# Suez De Aarde en haar Volken, 1865

## Part 1

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/suez-de-aarde-en-haar-volken-1865-14401/index.md

SUEZ.

I

Inleiding.

De wereldgeschiedenis is een ontzaggelijk drama, waarin de volken voor en na als spelers optreden, om een rol te vervullen, waarvan de eigenlijke beteekenis hun zelven meestal verborgen blijft. Hebben zij aan deze bestemming beantwoord, de hun toebedeelde rol in het drama afgespeeld, dan treden zij af, en anderen nemen hunne plaats in. En met hen verzinken de aloude zetels hunner heerlijkheid en macht in puin en vergetelheid; en met de nieuwe natiën verrijzen nieuwe wereldsteden, voor wier glans de luister der oude metropolen verbleekt. Ninive en Babylon, Thebe en Memphis, Carthago en Tyrus: waar zijn zij, en wat is er overgebleven van al de pracht en heerlijkheid, die eenmaal de bewondering der gansche beschaafde wereld opwekte, en eeuwen lang geen mededinger kende? Athene en Rome, tuigen ze mede niet door hare ruïnen van vervlogen grootheid en macht, al heeft de laatste haar rang als wereldstad tot heden weten te bewaren, als metropolis van een rijk, grooter en machtiger en onverwinlijker, dan immer dat der Caesars was? Jeruzalem zit eenzaam en als eene weduwe in rouwgewaad, eerwaardig en heilig door de herinneringen, voor immer aan hare muren verbonden, nog altijd hopende op eene toekomst, die hare verstrooide kinderen weder tot haar vergaderen zal; maar wat is zij in dezen tijd?

Deze allen zijn voorbijgegaan, deze allen en zoo vele anderen nog. En in hare plaats zijn andere steden gekomen, wier namen somwijlen nog voor weinige jaren ternauwernood genoemd werden, en op wie nu toch de aandacht der gansche wereld gevestigd is. In Amerika verrijzen telken dage nieuwe steden, en winnen zich door haar handel een alom bekenden naam: ook in het verre Oosten, in Australië, vormen zich nieuwe staten en maatschappijen, wier toekomstige rol in de historie zich nog niet gissen laat.

Doch somwijlen gebeurt het, dat de oude verlaten middelpunten van leven en verkeer weder uit den doodslaap ontwaken, en dat de stroom der beschaving zijne oude bedding weder opzoekt. Is dit lot ook weggelegd voor Egypte en westelijk Azië? Zal de overoude handelsweg tusschen Europa en Indië, sinds eeuwen verlaten, weder geopend worden? Die vragen laten zich nog niet met zekerheid beantwoorden: toch is op dit oogenblik de aandacht der geheele beschaafde wereld gevestigd op die smalle strook lands, die Azië en Afrika verbindt, en die eerlang een doorgang zal moeten openen voor het kanaal, dat van de Middellandsche een weg naar de Roode zee moet openen. [1] Het onberekenbaar groote belang van dit werk is ongetwijfeld de beste aanbeveling voor hetgeen wij wenschen mede te deelen aangaande het tot dusver bijna onbekende stadje Suez, waarvan de naam nu op aller lippen zweeft, en waaraan zich zulke groote verwachtingen hechten. Naar Suez alzoo willen wij onze schreden richten.

II

Hoe komt men te Suez?

De beantwoording van deze vraag is zoo eenvoudig niet als misschien menigeen denkt. Wel hebben de meeste lezers den naam van Suez hooren noemen of van de landengte van Suez hooren spreken, maar wij gelooven toch, dat meer dan éen verlegen zou staan, als hij eens oogenblikkelijk genoodzaakt werd van een zeker punt Europa, b. v. Parijs, de reisroute naar en de ligging van Suez nauwkeurig aan te geven. Om hem echter uit die verlegenheid te redden, willen wij eerst aanduiden waar Suez ligt, en dan de reis derwaarts maken. Als men de wereldkaart voor zich legt, dan ziet men dat deze in twee groote halfronden is verdeeld en wel in een westelijk en oostelijk halfrond. Zoo men nu den blik richt op het oostelijk halfrond, dan treft men daar onder anderen de beide werelddeelen Afrika en Azië aan, die op zeker punt, waar Syrië en Egypte elkander raken, door eens smalle strook lands verbonden zijn: het is nu naar dit punt dat wij den lezer verzoeken zijne blikken te richten. Die landengte verbindt wel Azië aan Afrika, maar scheidt tevens de Middellandsche van de Roode zee af, en is dus een hinderpaal voor de reizigers, die zich met een schip langs den kortst mogelijken weg naar Indië willen begeven. Aan den noordelijken zoom van deze landengte, aan de Middellandsche zee alzoo, ligt Port Saïd (zie blz. 101 en 104, de haven van Saïd); aan den zuidelijken oever, alzoo aan de Roode-zee, ligt de stad Suez. Naar deze laatste plaats nu willen wij de reis ondernemen. Men kan, van Parijs uit, als het punt dat wij straks aangaven, de reis maken per spoor tot aan Triëst, waar alsdan stoombooten gereed liggen, welke de passagiers naar Alexandrië in Egypte overbrengen, en van waar men vervolgens de reis per spoor naar Suez voortzet. Ons dunkt het beste een andere weg te kiezen, en wel van Parijs per spoor naar Marseille, en vandaar per stoomboot naar Alexandrië.

