# Suez De Aarde en haar Volken, 1865

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/suez-de-aarde-en-haar-volken-1865-14401/index.md

Nog ééne opmerking. Toen eene rechtstreeksche stoombootdienst tusschen Engeland en Australië tot stand kwam, werd de weg door het Suez-kanaal weder ter sprake gebracht, en meenden sommigen dat de stoombootdienst, zoo zij van het kanaal gebruik maakte, hierbij veel winnen zou. Men berekende dat de absolute afstand van Landsend naar Port-Philipp, via de Kaap, bedroeg 11819 zeemijlen (60 zeemijlen zijn gelijk aan 16 geogr. m.); via Kings-George Land, Diego Garcia, Galle tot Suez, 10348 mijlen: derhalve dat de tweede weg slechts ongeveer 1500 mijlen korter was, en dat de stoombooten, zoo men den spoorweg van Suez naar Alexandrië gebruikte, hare passagiers en brieven binnen vijf-en-veertig dagen naar Engeland konden overbrengen. Andere stoombooten, zooals de Great-Eastern, kunnen echter Port-Philipp in drie- tot zevenendertig dagen bereiken. Nu hebben de verdedigers van het Suez-kanaal de vraag gedaan: waarom de Great-Eastern niet even zoo goed als andere stoombooten van den nieuwen zeeweg gebruik maken kan? Het antwoord is niet moeielijk. Vooreerst moeten alle stoombooten onderweg bij Point de-Galle en Alexandrië kolen innemen, terwijl de Great-Eastern zijne steenkolen voor de heen- en terugreis aan boord heeft. Ten anderen, omdat het Suezkanaal wordt ingericht voor schepen van 11-1500 ton, en niet geschikt is voor schepen van 2700 ton, zooals de Great-Eastern. Ten derde omdat het kanaal slechts acht ned. ellen diepgang heeft, hetgeen ongeveer de helft is van 't geen de Great-Eastern behoeft;--en eindelijk omdat groote stoombooten, vooral van het kaliber van de Great-Eastern, elkander niet in het kanaal kunnen passeeren.

Ziehier eenige kritische beschouwingen over het Suezkanaal, welke wij nog met een groot aantal zouden kunnen vermeerderen:--onder anderen met de opmerking dat de vaart door de Roode zee, wegens hare ondragelijke hitte, voor de gezondheid zeer nadeelig is, en sterfgevallen op de stoompaketten veelvuldig zijn; de bengaalsche matrozen schuwen de Roode zee als de pest, en laten zich hoogst zelden tweemaal achtereen voor die vaart aanwerven, zoodat èn handgeld èn loon zeer duur zijn.--Maar uit een en ander hebben onze lezers reeds genoeg kunnen opmaken wat er voor en tegen de doorgraving van Suez te zeggen valt. Dat Frankrijk, Italië, Rusland, Turkije, Spanje (vooral het oostelijk gedeelte) en nog anderen vóór de doorgraving zijn, en met klimmende verwachting de voltooiing van dat reuzenwerk te gemoet zien, kunnen wij gereedelijk billijken, zoowel uit hunne politieke als handelsbelangen; maar wij voor ons scharen ons aan de zijde van hen, die volhouden dat de Oceaan de drager van den wereldhandel moet blijven, en de weg door het Suez-kanaal alleen voor kleinere schepen, met geringere vrachten, voor stoombooten en pakketdienst, voor kustvaarders enz. eenig voordeel kan afwerpen: een voordeel, waarvan de onderneming zelve zeker de minste winst zal wegdragen.

Thans zullen wij eens zien hoe het met den tegenwoordigen stand van het kanaal is.

V

De tegenwoordige toestand van het kanaal.

