Suez De Aarde en haar Volken, 1865
Part 2
"Wij maakten ook eenige wandelingen in den omtrek, onder anderen naar het eiland Rhoda, dat tusschen Oud-Kaïro en Giseh, dicht bij den linkeroever van den Nijl, ligt. De overlevering zegt, dat op deze plaats de egyptische prinses Mozes in zijn biezen mandje gevonden heeft. Op dit eiland, vol tuinen en lusthuizen, bevindt zich de merkwaardige Nilometer, waar men de hoogte van het water der egyptische rivier meten kan. Deze Nilometer bestaat uit eene achtzijdige zuil, die loodrecht ter hoogte van vijftig voet boven eenen met den Nijl in gemeenschap staanden gemetselden bak is opgericht, en waarop het peil staat ingebeiteld. Het water komt thans 8 1/4 voet hooger dan in vroegere tijden.
"Toen wij het uitstapje naar Giseh maakten, moesten wij den Nijl over. Maar gij kunt u geen denkbeeld maken van de heerlijke natuur, die hier heerscht. Hoewel wij in December zijn, groeien langs de oevers allerlei heerlijke planten en meest alle groenten, welke wij in den zomer eten. De boomen, en vooral de schoone kassie (_cassia fistulosa_) hangen vol bloemen en kransen. Het vlas bedekt met zijn zacht en liefelijk groen geheele velden, en de tarwe is zoo hoog als bij ons in Mei. Akkers vol erwten en boonen, en langs de oevers het suikerriet, ademen ons de liefelijkste geuren te gemoet. In de maand Maart zijn de velden wit om te oogsten, maar in het begin van April begint men eerst met het inzamelen der vruchten. Later wordt het zeer heet en het klimaat ongezond. Daarom is het dan ook voor een Europeaan niet goed in den zomertijd naar Egypte te reizen, wijl de drukkende hitte en de gloeiende winden niet alleen koortsen, maar zelfs de pest doen ontstaan, die voor eenige jaren in Kaïro ruim 80,000 menschen ten grave sleepte.
"Te Giseh vindt men de piramiden van Cheops, Chephren en Mykerina. De piramide van Cheops, die ongeveer 460 rijnlandsche voeten hoog is, vergunt u een blik te slaan over het geheele Nijldal tot ver in Opper-Egypte. Westwaarts ziet men de kale bergen van de lybische woestijn met hare roode zandvlakte. Oostwaarts heeft men het arabische gebergte, en aan den voet Kaïro, met zijne torens en minarets. Langs den Nijl liggen eene menigte dorpen, en duidelijk zagen wij de puinhoopen der oude koningsstad Memphis. De menschen, welke beneden ons waren, geleken niet grooter te zijn dan mieren."
Kaïro is het eldorado der slangenbezweerders. "Ik zag," zoo verhaalt een reiziger, "een groep, in wier midden een man stond, wiens lichaam geheel met slangen van allerlei grootte en van de gevaarlijkste soort bedekt was; hij droeg ze als halsband, als gordel, als armbanden, kortom overal aan armen, beenen, ja overal waar maar plaats was--hij geleek een ware Laokoon. Het eenige onderscheid tusschen hem en dezen mythologischen leider was, dat de dieren aan zijne stem gehoorzaamden, en in eene zeer goede verstandhouding met hem leefden: hij was een slangenbezweerder, _psyllus._ Nog leven in Egypte eenige psylli, de laatste nakomelingen van een bijna uitgestorven volksstam. Hunne zeden en gewoonten zijn niet zonder eigenaardige bijzonderheden: om de trouw der vrouwen te beproeven, plachten zij de pas geboren kinderen aan de wreedste slangen bloot te stellen, omdat, zoo als zij geloofden, de in overspel verwekte kinderen door deze kruipende dieren opgezocht werden; men verzekert, dat de reuk van het lichaam der psylli voor de slangen een doodelijk vergift is. Zij worden voor bekwame slangenbezweerders gehouden, en beweren, dat een man, in wiens aderen niet het reine bloed van hunnen stam vloeit, hunne kunsten niet kan nabootsen. Men ontmoet hen dikwijls in de straten van Kaïro; zij zijn licht gekleed, hebben deze dieren om armen en hals gewonden, en dragen groote lederen zakken, waarin zij die slangen bergen die