Gewoonlijk kiezen de reizigers een der (westersche) wintermaanden uit tot het aanvaarden van een tocht naar het Oosten, omdat men des zomers, of ook wel bij den aanvang van den herfst, te veel van de hitte te lijden heeft; en wijl de maand November als zoodanig de geschiktste tijd is, schepen wij ons dan te Marseille op de stoomboot in, koers wendende naar Sicilië en Messina. De kust van Sicilië, ten minste die langs de straat van Messina, biedt zeer veel verscheidenheid aan, hoewel het voorkomen een weinig woest is. Zij is de wieg en zal waarschijnlijk eenmaal het graf zijn van den vuurspuwenden berg de Etna, welke weleer door de ouden werd aangezien voor de werkplaats der Cyclopen, die in de spelonken van dat gebergte de bliksems smeedden voor Jupiter. Alles, land en zee, berg en dal, is hier vervuld met mythologische en historische herinneringen, die wij echter stilzwijgend voorbijgaan, omdat wij nu in het heden en niet meer in het prachtige verleden leven. Weldra krijgt de reiziger de grieksche kust in het gezicht; de boot stoomt kaap Matapan, het zuidelijkste punt van Europa, voorbij, en nadert het eiland Cerigo, behoorende tot de groep der Jonische eilanden. Cerigo, oudtijds Cythere genoemd, was weleer het paradijs van Venus, waar tempels en standbeelden ter eere dier godin waren opgericht. Als Cythere was wat thans Cerigo is, dan hebben de aanbidders dezer ontrouwe gade van Vulkanus, naar ons oordeel, eene slechte keus gedaan, daar gemeld eiland tamelijk onherbergzaam en onvruchtbaar is, doch misschien is het dit in den loop der tijden geworden.

Het eiland Candia (Creta), zuidelijk van Cerigo gelegen, is niet ver van Cyprus, waar men Europa uit het oog verliest, om na eene reis van ongeveer acht dagen het anker te werpen in de haven van Alexandrië.

Alexandrië, van de haven uit gezien, biedt niets verrassends of boeiends aan. De stad is gebouwd op een vlak terrein en maakt hoegenaamd geen indruk. Links en rechts van de haven staan hooge windmolens, wier eerste in- en oprichting door de soldaten van generaal Kleber werd bewerkstelligd, en die zoo zeer de aandacht van Méhémed-Ali trokken, dat hij hun getal aanmerkelijk deed vergrooten. Zoover het oog slechts reiken kan, ziet men niets dan deze groote vierarmige machines, die ons aan Zaandam zouden doen denken als er zich een andere hemel over Nederland welfde. Alle poëtische illusiën, die de reiziger zich mocht gevormd hebben, verdwijnen bij den aanblik van die prozaische luchtschermers, en zoo er zich niet hier en daar een zuil verhief, of die eentonige huizenrij door minarets werd afgewisseld, men zou waarlijk geheel in zijne verwachting zijn teleurgesteld. Alexandrië is niet meer de stad der Ptolomeën. Deze is verwoest. De tegenwoordige stad, die op de puinhoopen der oude gebouwd is, heeft van hare vroegere pracht niets overgehouden en beantwoordt niet meer aan de gedachte van haren grooten stichter. Alexandrië moest niet alleen eene machtige koopstad zijn, maar ook een middelpunt van beschaving, de zetel van kunsten en wetenschappen, een brandpunt van het grieksche leven; en zij is dit eeuwen lang ook geweest. Het nieuwe Alexandrië is uitsluitend voor den handel ingericht. Te vergeefs zoekt het oog de kolossale gebouwen van het alexandrijnsche tijdperk of van de romeinsche architecten. Zij zijn verdwenen, en heden ten dage vindt men, naast de hutten der armoede, slechts de huizen der kooplieden, geheel naar de fransche bouworde ingericht. De europeesche bevolking der stad schijnt geene behoefte te hebben aan plaatsen van algemeene samenkomst, zoodat men niet eens een schouwburg of een vereenigings-lokaal heeft waar men te zamen komen kan. Zelfs toen Mad_lle_ Rachel eenige jaren geleden de stad bezocht, kon zij er geene voorstelling geven, tot grooten spijt van hare bewonderaars, en moest men zich vergenoegen haar in haar hotel een bezoek te brengen.