Om de werken der doorgraving van de landengte goed te kunnen nagaan, zullen wij den weg inslaan, die gewoonlijk door alle bezoekers wordt gevolgd. Daartoe moeten wij ons begeven naar Zagazig (zie bladz. 73). Om te Zagazig te komen, maakt men gebruik van den spoorweg die van Alexandrië naar Kaïro gaat. Even voorbij de stad Benha, aan gene zijde van den Nijl, loopt een zijweg noord-oostwaarts naar Zagazig, welke plaats het uitgangspunt der reizigers is, die van dit gedeelte des lands de landengte willen bezoeken. Twee rivieren vereenigen zich te Zagazig. De eene loopt noordwaarts naar de zee en het meer Menzaleh, en geeft voedsel aan verschillende andere wateren. De tweede vloeit samen met een kanaal ten oosten van de stad gelegen en loopt uit in een kanaal van zoet water, dat de _Compania_--dus wordt de internationale commissie genoemd--heeft laten graven. Dit kanaal heeft een tweeledig doel. Vooreerst kan men langs dien weg al de materialen en den levensvoorraad voor de arbeiders ter plaatse van de doorgraving brengen, te meer daar het kanaal vlak langs het meer Timsah loopt; ten andere dient het ter besproeiing der landerijen. Bij het meer Timsah, en wel ten westen daarvan, neemt het zoetwater-kanaal eene zuid-oostelijke richting, en loopt verder langs de Bittere-meren naar Suez, waardoor deze stad eene groote weldaad ontvangen zal.

Zagazig kan niet meer genoemd worden dan een dorp, en is gelijk alle egyptische dorpen een tamelijk onregelmatige verzameling van hutten, uit gedroogde klei gebouwd. Van verre gezien, heeft het geheel wel iets van de woningen der bevers, zooals men die veelvuldig in Amerika aantreft. Toch is Zagazig gedurende de laatste jaren zeer verbeterd; vooral aan de zijde van het zoetwater-kanaal vindt men goede huizen, uit groote steenklompen vrij ruw samengesteld, en eene stevig gebouwde brug. Men treedt Zagazig binnen door eene gewelfde poort zonder deuren; maar daar er in het stadje niets merkwaardigs te zien is, haast men zich om het kanaal te bereiken, waar eene boot en verscheidene barken gereed liggen, die de reizigers verder zullen brengen. Ofschoon deze booten en barken volstrekt niets gemeens hebben, wat hunne inrichting betreft, met onze oud-hollandsche trekschuiten, wordt men toch onwillekeurig aan deze laatste vaartuigen herinnerd. Deze booten namelijk worden voortgetrokken, niet door een oud paard, maar door een kameel, en soms, als de lading te zwaar is, door twee van die dieren, die altijd in een kleinen draf voortgaan en bestuurd worden door een Arabier, die op eentonige wijze langs den weg eenige verzen uit den Koran opdreunt.

Het kanaal bevat zeer zuiver water en is ongeveer vijftien ellen breed. De beide oevers bieden een levendig schouwspel aan, daar zij als bedekt zijn met fellahs (arbeiders), die de onderkoning van Egypte geleverd heeft en die door de Compania bezoldigd worden. Gewoonlijk bedraagt het aantal werklieden, die gedurig op dit punt van het kanaal bezig zijn, 1530 man, die van maand tot maand afgewisseld worden.

De Compania bezit te Boelak bij Kaïro groote magazijnen, die vroeger, onder de regeering van Mehemed-Ali, gediend hebben als polytechnische school. Thans bevatten de groote zalen van dat uitgestrekte gebouw allerlei levensmiddelen, rijst, gedroogde groenten en beschuit, bestemd voor het onderhoud der fellahs. Deze eetwaren worden hun tot zeer billijken prijs verstrekt, zoodat zij, tot hun taak is afgeloopen, na aftrek van alle kosten, nog ruim zestig piasters ontvangen. Deze goede maatregelen van voorzorg hebben bewerkt dat de fellahs gaarne aan den arbeid gingen. In het eerst kostte het wel veel moeite om hen aan orde en werkzaamheid te gewennen, vooral dezulken, die uit Opper-Egypte kwamen en bekend stonden als zeer domme en onhandelbare wezens. Meermalen is het zelfs gebeurd, dat er een oproer onder hen ontstond en zij aan het muiten sloegen, omdat zij in den waan verkeerden, dat de internationale commissie hen wel liet werken, maar hun geen geld gaf. Zoo gebeurde het eens, dat eenigen, meenende hier in deze wildernis van alle gezag bevrijd te zijn, plotseling hun werk staakten en den weg insloegen naar de woestijn. Dit kwam ter oore van den heer de Lesseps. Oogenblikkelijk snelde hij toe. Maar wat zou hij doen onder een bandeloozen hoop, zonder den steun van het openbaar gezag, en als Christen door den Mohamedaan met minachting aangezien? Geweld gebruiken kon en mocht hij niet. Hij koos de wijste partij, en elke opwelling van toorn bedwingende, trad hij op de voornaamste raddraaiers toe en zeide: "Gij wilt heengaan?.... zeer goed, ik zal ook geene moeite doen u te weerhouden. Maar luistert liever naar een goeden raad. De pasja heeft een scherp oog en een langen arm. Gij zijt niet mij, maar hem ongehoorzaam. Hij zal u dadelijk doen achtervolgen en omsingelen, en ik verzeker u, dat als gij eenmaal in zijne handen zijt, gij er niet gemakkelijk uit ontkomt." Hij kruiste de armen en keerde hun den rug toe. De Arabieren begonnen in te zien dat hij gelijk had, en verzochten om vergiffenis, terwijl zij daarna weder gedwee aan hun werk gingen. Weldra bereikt men de grenzen van een terrein, dat aan de Compania in eigendom behoort, en niet minder dan tienduizend bunders beslaat. Dit is eene zeer vruchtbare streek, alzoo geworden door de besproeiingen van het kanaal.