zij uit de huizen verdrijven. Zij maken eene afzonderlijke kaste uit, en erkennen een opperhoofd, dat volgens zijne bewering van den grootten scheik Reyfaschye afstamt. Slangen komen in Egypte in menigte voor, en daar schier alle wanden der huizen slechts uit gedroogd leem bestaan, kunnen zij er gemakkelijk in doordringen. Wil men een huis van deze gevaarlijke gasten zuiveren, dan roept men een psyllus; de met eene roede gewapende bezweerder bezoekt de vertrekken, spuwt op den grond, en spreekt de navolgende woorden: "Ik bezweer u bij God te verschijnen; ik beveel het u bij de geweldigste macht; als gij gehoorzaam zijt, zoo verschijn; zijt gij ongehoorzaam, dan zult gij sterven--ja, dan zult gij sterven." Weldra ziet men dan een slang uit de eene of andere scheur van den muur te voorschijn komen, of uit den grond kruipen. Natuurlijk houdt men dit alles voor kwakzalverij; maar men heeft tot nu toe de middelen niet kunnen ontdekken, die zij inderdaad aanwenden; men vermoedt, dat zij zulke dieren bij zich verborgen hebben, om ze in donkere kamers te werpen, waar zij ze dan ook weder gemakkelijk kunnen vinden. Ik weet niet, of men aan de macht van den psyllus gelooven mag; ook weet ik niet, of deze menschen inderdaad de kracht bezitten, de slangen tot zich te lokken en te overmeesteren, zoo als er menschen zijn, die door hunnen blik de verscheurende dieren weten te temmen."
Een van de schoonste pleinen der stad is de Esbëkiëh, eene wandelplaats waarvan de _beau monde_ van Kaïro een dagelijksch gebruikt maakt, en waar men dan ook een in deze streken zoo zeldzaam, aangenaam lommer vinden kan. Deze altijd groene en steeds door de waterdragers frisch gehouden wandelplaats, met een prachtig hotel voor reizigers, zou zelfs eene groote europeesche hoofdstad niet ontsieren. Verscheidene openbare bronnen in de stad zijn zeer bezienswaardig, als voorbeelden van fraaien oosterschen stijl. Die van Toussoum en Ismaël-Pasja verdienen in het bijzonder daaronder vermeld te worden. De honden zijn hier een ware plaag voor den vreemdeling, die niet aan hun gehuil gewend is. Hun getal is legio; zij hebben meestal geen meester, en leven in hunne eigene kwartieren, waarvan zij de grenzen niet overschrijden. In de zeldzame gevallen dat dit gebeurt, heeft de overtreder een harden kamp te strijden, want hij wordt dadelijk met woede door de wettige bewoners van het kwartier aangevallen en spoedig naar het zijne teruggejaagd, terwijl menige hond zijn uitstap met den dood bekoopen moet.
Van Kaïro, of liever van hare voorstad Boulak, welke aan gene zijde van den Nijl ligt, vertrekt men met de spoor naar Suez. De weg gaat dwars door de woestijn en telt slechts drie stations. Belangrijke kunstwerken komen er niet voor, want er worden weinig landen gevonden zoo gemakkelijk voor den aanleg van spoorwegen als Egypte. De lengte van den geheelen spoorweg is honderd-zes-en-dertig nederlandsche mijlen. De stoelen der spoorstaven zijn van gegoten ijzer, eene soort van ijzeren potten, die omgekeerd onmiddellijk op de baan worden gelegd. De arbeid tot het leggen dezer potten geschiedt door een los raam, dat voorzien is van lichte, van plaatijzer gemaakte vormen, en dat telkens vooruit gelegd wordt, waardoor de zandheuveltjes gevormd worden, waarop de stoelen juist passen. De spoorstaven worden met wiggen op de stoelen vastgemaakt, en de stoelen zijn met ijzeren staven aan elkander bevestigd, ten einde de evenwijdigheid van den weg te bewaren. De arbeid tot het leggen van het spoor gaat zeer geregeld en is zeer doelmatig. Hout wordt er aan dezen spoorweg niet gebruikt. Aan eene bekleeding van de baan door graszoden of andere begroeiing kan voor het grootste deel der lengte niet worden gedacht, en er moeten andere middelen aangewend worden om de verstuivingen te voorkomen.