Middelerwijl nadert men de aanlegplaats, en moet het schip zich een weg banen tusschen de talrijke vaartuigen, welke in de haven liggen. Bijna alle handeldrijvende natiën zijn hier vertegenwoordigd, en hare vlaggen en winpels wapperen van alle zijden. Na de gewone visitatie ligt het schip eindelijk voor de landingsplaats stil, en wordt de reiziger plotseling bestormd door een twintigtal ezels en een gelijk getal arabische straatjongens, die zich onder oorverdoovend geschreeuw, van de heftigste gebaren vergezeld, op hem werpen. "Klim maar op mijn ezel! Neem den mijnen, hawadji! Mijn ezel is een beste! Ik ben een goede gids," roept de een. "Geloof hem niet, signor, hij heeft een slechten ezel en hij deugt niet voor gids," roept een ander. "Dit is de beste van alle ezels, hawadji! Ik ben alleen een goede geleider!" schreeuwt een derde. Men wordt door ezels en menschen omringd, gedrongen, overschreeuwd, vervolgd, en ten slotte ziet men geen redding uit dien kring van twee- en viervoetige dieren, terwijl men evenmin weet wien men kiezen zal. Eindelijk geeft men zich over aan hem die het hardst schreeuwt: "Beklim mijn ezel maar!" Maar op het oogenblik dat men vast in den zadel denkt te zitten, rolt men in het zand, indien de geleider niet den stijgbeugel aan de andere zijde vasthoudt, want de egyptische stijgbeugels hangen aan riemen, welke niet onder den zadel worden vastgehouden. Soms plaatst een geleider u met geweld op zijn grauwtje, en jaagt u dan, door middel van een krachtigen zweepslag, in een bespottelijken draf naar het hotel. De ezeldrijvers van Alexandrië zijn even rumoerig, even snaaksch en even slim als de straatjongens van Parijs. Zij leggen er zich op toe, zooveel mogelijk engelsche woorden op te zamelen, en maken daarvan een potsierlijke taal op hun eigen hand. Op alles hebben zij een antwoord gereed, en wanneer hun ezel een misstap doet, waardoor gij groot gevaar loopt zandruiter te worden, weten zij behendig uw val te voorkomen, terwijl zij u met een onnoozel gezicht toevoegen: "Een goed ezeltje toch, niet waar? Men zou er geen paard voor verkiezen."--Daar het in deze maand gewoonlijk regent, wordt de indruk, welken men van de stad gekregen heeft, niet gunstiger. De straten, door de zomerdroogte als het ware met stof gemacadamiseerd, gelijken op modderkuilen, en daar de geringere volksklasse zich hieraan reeds gewend heeft, ziet men haar ook gewoonlijk met bloote voeten en naakte knieën door het slijk waden. Men is van oordeel dat deze regenbuien het gevolg zijn van de talrijke bosschen en boschjes, door de Europeanen rondom de stad aangelegd, wijl vroegere reizigers van iets dergelijks niet gewagen.