Het terrein ligt als het ware beklemd tusschen twee woestijnen, en kan inderdaad reeds als eene liefelijke vrucht van de onderneming beschouwd worden. Deze oasis bevindt zich aan den ingang van het dal Gozen: ten minste men houdt het er voor, dat hier de Israëlieten gewoond hebben, tijdens, naar het bijbelsche verhaal, Jozef, de zoon van Jakob, onderkoning was. Bij deze plaats aangekomen, wordt, ter verlichting der trekkende kameelen, een zeil aan de boot bevestigd, en nu glijdt het vaartuig met snelheid tusschen de welbebouwde akkers door. Overal is de lage katoenboom aangeplant, welks witte bloemvlokken als sneeuw uitgebreid liggen op het zwarte Nijlslib. Koren, gerst en rijst treft men er veelvuldig aan, terwijl de maïs zijne goudgele en gevulde stengels boven de velden verheft. Hier en daar prijkt een groep dadelboomen, die tegen het onbewolkte blauw des hemels scherp afsteken.

Het eerste rustpunt op deze reis is de woning van den hoofdopzichter, het voornaamste gebouw van de Compania, het kasteel van Tell-el-Keber, zooals dit genoemd wordt (zie bladz. 80). Men verlaat hier de boot, en volgt westwaarts eenen weg, die aan de eene zijde door velden, en aan den anderen kant door eenen tuinmuur omzoomd wordt, boven welken zich de kronen van palmen verheffen. Weldra bereikt men het kasteel: een zeer hecht gebouw van geen onaanzienlijk voorkomen. Het werd door Mehemed-Ali in 1823 opgericht en heeft twee verdiepingen met een terras en een overdekt balkon. Van hier uit heeft men een verrukkelijk gezicht over den omtrek. De zon--en eene egyptische zon is onvergelijkelijk schoon--verdwijnt achter de bergen, die zich langs de oevers der Roode zee verheffen. Hare stralen verlichten de rotsen, dompelen ze in een vuurgloed, en geven aan de grootsche gevaarten het voorkomen van een vulkaan. Recht voor u uit is de horizon geheel met een groen tapijt bedekt; rijke velden en golvende akkers ziet men allerwegen. Rechts, namelijk ten zuiden, strekt zich de woestijn tot aan den gezichteinder uit, en schijnt daar met den hemel samen te vloeien. Onder u ligt de tuin van het kasteel, een klein paradijs. De tuinen van Damiate, in al hunne oostersche pracht, de rijk beladen perken van Kaïro, voorzien van de zeldzaamste bloemen, omgeven van marmeren baden: zij zijn schier niets in vergelijking van den schoonen hof, die Tell-el-Keber aan eene zijde insluit.

Doch de reiziger mag zich hier niet lang ophouden: na eenen rustigen nacht in deze woning doorgebracht te hebben, vertrekt hij zeer vroegtijdig des morgens, om tegen elf uur te Rameses aan te komen. De beide kameelen worden weder voorgespannen, en de boot glijdt zachtkens over het water. Van lieverlede verdwijnen de welige velden, en ten laatste vaart men midden door de woestijn. Men is gekomen in de waterlooze vlakten, in uitgedroogde duinen en onvruchtbare valleien, waar het oog te vergeefs zoekt naar een boom, eene plant of een grashalm. Zoo ver de blik reiken kan, ziet men niets dan eene heuvelachtige vlakte, bedekt door eene dikke laag van donker geel zand, waarin het moeielijk is te loopen. De eenzaamheid in deze woeste streek maakt den mensch droefgeestig. Nergens ziet men een pad, dat naar een gebaanden weg gelijkt; en iemand, die genoodzaakt was zonder kompas door deze streek te trekken, zou gewis weken achtereen dwalen, en wellicht op hetzelfde punt terugkeeren, vanwaar hij uitgegaan was. Nogtans, als men zoo rustig in de boot zit, verzekerd zijnde, dat men ergens behouden aanlandt, heeft ook het eentonige van deze streek geenszins dat vervelende, dat men b.v. op eene uitgestrekte heide ondervindt. Het vreemde dat den toeschouwer van alle kanten omringt, heeft zijn eigene aantrekkelijkheid.