Eene reis per spoor, vooral als zij een halven dag duurt, is in deze eeuw, waarin men zich nauwelijks tijd gunt om adem te halen, voor den reiziger zeer vervelend. Dit is ook het geval op den weg van Kaïro naar Suez, die voor het grootste gedeelte niets aanbiedt dan hemel en zand. Hoe meer men echter de stad nadert, des te afwisselender wordt het tooneel. Vooral het gebergte Awebet, dat zuidwaarts van het tweede station zich verheft, brengt bij den passagier aangename indrukken te weeg. Wanneer men dit gebergte voorbij gestoomd is, ziet men diep in het zuiden het gebergte Attakah, welks bijna loodrechte wanden door de golven der Roode zee bespoeld worden. Heeft men deze bergen in het gezicht, dan kromt zich de weg, die eerst oostwaarts liep, naar het zuiden en spoedig ziet men de haven van Suez voor zich liggen.
Voor dat wij echter de stad binnentreden, achten wij het noodig den lezer met den man bekend te maken, wiens naam in de laatste jaren aan dien van Suez en het kanaal zoo nauw verbonden is. Wij bedoelen den heer Ferdinand de Lesseps (Zie bladz. 76). Deze onvermoeide ontwerper en bevorderaar van de doorgraving der landengte van Suez werd in 1805 te Versailles geboren. In 1825 betrad hij de diplomatieke loopbaan, als attaché bij het fransche consulaat-generaal te Lissabon. De minister de la Ferronays bezigde hem in 1827 en 1828 bij de afdeeling handel van het ministerie van buitenlandsche zaken, en benoemde hem den 12 October van het laatstgenoemde jaar tot consul-leerling en later tot attaché bij het consulaat-generaal te Tunis. Eenige maanden na de verovering van Algiers droeg de maarschalk Clauzel hem eene zending op, die in verband stond met eene poging om de provincie Constantine tot eene vreedzame onderwerping te bewegen. In 1831 begaf hij zich voor de eerste maal naar Egypte, waar hij verscheidene jaren bij het consulaat werkzaam was en aanhoudend in rang steeg. Van Kaïro moest hij zich meermalen naar Alexandrië begeven, om daar voor den franschen consul-generaal op te treden. Dit was ook het geval gedurende de vreeselijke pest, die Alexandrië in 1834 en 1835 teisterde en bijna het derde gedeelte der bevolking wegrukte. Uit aanmerking van de zelfopoffering waarmede de Lesseps bij die gelegenheid de europeesche kooplieden ten dienst had gestaan, schonk Lodewijk Philips hem het kruis van het legioen van eer. In 1836 moest hij, gedurende de gewichtige staatkundige gebeurtenissen, den post van consul-generaal en van politiek agent waarnemen. Hij maakte van de bezetting van Syrië door Ibrahim-pasja gebruik om meer uitbreiding te geven aan het recht van bescherming over de Katholieken in den Levant, waarop Frankrijk aanspraak maakte, en hield zich tegelijkertijd bezig met pogingen om eene betere verstandhouding tusschen den Sultan en Mehemed-Ali tot stand te brengen.
Na om redenen van gezondheid een verlof verzocht te hebben, aanvaardde hij in Juli 1838 het fransche consulaat te Rotterdam. Reeds een jaar later echter vertrok hij als vertegenwoordiger van den franschen handelsstand naar Malaga, waar hij bijzondere studie maakte van den toestand der spaansche partijen, zoodat hij in de gelegenheid was daaromtrent te Parijs menigen nuttigen wenk te geven. Toen Catalonië het middenpunt der oppositie begon te worden, werd hij naar Barcelona verplaatst. In Mei 1842 kwam hij aldaar aan. In November volgde het bombardement, dat de in opstand geraakte stad weder tot onderwerping moest brengen; gedurende die gebeurtenissen bevond de Lesseps zich in een moeielijken toestand als agent eener mogendheid, wier vijandige gezindheid jegens Espartero geen geheim was. Hij nam zulke goede maatregelen voor de veiligheid en de belangen zijner landgenooten, verleende aan zoo vele Spanjaarden, wier leven gevaar liep, eene schuilplaats op de fransche oorlogsschepen, en deed zulke met goed gevolg bekroonde stappen om den toorn des overwinnaars van Barcelona af te wenden, dat hij in deze treurige dagen eene zeer belangrijke en zeer schoone rol speelde. Vele mogendheden beloonden hem met onderscheidingen. Lodewijk Philips had hem het legioen van eer geschonken; de Koningen van Nederland, Sardinië, Napels en Zweden zonden hem ridderorden; andere mogendheden bedankten hem langs diplomatieken weg voor den bijstand, dien hij aan hare onderdanen verleend had; en eene der eerste handelingen van Koningin Isabella, na hare aanvaarding der regeering, was zijne benoeming tot kommandeur eerste klasse der orde van Karel III. De kamer van koophandel te Marseille zond hem een zeer vleiend adres, de Franschen te Barcelona lieten eene medaille te zijner eere slaan, en de kamer van koophandel aldaar plaatste zijn borstbeeld in hare vergaderzaal.
