Stuurman Flink; of, De schipbreuk van "De Vrede"

Part 26

Chapter 264,132 wordsPublic domain

Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die uit de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen, om het nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes schildpadden bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen zij nog met den kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug, sloten de deur der palissade en legden zich vermoeid ter ruste.

VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE KANO'S ZIJN IN AANTOCHT.

Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.

Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.

Den Maandag daarop zeilden Willem en Flink in de boot naar de kleine haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.

"Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel."

"Dat komt mij ook zoo voor."

"Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven staan. Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot gaan?"

"Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels uitgraven?"

"Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga dadelijk een schop halen,--in de andere tent zal er nog wel een staan."

Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.

De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; 't was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten hebben, als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken.

Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was omgeslagen.

"Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink," merkte Willem aan. "We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug te roeien."

"Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben zal," gaf Flink nadenkend ten antwoord. "Laat ons nu naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;--dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen."

"Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink," zeide Willem; "zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan."

"Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne tot gezelschap heb."

Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het oosten en de lucht was geheel betrokken.

Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.

"Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne punt houdt?" vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen.

"Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk, dat ik iets zie," gaf Flink eindelijk ten antwoord. "Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen."

Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:

"Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn."

"Zeilen?--Wat zeilen, Flink?" vroeg Willem haastig.

"De zeilen der Indiaansche kano's, Willem; ik wist wel, dat die komen zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;--het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen."

"Ja, waarlijk--nu heb ik ze," riep Willem, na den kijker gericht te hebben. "Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig."

"En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem."

"Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers volstrekt niets uitrichten, Flink."

"Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht zijn,--lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met lansen en knotsen gewapend zijn."

"Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,--op die wijze kunnen zij immers in een uur hier zijn."

"O, neen, beste jongen,--niet eens in twee. Hunne kano's zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen."

Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer Wilson bij Flink aan het strand.

"Flink," begon hij, "er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat is er eigenlijk?"

"De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten."

"Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop overblijft?" vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.

"O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,--daarop mogen wij rekenen."

Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.

"Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen zullen hebben!"

"Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnen het tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer gewond wordt."

"Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit strijden kan,--vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden."

"Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.--Maar kom, wij mogen hier niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar ons oude huis, om daar alles vandaan te halen; want het oude huis, zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware 't enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen mondvoorraad."

"Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken."

"Waarom niet, mijnheer? 't Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven."

Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de patronen hadden overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, doodelijk ontsteld zou wezen.

"Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten hadden, lieve man," antwoordde zij. "Zoo komt mij die tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen niet aan moed ontbreekt."

"Er valt mij wezenlijk een steen van het hart," riep mijnheer Wilson, "nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst meer;--maar wij hebben nog veel te doen."

"Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden."

Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.

ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

LANDING DER WILDEN.--EERSTE AANVAL.

Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de kano's hadden, verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te richten, zoo dikwijls hij een vat naar 't blokhuis heengerold had en weer met leege handen terugkwam.

Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar in haar vermogen was, en hielp óf vaten voortrollen óf droeg wat voor haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur hadden zij alles, waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis, gebracht;--de kano's waren nog altijd op een aanmerkelijken afstand van de kust.

"Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen, mijnheer," sprak Flink, "en dan kunnen de riffen hen wellicht vrij wat ophouden. Ik geloof niet, dat ze binnen de twee uren ontscheept zullen zijn. We hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te doen valt. Juno, de kar hier.--Willem, neem den bootshaak,--dan willen we nog gauw eenige schildpadden in het blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af, mijnheer. Als gij dus zoo goed wildet zijn, om de geweren na te zien en klaar te maken, konden wij onderwijl onzen gang gaan."

"Ja, en dan moet gij ze laden," zeide mevrouw Wilson, "en ons wijzen hoe dat gaat. In 't vervolg kunnen Juno en ik dat dan doen, zoodat gij enkel hebt te vuren."

"Dat is een kostelijke inval, mevrouw," hernam Flink; "daarmee kunt gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst bewijzen."

Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis terug.

"Ik kan onze geit nergens vinden, Willem," zeide hij; "maar daar wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij evengoed buiten blijven. Als zij zulke vreeselijke gedaanten, als die wilden, ontdekt, zal zij zeker wel een goed heenkomen zoeken."

De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der omheining opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men hoog genoeg staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren. Mevrouw Wilson had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest, en Juno werd nu ook in dit werk onderricht.

"Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid," zeide de oude stuurman. "Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen omzien en zorgen, dat wij iets te eten krijgen."

"Ikke 't al klaar hebben. Water al koken heelen tijd," berichtte Juno.

Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden Flink, die buiten was en de kano's gadesloeg, in de woonkamer, en gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich verwonderlijk goed staande.

"Deze angstige spanning is 't ergste van alles," sprak zij ten laatste. "Ik wou, dat zij eindelijk toch maar kwamen."

"Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe 't is? In drie minuten ben ik weer bij u."

Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano's thans zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de doorvaart door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op aangehouden en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den uitkijk, maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon.

"Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven."

"Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; 't is het best, dat zij de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik bespieden."

Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid gade. Tien of elf kano's hadden nu hunne bemanning ontscheept; de anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten zich haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren allen beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne wapens bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met een allesbehalve vredelievend opzet gekomen.

In den beginne hadden zij het druk met de kano's op het droge te trekken, en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep er wel een kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had dus tijd, om hen nauwkeurig op te nemen.

"Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te zijn, Flink!" merkte hij aan. "Als zij ons in handen kregen, zouden zij ons zeker allen vermoorden."

"Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste ons dan zooveel niet deren zou."

Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij vasten toon:

"Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu komen zij opzetten, al wat zij loopen kunnen."

"Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer wachten.--Kom jongen kom!"

"Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds achter het landpunt nog een ander schip onder zeil te zien, Flink."

"Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de anderen is afgeraakt. Kom gauw, Willem.--Luister! ze hebben hun krijgsgeschreeuw al aangeheven."

Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die met sterke balken, die van binnen in posten sloten.

"Nu, hier zijn wij veilig genoeg," sprak Flink. "En nu maar moed gehouden en ons dapper geweerd."

Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met ontzetting en angst. 't Was nog maar goed, dat zij de Indianen niet in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien had, want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest.

De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals; de ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf een enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om te ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen bevend al dicht bij hunne moeder.

Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was en niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en betoonde in alles veel moed en bedaardheid.

Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren, zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken en op de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot gesteld. Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op hun post en sloegen de nadering der vijanden gade.

"Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer," zeide Flink; "maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden."

"Daar komen ze," fluisterde Willem. "Zie eens, Flink, is dat niet eene van de vrouwen, die ons in haren kano ontsnapten--zie, die daar met de beide eerste mannen vooraan gaat? Ja, ja, zij is 't, ik ben er zeker van."

"Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze halt.--Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie eens, hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan 't redeneeren gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.--Ik zal vechten tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit; maar ik heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te maken. Ik zal mij dus boven de palissade laten zien. Vallen zij mij aan, dan kan ik met een gerust geweten op hen losbranden."

"Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken."

"Wees gerust, Willem.--Zie, daar komen zij al."

Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten een vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen naar de plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht, dat zij hem ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet oogenblikkelijk had gebukt.

Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder.

"Nu, Willem, maar scherp gemikt!" Doch voordat Willem nog vuren konde, schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank gewassen opperhoofd tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich namelijk volgens afspraak derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien kon, als de wilden zich naar eene andere zijde heen wendden.

Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk de geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en mevrouw Wilson opnieuw laadden.

De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen.

Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen nu den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden, trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood of zieltogend aan de buitenzijde neder.

Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de Indianen, die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk van den strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat adem te scheppen.

"Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig gewonnen," begon Flink. "Wij hebben ons dapper geweerd en vooral gij, Willem, hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg waart gelegd. Ik geloof niet, dat gij uw doel ook maar ééne enkele maal gemist hebt."

"Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?" vroeg mevrouw Wilson.

"O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al 't mogelijke beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve wel bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien, dat zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had doen schrikken."

"Dat geloof ik ook," sprak mijnheer Wilson. "Als de wilden den knal van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij doorgaans geheel verplet en verslagen."

"Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval, weshalve ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij met Europeanen slaags zijn."

"Zijn zij al weg, Flink?" vroeg Willem, die van de hoogte was afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen.

"Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten in een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk is."

"Nu, ik heb een brandenden dorst," zeide Willem. "Juno, breng mij toch gauw eens wat water."

De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met ledige handen en hevig ontsteld terug.

"O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal weg!"

"Wat, al 't water weg?" riepen allen in één adem.

"Niet een sikkepitje meer in de ton is!"

"Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!" riep Flink. "Ook kon ik niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus mogelijk?"

"O, nu ikke 't al wel begrijpen, mevrouw!" riep Juno. "Gij weet wel, wij wasschen voor een dag of drie en toen ikke massa Thomas zenden met kleine emmertje water halen uit de bron. Hij toen zoo gauw weerom komen en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete jongen was en ook vertellen aan mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui geweest, om te loopen naar de bron en al het water tappen uit het vat, en toen vat is leeggeloopen."

"Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno," sprak de moeder.

"Wat moeten wij nu aanvangen?"

"Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken," riep Juno en vloog in huis.

"Dat is een zeer droevig geval, mijnheer," merkte Flink ernstig aan.

Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven, en in 't laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun leven verloren was.

Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de kraan uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon nu weer hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het van zijn leven niet weer doen zou.

"Zijne beloften komen te laat!" zuchtte de vader. "Zoo zullen al onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen dezen aanval door de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en zullen wij ons in 't eind aan onze vijanden moeten overgeven."

"Helaas ja, mijnheer!" zeide Flink. "Wij hebben geen ander vooruitzicht meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en het eiland spoedig verlaten."