De Compania is reeds bezig met het ontginnen van deze onvruchtbare vlakte: hier en daar ziet men langs de boorden van het kanaal eenige mannen aan het werk, om kleine slooten te graven, welke dwars door de woestijn getrokken worden. Nog maar weinig tijds, en deze zandzee zal in een lusthof herschapen worden, waar duizende gelukkige menschen dak en voedsel kunnen vinden. De Bedoeïnen en Arabieren zijn niet zulk een traag volk als men dikwijls denkt. Er zijn verscheidene stammen, die van den arbeid hunner handen leven, en niet, zooals velen hunner stamgenooten, een nomadisch leven leiden. Toen de arbeid der doorgraving zooverre gevorderd was, dat kanalen en grachten de woestijn doorsneden hadden, deden zich verscheidene Bedoeïnen op, die na bekomen verlof, stukken gronds aankochten, akkers aanlegden, pachthoeven bouwden, en thans een grooten handel in vee en vruchten drijven. Men treft deze arabische pachters overal aan; met bewondering aanschouwt de vreemdeling die fijne gelaatstrekken, die donkere oogen, waaruit trots en zelfgevoel u tegenstraalt. Een jaar geleden, toen zich de heer Lesseps in deze streek eenigen tijd ophield, werd tot hem eene deputatie uit de landbouwers gezonden, om hem hunnen dank te betuigen, niet alleen voor de grootsche onderneming, waaraan hij arbeidde, maar vooral voor den zegen, dien hij nu reeds om zich heen verspreid had.

Maar wij moeten voort naar Timsah. Deze streek is niet van gedenkwaardige herinneringen ontbloot, vooral als men de bijbelsche oorkonden ter hand neemt, die ons verzekeren dat hier eenmaal trotsche steden hebben gebloeid: onder anderen Rameses, van welke stad niets meer overgebleven is dan eenige steenklompen en geschonden monumenten. Toch moet zij in Mozes' tijd zeer luisterrijk geweest zijn; de overlevering zegt dat de groote wetgever en profeet der Israëlieten hier het volk van Israël verzamelde, om het aan de heerschappij van Egypte te ontrukken en met hen naar Kanaän te trekken. Men ziet te Rameses, op eenigen afstand van de legerplaats der werklieden, het standbeeld van den egyptischen monarch, die zijnen naam aan de stad gegeven heeft. Hij is voorgesteld, zittende tusschen twee beelden van graniet, en heeft beter de verwoesting der tijden kunnen doorstaan dan de stad zelve.

Nog altijd volgen wij het zoetwater-kanaal, en zijn bijna in het centrum van de landengte aangekomen. Men moet dit gedeelte der aarde doorreisd hebben om zich een denkbeeld te kunnen maken van de buitengewone doorschijnendheid der lucht, zoodat men voorwerpen, op groote afstanden gelegen, en die men in Europa op zulk eene verwijdering niet zou kunnen zien, hier met het bloote oog gemakkelijk waarneemt. Zelfs schijnt het den reiziger toe, alsof de voorwerpen nog vergroot worden, en menigmaal ziet men aan den horizon een Bedoeïne, op zijnen drommedaris gezeten, terwijl ruiter en dier zich als reuzen voordoen. De bergen van Djebel-Géneffe, die boven Suez zich verheffen, en die van den reiziger minstens zestig nederlandsche mijlen verwijderd zijn, vertoonen zich als slechts op duizend pas. Die onbewegelijkheid, die stilte, die eenzaamheid, door geen enkelen vogel, en zelfs bij dag niet door een enkel insect gestoord:--zij hebben hunne eigene, zij het dan ook sombere majesteit, die een onvergetelijken indruk maakt. In waarheid: de woestijn is een graf, een rijk des doods.