Als consul-generaal van Frankrijk, bleef de Lesseps tot aan de Februari-revolutie te Barcelona vertoeven. De voorloopige regeering ontbood hem per telegraaf naar Parijs, om verslag te doen aangaande den toestand van Spanje. Vervolgens werd hij als fransch gezant naar Madrid gezonden, alwaar hij een postverdrag sloot, waarbij de briefporten aanzienlijk verminderd werden. Versierd met het grootkruis van Isabella la Catolica, verliet hij den 10_den_ Februari 1849 de spaansche hoofdstad, alwaar hij door prins Napoleon Joseph Bonaparte vervangen werd. Men had de ambassade te Bern voor hem bestemd, doch tengevolge van de voorgenomen expeditie der Franschen naar Rome werd hem een andere werkkring aangewezen. Hij werd namelijk belast met eene zending aan het romeinsche driemanschap, die schijnbaar in een verzoenenden geest moest zijn; doch de val der romeinsche republiek was onherroepelijk besloten, en de onderhandelingen, waarmede hij belast werd, moesten slechts dienen om tegenover de fransche nationale vergadering den schijn te bewaren. Hij was niet in het geheim genomen, en handelde dus met het eerlijke doel, om zonder bloedvergieten eene goede verstandhouding tusschen de fransche en de romeinsche republiek tot stand te brengen. Men liet hem maar begaan, totdat generaal Oudinot de noodige versterking ontvangen had, waarop de Lesseps werd teruggeroepen. Toen hij vernam hoe zeer hij bedrogen was geworden, vroeg hij zijn pensioen, en rechtvaardigde zijn gedrag in eene memorie aan den raad van state. Sinds dat oogenblik heeft hij zich uitsluitend bezig gehouden met de verwezenlijking van zijn geliefkoosd plan: de doorgraving der landengte van Suez.
III
Suez en het kanaal.
Suez was twintig jaren geleden slechts een ellendig stadje, eigenlijk niet meer dan een dorp. Heden ten dage gelijkt het meer op eene stad, welke van jaar tot jaar in grootte en bloei toeneemt. De Peninsular en de Engelsch-Indische compagnie hebben daar hare kantoren, en tweemaal per maand komen daar de pakketbooten uit Indië en Australië aan. De compagnie _des messageries impériales de France_ organiseert ook eene maildienst, en laat aan de zeekust dokken bouwen, welke door een spoorweg met de stad zullen verbonden worden.
De vroeger zoo onbeduidende haven neemt tegenwoordig elken dag in belangrijkheid toe; het is een vreemd en tevens verblijdend gezicht, al die verschillende booten, barken en groote schepen over de Roode zee de golf van Suez te zien naderen. Oorlogs- en koopvaardijschepen zijn, zelfs op 3000 ellen van de kust, in volkomen zekerheid. Visschersbooten en kustvaarders der Roode zee, welke nog geheel den bouw en het voorkomen der oude galeien hebben, vertoonen hunne zonderlinge vormen nevens die der hedendaagsche schepen en stoombooten. De haven wordt ten westen en ten oosten begrensd door de aziatische en afrikaansche bergketenen. De schoonheid van het klimaat de prachtige kleuren van lucht en zee, de handelsbeweging en de verscheidenheid der kleederdrachten, dit alles werkt samen, om aan de stad en de haven een belangwekkend voorkomen te geven. De nauwe gangen en de armoedige hutten verdwijnen gaandeweg en maken plaats voor nette huizen, goed ingerichte hotels en aanzienlijke woningen. Alles duidt aan dat Suez eene belangrijke toekomst te gemoet gaat: en inderdaad kan men zeggen dat er aan den ingang der woestijn eene nieuwe stad wordt gebouwd, welke niet alleen twee werelddeelen aaneensluiten, maar ook verschillende volkeren, door verschillende belangen gedreven, aan elkander verbinden zal.