Het is niet te ontkennen, dat hetgeen men pittoresk noemt, meestal zoo morsig is. In de sombere en stinkende steegjes van Alexandrië vindt men afwisselingen van licht en bruin, waarmede een schilder fortuin zou maken; blinkende zonnestralen verlichten de met rijk beeldwerk overladen oude huizen; hier en daar steken kleederen van schitterende kleuren tegen den modder en het stof af; de breedere straten zijn van de eene naar de andere zijde met gestreepte stoffen overspannen, ten einde de voorbijgangers tegen de zonnestralen te beschutten. Eene gansche bevolking, die nooit de wasschingen schijnt verricht te hebben welke hare wet haar voorschrijft, wandelt rond met een tred, waarvan de statigheid slechts overtroffen wordt door dien der kameelen, die hunne koppen boven de menigte uitsteken. Tooneelen van dezen aard doen wondergoed voor op eene schilderij, die noch de onaangename geuren, noch het stof, noch de honden, noch al het walgelijke ongedierte wedergeeft, waarvan het daar wemelt. Maar de waarheid is anders; wanneer het droog weder is, zinkt men tot de enkels weg in het stof, dat u in de keel, de longen, de oogen, den neus en de ooren dringt; en wanneer het regent, plast men door den modder. Bij droog zoowel als bij nat weder, loopt er door elke straat eene groot of liever een modderpoel, die alle onreinheden opneemt, zoodat het geen wonder is dat de pest nu in deze, dan in gene wijk uitbreekt.

Men vindt in Alexandrië echter zeer nette huizen en goed ingerichte hotels. "De merkwaardigheden in Alexandrië," schrijft de heer F. W. Conrad in zijne reizen naar de landengte van Suez, "die men volstrekt moet zien, zijn de kolom van Pompejus en de naald van Cleopatra. De kolom van Pompejus heb ik verscheidene malen bezocht. De consul-generaal der Nederlanden, de heer S. W. Ruyssenaers, die gedurende ons verblijf in Egypte niet opgehouden heeft ons alle mogelijke oplettendheden te bewijzen, bracht er mij voor de eerste maal. Hij woonde toen niet ver van daar op een allerliefst buitenverblijf. In zijn fraaien tuin werd mij een heerlijke bouquet rozen en andere bloemen gegeven, waarbij ik mij moeielijk kon voorstellen in de maand November te zijn. Dit gaf mij gelegenheid, aan eene dame, die tot onze reisgenooten behoorde, eene kleine oplettendheid te bewijzen.

"De kolom van Pompejus staat op eene hoogte, even buiten de tegenwoordige stadswallen. Zij bestaat uit voetstuk, schaft en kapiteel, waarvan de gezamenlijke hoogte ruim 40 Ned. el bedraagt. De schaft, lang 21 Ned. el, is een goeden stijl; doch voetstuk en kapiteel zijn slechts middelmatig en schijnen uit een ander tijdvak. De omtrek van de schaft is beneden 8.90 el en boven 4.95 el.

"Volgens sommigen wordt op een der steenen van het voetstuk de naam gelezen van Psammeticus II; ik heb dien echter niet kunnen vinden. Verscheidene reizigers hebben er hunne namen, sommigen met reusachtige letters, op geschreven, die het gedenkteeken waarlijk niet verfraaien. Men meent, dat dit gedenkteeken zeer ten onrechte den naam draagt van kolom van Pompejus, dewijl het door Publius, prefect van Egypte, zou zijn opgericht ter eere van Diocletianus, bij gelegenheid der verovering van Alexandrië, 296 jaren na Christus' geboorte.

"De naald van Cleopatra is een obelisk van graniet van Syene. Zij is ongeveer 21 el hoog, de dikte van onderen is 2.28 el.

"Er waren vroeger twee zoodanige obelisken, die te Heliopolis stonden; ze zijn door een van de romeinsche Keizers naar Alexandrië overgebracht. Volgens Champollion vond men er den naam van Thotmosis III op, die 1756 jaar vóór Christus' geboorte regeerde, en op ééne der zijden dien van Ramses of Rameses den Groote, die voor Sesostris gehouden wordt, alsmede dien van Osiris II, den derden opvolger van Ramses den Groote. Een van deze beide obelisken, thans algemeen bekend onder den naam van naald van Cleopatra, is echter slechts staande gebleven.

"Het paleis van den onderkoning te Alexandrië, dat aan de haven gelegen is, heeft een zeer fraai uitzicht op zee; het is half op turksche, half op europeesche wijze gemeubeleerd. Opmerkenswaardig zijn de fraai ingelegde vloeren, vooral in de groote ronde zaal, die zich in het midden van het paleis bevindt. Deze zaal heeft een balkon aan de zijde van de haven, waar de onderkoning dikwijls zit om een zeeluchtje te scheppen en waar Z. H. ons meermalen ontvangen heeft.

