaakt door den heer Perron, aan wien Mohammed Saïd zelf het origineel ter vertaling gegeven heeft.
De zang zelf wordt voorafgegaan door eene soort van inleiding. De gewoonte der Muzelmannen brengt mede, nimmer eenig letterkundig, wetenschappelijk of godsdienstig werk te schrijven, al is het nog zoo eenvoudig of nog zoo kort, zonder het door eene vrome aanroeping of toewijding te doen voorafgaan.
"Land van Egypte, verheug u onder het roemrijke bestuur van uwen Saïd; door hem klimmen wij op tot den top van grootheid; hij overlaadt ons met de weldaden zijner werken.
"Egypte heeft de wereld vervuld met zijne wonderen; het heeft bewonderenswaardige steden geschapen; het heeft getoond wat volksdeugden vermogen; zijne ruïnen verkondigen nog zijne macht.
"Egypte heeft de alleenheersching gegrondvest; het trad daardoor uit de duisternis te voorschijn; het verhief zich boven de sterren; zijne monumenten bevatten de jaarboeken van zijn verleden.
"Eertijds, dit weet men, stortte de Nijl zijne wateren in een lang kanaal; dit was het werk der wetenschap; het voerde die wateren naar de zee van Kolzoum; het werd door ons verzuim weder opgevuld.
"Toen de hemel de macht aan Saïd gaf en het ongeluk vlood, deed God zien, dat het groote kanaal een gemakkelijk werk was, als wij slechts onze spaden in den grond wilden steken.
"Egypte, verhef u en wees fier! men zal het oude kanaal van Omar heropenen; dat grootsche werk, waarvan onze voorvaderen reeds eenmaal de voordeelen genoten, en dat hun tot roem strekte.
"Die landengte, het is een heilige plicht haar te doorboren; de wereld is verontwaardigd haar nog te zien bestaan; haar te doorsteken zal met smarten gepaard gaan, maar dan ook zullen onze smarten voor altoos verdwijnen.
"Dat zag en besliste met een oogopslag Saïd, de vorst onzer eeuw, de prins van het goede; en het kanaal antwoordt hem onbeschroomd: 'Een teeken van u is een bevel voor mij.'
"Zoo werd eenmaal de slagboom, die aan de barbarijsche kusten bestond, in de landengte van Gades door Alexander verbroken; onze geschiedboeken vermelden het.
"De westersche wateren vereenigden zich met de Middellandsche golven; de wijde baghaz van Tarik werd geopend. Hetzelfde werk wordt thans door ons volbracht.
"De liefde van de eene zee voor de andere is als de liefde van de parel voor den boezem der schoonheid. Daar zullen onze schepen als verloofden doorvaren, en zij die wij beminnen zullen onder ons komen.
"De mannen der woestijn, de mannen der beschaafde wereldstreken, door de verleidelijke bekoorlijkheden van deze weldaad aangetrokken, zullen tot ons komen als vruchtbaarmakende regens, en de wonderen hunner nijverheid zullen ons komen liefkozen.
"De geleerden van alle landen zullen ons kunnen bezoeken; de vermaardheden van het vernuft zullen Egypte beminnen. En wanneer wij eenig beroemd man ontmoeten, zullen wij hem trachten te behouden, zoo als wij de visschen in onze netten vangen.