Eén ding echter ontbreekt aan Suez, dat haar tot nog toe weerhoudt eene aanzienlijke stad te worden. Er is namelijk geen drinkbaar water. In geheel Suez en in den omtrek vindt men geen enkelen boom, geen enkel struikgewas, geen enkele bloem, zelfs geen grasscheutje, hoe gering ook. Er zijn menschen in de stad, die niet eens weten wat een bosch is, en die zich zelfs niet kunnen voorstellen dat in andere landen de velden met een groen tapijt bekleed zijn. Honderden bewoners hebben nooit een boom gezien; de oorzaak van deze treurige dorheid ligt in het bijna volkomen gemis van regen, die hier eene ware zeldzaamheid is. De inwoners moesten vroeger hun drinkwater uit twee verschillende werelddeelen halen: hetzij uit Syrië, aan den ingang der woestijn, op drie uren afstands van de stad, uit de zoogenaamde putten van Mozes; of uit Kaïro, van waar het in lederen zakken op de markt tegen hoogen prijs verkocht werd. Die lederen zakken werden op zeer eenvoudige wijze tot gebruik geschikt gemaakt. Men slachtte eene geit, droogde de huid vier-en-twintig uren in de zon, naaide alle openingen dicht, behalve die van den hals, en gebruikte ze zoo als waterflesch. De spoorweg tusschen Kaïro en Suez heeft echter hierin eene groote verbetering gebracht: eenige malen in de week vertrekt thans een afzonderlijke watertrein naar Suez, waar de prijs van een gewone kan Nijlwater gelijk staat met dien van een flesch wijn.
Doch alzoo zal het niet lang blijven. Men heeft een zoetwater-kanaal gegraven, dat reeds tot op korten afstand van de stad genaderd is. Dan zullen niet alleen menschen en dieren verkwikt worden, maar Suez en de geheele omstreek zullen een gansch ander voorkomen verkrijgen. Boschjes en tuinen zullen worden aangelegd en binnen weinige jaren zal Suez misschien Kaïro in schoonheid en groote overtreffen.
Dit zijn reeds de eerste vruchten van het grootsche werk van den heer de Lesseps. Moge hij nog lang genoeg leven om den vollen oogst te aanschouwen, die gewis volgen zal.
Merkwaardige gebouwen treft men uit den aard der zaak in Suez niet aan. Het eenige wat men daar den reiziger toont, is de plaats van het oude Clisma, waar nog overblijfselen van eene kade worden gevonden, en waar men u de kamer wijst, in welke Napoleon, toen hij zich in December 1798 te Suez bevond, gewoond heeft.
Geen reiziger, die Suez bezoekt, verzuimt de gelegenheid om een tochtje over de Roode Zee te maken en een bezoek te brengen aan de bronnen, welke nog steeds naar Mozes worden genoemd. Reeds de oevers der Roode zee zijn voor den Westerling zeer merkwaardig. Men vindt aan het strand de schoonste en fraaiste schelpen, welke voor iederen deskundige groote waarde hebben. De beminnaar van zeldzame natuurschoonheden richte zijne schreden naar de oevers van de Roode zee en late zich in een bootje op hare golven wiegelen. Nergens is het water helderder dan daar. Zelfs op een diepte van dertig vademen kan men duidelijk de kiezelsteentjes en het zuivere witte zand ontdekken. Wel vindt men er geene klompen goud, geene paarlen of andere kostbare zaken, welke men in de diepte der zeeën vermoedt, maar daarentegen de schoonste voorwerpen, die de natuur oplevert. Geheele bosschen van gele en roode koralen, die hare schitterende takken wijd en zijd uitbreiden en aan het water een eigenaardigen tint geven, rijzen uit den schoot der zee op.
Ten einde de reis naar de overzijde der zee gemakkelijk te maken en den reiziger in de gelegenheid te stellen Hin-Moesa te bezichtigen, is er een geregelde stoombootdienst geopend. Men betreedt dan de kust van Azië, en rijdt te paard naar de woning van den franschen consul de Goutin, die daar ter plaatse een zomerhuis gebouwd heeft. Ain-Moesa, aan welke de overlevering den naam van putten van Mozes gegeven heeft, is een liefelijk plekje te midden der woestijn. Hier groeien, aan den voet eens heuvels, verscheidene palmen, in wier nabijheid zich zeven bronnen of vijvers bevinden. De meesten zijn echter uitgedroogd, één levert nog slechts drinkbaar water. De heer de Goutin heeft hier een kleinen tuin met bloemen en groenten aangelegd, waarvan het onderhoud hem echter veel geld kost. De eigenaar van dit zomerverblijf heeft veel te lijden van de zwervende Bedoeïnen, die soms des nachts het huis binnendringen en alles medenemen wat hun aanstaat.