Maar hoe anders wordt het tooneel, naarmate men Timsah hadert. Er komt leven in dit veld des doods. Op een zeker punt wordt aan de verwijderde opzichters een teeken gegeven dat daar reizigers in aantocht zijn: en naarmate er zich onder dezen hooggeplaatste personen bevinden, is ook hunne ontvangst geregeld. De voornaamste agenten der Compania, de ingenieurs, de geneesheeren en de opzichters snellen toe, vergezeld van opgetuigde paarden en gezadelde kameelen, en bewijzen steeds de meeste hoffelijkheid.

Zijn wij thans aan het meer Timsah aangekomen? Te vergeefs ziet het oog uit naar iets, dat daarop gelijkt. Niets dan duinen, en hier en daar zandvlakten. Men verlaat de boot, om de reis verder te paard of op een kameel af te leggen. Een rit op een drommedaris is voor een ruiter, die hieraan niet gewend is, juist niet eene aangename uitspanning. De wonderlijke beweging, nu eens voor-, en dan weder achterwaarts, welke dit dier bij het draven aanneemt, berokkent hem pijn in al de leden, en haalt hem eene ongesteldheid op den hals, die men kameelziekte noemt en die zeer veel van de dusgenaamde zeeziekte heeft. Honderd malen schijnt het den ruiter toe als of hij in het zand geworpen zal worden, en dit zou ook gebeuren, zoo hij zich niet met beide armen van tijd tot tijd om den langen hals van het lastdier vastklemde. Zoo gaat de reis voort, totdat men een der hooge duinen bestijgt en dichtbij een kanaal ziet, dat vijf en twintig ellen breed is en in regelmatige glooiing tot vijf ellen diepte afdaalt. Zoo ver het oog reikt, kan men den loop van dit kanaal volgen, en aan beide oevers ziet men de inlandsche gravers aan het werk.

Op dit punt zijn twaalfduizend man aan den arbeid, ploegsgewijze, op afstanden van eenige ellen verdeeld. Sommigen hanteeren het houweel aan den voet der glooiing, om de beddingen van het kanaal te verwijden. De op deze wijze verkregen aarde wordt gestort in rieten manden, die men _couffes_ noemt, en die van hand tot hand gaan tot boven op de kruin der glooiing. Het kanaal loopt zuidwaarts; men is er reeds ver mee gevorderd. Nog slechts eenige schuddingen van den drommedaris, en de reiziger bereikt de oevers van het meer Timsah, waar de Compania eene stad heeft gebouwd, Ismaïlia genaamd, ter eere van Ismaïl-pasja.

Hier eerst krijgt men een overzicht, hoewel slechts op kleine schaal, van den omvang dezer grootsche onderneming. Men moet een mierenhoop gezien hebben, om zich eene voorstelling te kunnen maken van de bedrijvigheid die hier heerscht. Duizende menschen dalen en stijgen langs de glooiing, beladen met gevulde of ledige manden. Alles gaat met de grootste orde gepaard, en men staat verrast dat al die inlandsche werklieden hier aan slechts eenige Europeanen gehoorzamen.

Als het bij avond gebeurt dat eene karavaan Timsah bereikt, dan wordt zij gemeenlijk begroet met brandende fakkels, door sommige werklieden in de hand gehouden. Deze fakkels zijn ijzeren pieken, welke van boven een soort van koker dragen door traliewerk omgeven, en waarin men eenige deelen van harsachtig hout heeft doen ontbranden.

Aan den oever van het meer Timsah genaderd, wacht den aanzienlijken reiziger eene aangename verrassing: deze namelijk, dat hij den rug van zijn kameel verlaat voor een rijtuig, bespannen met drommedarissen: een vervoermiddel van eene geheel nieuwe uitvinding. Men kan het noemen half omnibus en half cabriolet, met wielen, waarvan de velgen zoo breed zijn als die onzer grootste karren. Twee drommedarissen zijn aan den dissel bevestigd, en drie anderen maken het voorspan uit (zie bladz. 80). Een soort van voorrijder, niet minder dan een arabische sheik, op een vrij vluggen drommedaris gezeten, geeft de richting aan voor de kameelen, op wier rug de jockeys met gebronsde aangezichten zitten. Deze wagen, die aan de Compania toebehoort, heeft niet alleen een elegant voorkomen, maar biedt ook den reiziger alle mogelijke zekerheid aan.

