Stuurman Flink; of, De schipbreuk van "De Vrede"

Part 6

Chapter 64,163 wordsPublic domain

"Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden raad bij mij te hebben," was het antwoord; "maar ik heb er ook al over nagedacht en geloof zelf, dat de kleine Willem geene toereikende bescherming voor u is; of althans zoudt gij hem daar niet voor houden, en dat komt voor uwe bezorgdheid nagenoeg op 't zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet tegen heeft, zal 't het best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden."

"Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?" vroeg de heer Wilson.

"Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou zijn. Er kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, wat er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar, of dat Willem of Juno zal zijn."

"Neem mij mee!" riep Thomas op eens.

"U meenemen, kleine man!" zei Flink lachend; "dan diende ook Juno mee te gaan, om op u te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen; uwe moeder zou verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi brandhout en drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje passen, dat moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno of broer Willem met mij gaan."

"En wien van beiden hadt gij 't liefst, Flink?" vroeg mevrouw Wilson.

"Uw zoon Willem, mevrouw,--hem verreweg 't liefst, als gij hem aan mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat gij misschien zwarigheid zoudt maken."

"Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang zonder Juno behelpen," antwoordde de moeder. "Maar neen, ik heb ongelijk, lieve man," vervolgde zij zich tot haren man wendende, die haar bestraffend aanzag. "Ja, ik heb ongelijk. Ziekte en lijden hebben mij niet alleen zwak en vreesachtig, maar, vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik wil mij daartegen verzetten. Tot hiertoe ben ik u lang tot last en bezwaar geweest, maar dat zal, hoop ik, eerlang beter worden en dan zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. Zoo gij 't beter acht, lieve Wilson, dat gij zelf, in plaats van Willem, met Flink gaat,--ik ben er nu niet meer tegen, 't was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er mij een oogenblik tegen verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede."

"Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw," hernam Flink; "uw wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof mij, ik zou van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij iets kwaads bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van morgen. Ik kon immers ook ziek,--kon door eenig toeval overvallen worden, ik ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, kondt gij mij missen. Dat is alles;--ik zeide 't niet uit eigenbelang."

"Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude vriend," antwoordde mevrouw Wilson; "maar eene moeder is soms al heel dwaas en onverstandig."

"Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts soms al te bezorgd en angstvallig."

"Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald en besloten," besliste de vader ten laatste. "Wat is nu aan de beurt?"

"Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij moeten wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en kruit, eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. Ook zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt ge hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve fleschjes met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen knapzak in elkander naai."

"En wat zal ik doen?" vroeg mijnheer Wilson.

"Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te scherpen. Thomas zal wel draaien. 't Is een sterke, fiksche jongen en frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven." Thomas stond dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond te draaien; maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de oude man echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat ook met de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat daarbij zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust gevoelde om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo dapper weerde en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij was. Zoo dan ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk voort, totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. Vóór het avond werd, waren de bijlen geslepen, de zakken klaar en was alles gereed voor den volgenden morgen.

"Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?" vroeg mevrouw Wilson.

"Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, daar de hitte zoo vroeg nog niet sterk is."

"En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?"

"Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij ons. Als wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we misschien Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, dat het later dan Zaterdagochtend worden zal."

"Goeden nacht, dan--en vaarwel, lieve moeder!" zeide Willem. "Ik zal u morgen vroeg niet meer zien."

"God zegene en behoede u, mijn lief kind!" sprak deze. "Pas toch vooral goed op hem, Flink! En ook gij--goede reis en tot spoedig wederzien!"

De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen, die zij niet kon weerhouden. "Het is nog geheel nieuw voor haar," merkte Flink aan; "als zij er meer aan gewoon is, zal eene korte scheiding haar zoo hard niet meer vallen."

"Dat vertrouw ik ook," antwoordde haar echtgenoot; "maar zij is nu nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking nemende, dat zij tot dusverre zelden langer dan een uur van hare kinderen gescheiden is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij zelfs weet waarheen,--houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij standvastig."

"Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij," erkende Flink; "de angst eener moeder is even natuurlijk als hare liefde. In allen gevalle wil ik, ook indien ik alles wat ik wenschte niet op eenmaal verrichten kan, toch op den bepaalden dag terug zijn en dan later nog eens een reisje doen."

"Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; wees voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!"

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND.

Nog vóór de zon was Flink op en wekte ook Willem uit den slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden elk gerucht, dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken waren reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink, die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het geval van nood had voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, als dit vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.

Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij het kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.

"Nu, reiskameraad," begon Flink en stond stil, toen zij een twintig schreden ver waren, "weet gij ook, op welke wijze wij den terugweg vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij licht verdwalen en er is geen pad, dat ons dan leiden zou."

"Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, toen gij er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die broodkruimels uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch niet vond, omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt."

"Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd had, en wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, zooals de Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen merken. Dit geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een kerfje in de schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, waaraan zij hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar altijd den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant: het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden; ik voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men slechts een kerfje in den bast:--de zwaarte van de bijl doet het bijna alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud dienen."

"Dat is heerlijk bedacht!" riep Willem, en beiden vervolgden nu hun marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op gezette afstanden teekenden.

"Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak," begon Flink weder, "en ik zal dien moeten gebruiken."

"Wat is dat?"

"Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, Willem, het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, maar kan ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op dit oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan."

"Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen wij die schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er gisteren morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen."

"Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe moeder niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik zelf omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of hier water te vinden is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het eiland wat vroeger of later toch verlaten, want men kan wel eenig water verkrijgen door kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig zeewater en zou ons bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het schip hebben wij niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer komt, kunnen wij er ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter dikwijls, dat er ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond zien kan,--men moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade meegebracht."

"Gij denkt toch aan alles, Flink."

"O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. 't Is waar, in onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig is, dan misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog nooit geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn overgelaten. Zij zijn nog nooit in 't geval geweest, dat zij genoodzaakt waren aan zulke dingen te denken; als men echter zijn gansche leven op zee zwalkte, zooals ik--als men schipbreuk heeft geleden en rampen en gevaren van allerlei aard doorgestaan,--als men gedwongen was, uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden, maar ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die zich er in de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt men, is de moeder der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem, want hij scherpt het verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat vele menschen, vooral zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft, met de eenvoudigste middelen tot stand brengen."

"En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?"

"Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij nog vóór het vallen van den donker daar zijn zullen."

"Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?"

"Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit dezelfde richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij den wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs hier in het bosch nog voelen."

"Neen, ik merk niets," verzekerde de knaap, terwijl hij den vinger omhoog hield.

"Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog eens."

Willem bevochtigde zijn vinger met de tong en stak hem nogmaals op. "Ja, nu voel ik het. Maar hoe komt dat?"

"De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor ontstaat koude, en deze is het, die gij voelt."

Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en blaften luid.

"Wat kan dat wezen?" riep Willem.

"Blijf staan, jongen," sprak Flink en spande den haan; "ik zal vooruit gaan en zien." De oude man sloop zachtjes voorwaarts, het geweer voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf der honden verdubbelde, en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar op eenmaal.... al de varkens, die men een paar dagen te voren had laten loopen, voor den dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden achter hen aan.

"Het zijn onze varkens maar, Willem," riep Flink lachend, "Ik had nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon doen schrikken.--Hier, Romulus! Koest, Remus!" vervolgde hij, de honden roepende. "Nu, Willem, daar hebt gij ons eerste avontuur."

"Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen," gaf de knaap lachend ten antwoord. "Evenwel, ik wil wel bekennen, dat ik vrij wat ontsteld was."

"Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het toch mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt weg."

"Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als er gevaar aanwezig is, Flink."

"Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; maar daarom moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. Wij willen nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. Daar mij dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u zult hebben,--denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan gespannen laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en naderhand vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien gebeuren, dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, zoolang gij niet vuren wilt;--dezen raad moet gij altijd in gedachten houden. Nu moet ik eens op het kompas zien, want wij hebben op eens eene veranderde richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg in te slaan.--Ziezoo, nu is alles goed. Vooruit, honden!"

Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen op den grond neer.

"Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun niets dan beschuit."

"Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te drinken geven?"

"Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, en bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, Willem, volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is volkomen toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, des te meer voelt gij dorst."

"Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te eten."

"Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water vinden en onze fleschjes weer vullen kunnen."

"Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot tijd ook eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?"

"Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd nog hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als die het gansche jaar door volop te krijgen ware.--Nu, Willem, willen wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt."

"Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der boomen te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens achter den rug hebben."

"Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus," antwoordde Flink. "Voor zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen kon, moeten wij thans ongeveer halfweg zijn."

De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg.

Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.

"Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo vlak vind, Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te vinden."

"Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler," merkte Willem aan, terwijl hij een boom teekende; "daar is immers wezenlijk een heuvel."

"Des te beter;--wakker voorwaarts!"

De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd met kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van tijd tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid niet langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog bezwaarlijker geworden dan in den beginne.

"Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, Flink?" vroeg hij ten laatste.

"Acht ongeveer, denk ik."

"Niet meer dan acht?"

"Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan twee mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar mij dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top van dezen heuvel gezien."

"Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel weer te zien."

"Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt gij goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen."

Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid: "De zee, Flink! daar is de zee!"

"Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets tegen."

"Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch zouden zien," sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; eindelijk stond hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef staan. Flink stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu hunne oogen op het voor hen uitgebreide landschap.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND.

"O hoe heerlijk!" riep Willem ten laatste: "zeker, hier zou moeder recht gaarne wonen. Ik hield de andere zij van het eiland voor heel lief, maar zij is toch niets bij deze vergeleken."

"Het is hier werkelijk fraai," antwoordde Flink in diepe gedachten.

Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende, hier en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich tot op ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar het in verblindend wit zand overging, door 't welk enkele smalle klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was van eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit schuim. De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee uit en op enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den rand des waters uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op die hoogten genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of schoten van tijd tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met hunne klauwen een van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de zandbanken speelden en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het water opwipten. De kust had de gedaante van een hoefijzer en vormde eene baai, besloten tusschen twee boschachtige landtongen, die zich aan weerszijden ver in zee uitstrekten. De horizon was helder en scherp tegen de zee afgeteekend.

Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links langs den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem.

"Waaraan denkt gij, Flink?" vroeg Willem ten laatste.

"Ik?--Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water moeten omzien."

"Maar waarom zuchttet gij daareven?"

"Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland aan lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is, dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet terstond op het eerste gezicht oordeelen. Eerst willen wij gaan zitten en ons middagmaal houden, dan kunnen wij verder zien. Halt, halt!--voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen bij den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat, zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk wedervinden."

Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en daalde toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich neervlijden en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht was, stonden zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde zich naar de landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding of holte te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. "Hier zijn eenige plekken," zeide hij en wees ze met den vinger aan, "waar het water in den regentijd zijn afloop gehad heeft; wij moeten ze zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe hebben wij morgen tijd genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om onze kleine boot door gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben wij een vreeselijken arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, namelijk, zoo wij al onze bezittingen door het woud aansleepen moesten en dat zou ons weken, zoo niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag de kust goed onderzoeken, Willem, en dan morgen naar zoet water omzien."

"Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme beesten!"

"Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van weg."

"Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen onder het water.--Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het water opschiet."

"Raak haar eens met den vinger aan, Willem," sprak Flink.

Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich oogenblikkelijk.

"Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!"

"Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, meen ik, zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het schelpdieren zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar laat ons nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang door de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog maar één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene slaapplaats opzoeken."

"Maar wat is dat?" riep Willem en wees naar het zand;--"dat ronde, zwarte ding?"

"Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen om dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die zij onder het zand begraven."

"Kunnen wij haar niet vangen?"

"O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral moogt gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar staart en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u heen, dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een der voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer bewegen en blijven stil liggen."

"Laat ons het dan eens met deze hier beproeven."

"Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij het beest toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven zou, zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel doelloos van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad vermaakshalve dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een andermaal, als wij ze noodig hadden, er geen vonden."