Suez is ook nog bekend wegens de eigenaardige inrichting der dusgenaamde turksche baden. Zulk een bad wordt, zooals de heer Conrad verhaalt, op de volgende wijze gebruikt. Nadat men een groot vertrek, aan de eene zijde met een breeden divan voorzien, is binnengetreden, worden de schoenen of laarzen uitgedaan, en een paar houten schoenen of blokken aangebracht. Vóór dat men die aantrekt, stapt men van den divan, en kleedt men zich uit. Het goed wordt nu, door een der bedienden in een doek gewikkeld, nedergelegd. Uitgekleed zijnde, krijgt men een doek om de lendenen, een tweeden om den hals, en nog een gekleurden doek als shawl. Dan worden de houten blokken aangedaan, en door een bediende geleid, gaat men door eenige smalle gangen naar een ander groot koepelvormig vertrek waar men eenige oogenblikken vertoeft. Daarna begeeft men zich naar een derde vertrek, mede koepelvormig, waar in het midden eene groote steenen badkuip staat, gevuld met warm water. De vloer van dit vertrek is van steen. Naast de kuip wordt nu een groot kleed gespreid, waarop men gaat liggen, onder het hoofd een natten doek hebbende.
Men ligt op den rug, en nu worden de armen en beenen heen en weder gebogen en gerukt, dat zij kraken. Borst en ledematen worden daardoor ontspannen, en dan wordt het geheele lichaam met een ruigen handschoen met warm water gewreven. Nadat dit gedaan is, komt men in het tweede vertrek terug, alwaar men in een bad van lauw water stapt en ongeveer tien minuten daarin blijft. Daaruit komende, gaat men in een afzonderlijk hokje op een steenen paal zitten, en wordt nu nog eens van boven tot onderen met zeep ingewreven en afgeschrobd. Eindelijk wordt men met bakjes warm en bijna koud water weder afgespoeld, en daarmede is de operatie afgeloopen.
Nu krijgt men een schoonen drogen doek om de lendenen, en een anderen als shawl, mitgaders een witten tulband op het hoofd. Daarna gaat men terug naar de eerste zaal, om op den divan te liggen en op te drogen. In dien tusschentijd komt er een jongen, om de voetzolen met een ruwen steen af te wrijven: eene ondragelijke bewerking, die alleen door Turken is uit te staan. Dan worden koffie en pijpen aangeboden, en blijft men een goed half uur uitrusten, wat ook inderdaad hoog noodig is. De geheele badkuur duurt bijna twee uren. Zij is hier te lande, waar men meestal niet veel uitvoert, eene gewichtige bezigheid.
Naar onze schatting heeft dus een turksch bad niets aanlokkelijks; men komt met geknakte ledematen en een afgescheurd vel, en dikwijls nog met springend gedierte, te huis.
Wie de stichter van Suez geweest is, schijnt niet bekend te zijn. Hij, die het eerst op de gedachte is gekomen, om zich op deze plek te vestigen, was zeker een handelaar, die voordeel wilde trekken van het vervoer der goederen, welke van Mekka en Aden uit Arabië naar Egypte moesten verzonden worden. Hoe onherbergzaam het oord ook was, waar zich deze eerste handelaar nederzette, toch heeft hij de noodzakelijkheid en de profijtelijkheid van de vestiging op zulk een punt goed ingezien. En hij bedroog zich niet, want Suez is het naaste station van de Roode zee tot Kaïro, en de handel van die plaats langs de Roode zee zou niet kunnen bestaan, zonder dat men te Suez eene nederzetting had; aan deze noodzakelijkheid is de stad ook alleen haar behoud verschuldigd.
Wanneer men tegenwoordig van Suez spreekt, dan voegt men er gewoonlijk het kanaal in zijne gedachten bij. Inderdaad, Suez en het kanaal behooren even goed bij elkander als Konstantinopel en het serail, Rome en de Paus. Scheidt men dezen van elkander, dan ontstaat er eene leegte, welke door iets anders moet aangevuld worden. Maar nu Suez een kanaal heeft, willen wij de geschiedenis van dat kanaal onderzoeken, de eerste ontwerpen mededeelen, en dan de verschillende oordeelvellingen over die reusachtige onderneming aan onze lezers bekend maken.
IV