"De straten in Alexandrië zijn alle ongeplaveid en in het oudere gedeelte der stad nauw, zoo als in alle oostersche steden. De nieuwere gedeelten en het europeesche kwartier maken daarop uitzondering. Het groote plein op de plaats der consuls is ruim, en de huizen zijn luchtig en geheel europeesch. Het is het beste gedeelte der stad; men vindt daar al de groote hotels, die zeer goed zijn ingericht, en de consulaten van alle natiën, waarvan sommige open trappen op het dak hebben, waar men ver in zee een uitzicht heeft en waarop des Zondags en op feestdagen de vlaggen der verschillende volken waaien.

"De huizen binnen de stad hebben meer het oostersche karakter, met verschillende uitstekken van fijn latwerk, dat er dikwijls schilderachtig uitziet.

"De bevolking en vooral de bazars geven aan den vreemdeling, die in Alexandrië aankomt, voor het eerst eene echt oostersche vertooning. De winkels in de bazars zijn alle klein, onafgesloten, zonder vensters of deuren. De kooplieden zitten op de gewone oostersche wijze met de beenen kruiselings onder zich gevouwen op den vloer, die even boven den beganen grond verheven is, rooken uit hunnen nargilé of chibouk, alles met groote kalmte, en geven zich niet de minste moeite om iets te verkoopen. Wil men iets koopen, dan moet men het hun met moeite afpersen. Men moet altijd bepaald naar het voorwerp vragen dat men koopen wil, want een Turk kan zich geen denkbeeld maken dat men iets zoude willen koopen, dat men niet volstrekt noodig heeft. Van ons flaneeren langs de winkels heeft hij niet het minste denkbeeld.

"Bij het bezoeken van de egyptische autoriteiten wordt men geheel op de turksche wijze ontvangen. Bij ons bezoek aan het hotel van den minister van marine en van den gouverneur der stad, die ons gezamenlijk ontvingen, stonden alle hunne dienaren aan den trap, en wij gingen langs dat talrijke personeel tot in eene groote zaal, waar beide heeren ons ontvingen en wij op den divan bij hen plaats namen.

"De zaal was met matjes belegd en zonder eenige andere meubels dan breede divans langs de wanden. Men bracht ons dadelijk chibouks met amberen mondstukken, waarvan vele met fraaie diamanten ringen omzet waren. De kop van de pijp wordt op een zilveren blad op den grond gelegd. De pijpen worden aangestoken gebracht en met eene sierlijke wending aan den mond gelegd, hetgeen met eene groote juistheid en handigheid geschiedt; daarbij wordt hete koffie zonder melk of suiker aangeboden in kleine fijn porceleinen kopjes, die in fraai gemonteerde bekertjes staan. Vervolgens wordt sorbet, een tweede pijp en een tweede kop koffie aangeboden, waarmede het bezoek dan meestal eindigt."

In plaats van het beroemde museum en de bibliotheek door Ptoloméus Soter gesticht, vindt men hier "_a little circulating library_" (leesbibliotheek), in welke men meest al de werken van Alexandre Dumas, Paul de Koek, Eugène Sue en andere schrijvers vindt, welke boeken door Europeaan en inboorling gretig verslonden worden. Hier is het spreekwoord dus wel van toepassing: andere tijden andere zeden. In gemeld museum van Ptoloméus werd een exemplaar gedeponeerd van elk bekend werk: daar bevond zich, naar men zegt, ook een handschrift van de echte grieksche vertaling van het Oude Testament, welke bekend staat onder den naam van de Septuaginta, die der Zeventigen. Sommigen verhalen dat er gedurende de belegering der stad door Julius Cesar 400,000 deelen van de bibliotheek zijn verloren gegaan, hoewel dit door andere historieschrijvers wordt bestreden.