Op die wijze komt men eindelijk aan de oude legerplaats van Timsah, de tegenwoordige stad Ismaïlia. Men kan daar naar verkiezing zijn intrek nemen onder de tenten van de internationale commissie, of in een van de goed gebouwde nieuwe huizen. De stad is nog in hare wording en ligt aan den oostelijken oever van het meer. Hoofdzakelijk wordt zij nu nog bewoond door de ingenieurs, schrijvers, opzichters en administrateurs van de Compania; maar de tijd is niet meer veraf, dat Ismaïlia eene der voornaamste stapelplaatsen voor den handel langs het groote zeekanaal zal worden. Immers nu reeds is het verbonden met de Middellandsche zee, die hare wateren in het meer uitstort; en men behoeft geene sterke verbeelding te hebben om zich voor te stellen hoe eerstdaags langs de oevers van het meer, dokken en scheepswerven zullen verrijzen, terwijl eene onafzienbare vloot binnen hare waterkom zal havenen. Deze kaaien zullen dan bevolkt worden door eene talrijke menigte, gedreven door de instinctmatige zucht naar welvaart; oostersche bazars en westersche winkels zullen de schatten van Indië en Europa tentoonspreiden; spoorlijnen zullen de stad doorkruisen, en weldra zal de geschiedschrijver kunnen getuigen: Memphis is uit het zand herrezen.

De karavaan houdt zich gewoonlijk niet lang hier op, maar zet haren tocht voort naar de doorgraving bij El-Guisr, waarvan Ismaïlia zes nederlandsche mijlen verwijderd is. Daar scheept men zich gewoonlijk in naar de Middellandsche zee, omdat men te Timsah nog niet de noodige maatregelen voor aankomst en vertrek heeft kunnen nemen. Wij willen dezen weg volgen, en van verre een blik werpen op Toessoem, zuidwaarts van Timsah gelogen; eene plaats, gedenkwaardig omdat aldaar de eerste werklieden van de groote onderneming post hebben gevat. Waarlijk, zij hadden daar geen schoon vooruitzicht, omringd als zij waren van gevaren en allerlei moeilijkheden; en menigmaal moesten de arbeiders, die te Toessoem aan het werk waren, het geweer in de eene en het houweel in de andere hand houden. Zij hebben zich er moedig gedragen, en dit eerste aanvangspunt gesteld onder de bescherming van een naam, den onderkoning boven andere dierbaar, namelijk onder dien van zijnen zoon Toessoem. Toen de internationale commissie er eindelijk in slaagde alle moeielijkheden te overwinnen en de meeste vooroordeelen te boven te komen, werd Toessoem eene gedenkzuil van de noeste vlijt en de volharding der werklieden. Thans heeft dit vlek haar hospitaal, hare magazijnen, hare bakkerij, en benevens nette huizen ook haar observatorium, vanwaar men een schoon vergezicht geniet. Toussoem is ook nog op eene andere wijze merkwaardig. Er heeft hier in den omtrek een marabout (turksche heilige) gewoond, die door de Arabieren zeer vereerd werd en bekend is onder den naam van Sheik-Ennedech. De nomadische stammen maken van tijd tot tijd een pelgrimstocht herwaarts, om hunnen eerbied te bewijzen aan dezen heilige, die onder de gewelven van het gebouw begraven ligt. De Compania, die vooral alles doen moest om de verschillende volksstammen van dezen omtrek tot vrienden te maken, heeft het monument, dat dreigde ineen te storten, weder doen herstellen, de muren in orde gebracht, en de roode en witte lijsten, welke het versierden, doen opschilderen.

Niet ver van dit mausoleum rust het oog op andere gedenkteekenen van de broosheid des menschelijken levens. Eenige kruisen, hier en daar op de heuvelen en langs de dalen geplaatst, wijzen de plek aan, waar de eerste werklieden begraven liggen. Zij behoorden tot de arbeiders, door de Lesseps uit Europa medegebracht; maar niet gewend aan den onveranderlijken hemel en de steeds gloeiende zon, die de landengte bestraalt, en ook niet bestand tegen de vele ontberingen, die hier hun deel waren, bezweken zij ras onder de koude hand des doods; en zoo de christelijke liefde hun dit eenvoudige gedenkteeken niet had opgericht, zou het nageslacht wellicht verzuimen om zich al de opofferingen te herinneren, welke deze eerste arbeiders zich moesten getroosten.