Het wordt echter tijd dat wij onze reis voortzetten, waartoe wij nu gebruik maken van den spoorweg, die van Alexandrië naar Kaïro loopt. De trein vertrekt tweemaal daags naar laatstgenoemde plaats: des morgens te acht uur en des avonds te vijf. Met het gewone fluiten der lokomotief verlaat de trein het station en spoort langs de boorden van het meer Mareotis. Dit meer was vroeger, onder de heerschappij der Romeinen, bevaarbaar, en ontving zijn toevoer van water uit de rivier den Nijl. Zijne oevers waren bevolkt met welgestelde landlieden, die inzonderheid den wijnbouw beoefenden. Heden ten dage is Mareotis niets meer dan een moeras, verlaten van menschen en bedekt met een korst van zoutachtig schuim. De weg is in den beginne zeer eentonig: slechts hier en daar afgebroken door een dorp te midden van palmboschjes. Karavanen, aangevoerd door Egyptenaars in hunne bevallige kleeding, trekken den smallen weg langs van het spoor. Het eerste station is Kefr-Ayat, waar twintig minuten wordt stilgehouden. Van hier uit wordt de weg bekoorlijk. Onophoudelijk snelt men oasen en dorpen met schitterend witte huizen voorbij. Overal palmen, velden met suikkerriet, arbeiders, ruiters en kameeldrijvers met hunne lastdieren. Hoe jammer dat de menschen hier zoo traag zijn om te arbeiden, want de grond is bij uitstek vruchtbaar. Reeds te Kefr-Ayat wordt men lastig gevallen door eene menigte van bedelaars, die hunne nooit gewasschen handen naar u uitstrekken en u om bakshish (fooi) vragen, en zelfs zoo driest zijn, dat zij den trein naloopen, al is deze ook in beweging. Zij klimmen op de wagens, steken hunne ontbloote armen door de opening waarin de lamp hangt, ontvangen eene kleinigheid, en springen dan met de behendigheid eener kat weder op den weg. Na eene reis van zes uren, ziet men Kaïro voor zich liggen, terwijl de schaduw der drie groote pyramiden zich in reusachtige vormen over het zand der woestijn uitbreidt.

Kaïro mag inderdaad stad der Duizend en een Nacht worden genoemd. Zij is de hoofdstad van Egypte, en het verblijf van den onderkoning. De stad is ongeveer anderhalf uur gaans lang, een uur gaans breed, en telt meer dan 350,000 inwoners Men kan zich geen denkbeeld maken van de drukte en de beweging die hier heerscht, vooral door den spoorweg en het kanaal van Suez. Duizende menschen gaan u in de meest verschillende kleeding voorbij. Muziek, zoowel egyptische als europeesche, klinkt u van alle kanten tegen. Ruim driehonderd moskeeën staan op hare pleinen, en meer dan twintigduizend ezels worden door hunne drijvers door de stad geleid. Ook zagen wij bepakte struisvogels, die als lastdieren door de nauwe straten renden. Kaïro heeft drie voorsteden, Oud-Kaïro, Boelak en Shoebra. In de beide eerstgemelden, die op zich zelve reeds groote steden kunnen genoemd worden, bevinden zich de fabrieken van den onderkoning.

De huizen van Kaïro zijn zeer schilderachtig, vooral door de _moucharabiés,_ eene soort van balkons, voorzien van traliewerk, die de meeste woningen versieren. De moskeeën en winkels zijn in den zuiver arabischen stijl gebouwd. Op eene hoogte, in Oud-Kaïro, staat eene kerk, die voor de oudste Christenkerk in Egypte gehouden en waarin door armenische geestelijken de dienst verricht wordt. "Wij bezochten haar," verhaalt een reiziger, "juist toen een priester bezig was luide zijne gebeden op te zeggen. Hij verhinderde ons niet in het bezichtigen der kerk, en wees ons zelfs, tusschen het bidden door, dat wij ook naar boven in de kerk moesten gaan om haar te bezichtigen. Al biddende, nam hij gaarne eenige geldstukken aan.--Niet ver vandaar bevindt zich een grot, die door de overlevering als de plaats wordt aangewezen, waar Jozef en Maria op hunne vlucht naar Egypte met het Kindeke Jezus hebben gewoond. Hoewel wij er volstrekt geen geloof aan sloegen, hebben wij die grot echter bezichtigd. De eigenlijke (zoogenaamde) woning van Jozef en Maria ligt onder den grond, en is slechts eene duistere spelonk, waar ten minste thans niemand meer zou willen wonen. Boven die spelonk is eene kapel gebouwd, die door koptische priesters bediend wordt. Toen wij de kapel verlieten, werden wij door een zwerm bedelaars omringd, welke van ons bakshish begeerden, en zeker om ons te believen onophoudelijk Sancta Maria! schreeuwden.

"Een goed uur gaans van Kaïro, te Matarich, vindt men de ruïnen van Heliopolis (Zonnestad). Men houdt deze plaats voor het oude On, eene der hoofdsteden van Egypte, waar Jozef met Asnath, de dochter van Potifera, overste dier stad, huwde,

