Stuurman Flink; of, De schipbreuk van "De Vrede"

Part 17

Chapter 174,062 wordsPublic domain

"Van harte gaarne," antwoordde de oude man; "maar kunt ge mij nog zeggen, waar ik gebleven ben?--Mijn geheugen is niet meer van de beste."

"O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die wilden op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden heb, Graaf Reinet heette."

"Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag aankomen, kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij waren. Wij vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder aan de overheid wenschen uit te leveren.

"Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des lands de overheid was, die te bevelen had,--hetgeen wij weldra ondervonden, dat ten volle waarheid was. "Zonder wapens en munitie zult gij zeker niet wegloopen," vervolgde hij. "Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee maanden nog niet opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben, moet ge daarvoor ook braaf voor mij werken.

"Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best zouden doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets te eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons drieën slapen konden.

"Wij merkten voor 't overige al spoedig, dat wij met een ruw, onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed, maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met het vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis zwaren arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en kwaadaardig. Wanneer hij voor de Hottentotten en de andere slaven, die hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga's voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk vleesch eten."

"Wat is een quagga?"

"Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo fraai als de zebra, 't Is een recht sierlijk dier, maar zijn vleesch is ellendig slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij wilde ons ten laatste, evenals aan de Hottentotten, ook niets anders dan quaggavleesch te eten geven, terwijl hij met zijne familie--want hij had eene vrouw met vijf kinderen--schapen en geitenvleesch in overvloed had, wat werkelijk eene heerlijke kost is.

"Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons beter voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig af, dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme Hottentotten en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende zich daartoe van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden was; en dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken slag tot diep in het vleesch drong.

"Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij kregen elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder tegen ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer verdragen wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit.

"Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne slaven, beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de huid van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne zweep te halen.

"De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want zij waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter zeide tot ons: "Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren. Thans staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt achter het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier, totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden, om te ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij anders doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten zal, gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft."

"Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die op ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten we schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp.

"Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die de geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk liet vallen.

"Nog één slag en ik schiet u voor den kop!" riep Romer. "Ja!" riep ik; "wij zijn nog maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen te doen hebt."

"Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op den boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken lossneed, waarmee Hastings was vastgebonden.

"De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij, terwijl zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings los was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk palen in den grond sloeg, en met de woorden: "Daar schurk! dat hebt ge er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf gaan," sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen.

"De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood was, wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen dadelijk weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te kunnen gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den stal, maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor elk van de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters, stegen op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel begrepen, dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene oostelijke richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij echter een grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen achterlieten, wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg naar het land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd waren, begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht door, en ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden brullen, overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het aanbreken van den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun wat haver voor en legden ons toen zelven neder, om ons met de meegebrachten voorraad te verkwikken."

"Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf Reinet geweest?"

"Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd niet alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter dan te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden."

"Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen zouden. Dat de Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in handen kregen, dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet aan, of zij zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden wij, dat wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons de galg, zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen waren wat te doen.

"Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te trekken en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te wenden.

"Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze paarden aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden wij hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij nacht en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door onze vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons neder en hadden een langen, vasten slaap.

"Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven hun andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te staan. Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden en waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te houden en den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen noemden zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam en zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als vrienden behandelde.

"We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor den geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door, waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in den rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde, zonder ons verder te verontrusten.

"Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons onderhoud: soms eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half antilope), of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in menigte ontmoetten.

"Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven onze paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de kust; want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een woest volk, de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken, als wij in hunne handen vielen.

"Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen zouden. Als echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een bepaald plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en bezwaren, waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste hielden wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij waren dat eeuwige zwerven nu hartelijk moe. Wat wij het allermeest vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons zoo gruwelijk mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat hij zich daar volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en dat hij de verantwoordelijkheid geheel op zich nam.

"Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer verblijd waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot een geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de zeekust bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden.

"En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk, dat ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder hadden aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras begroeide vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een hert, dat hij gedood had, verslond.

"Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was, verschrikte zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier afschoot; dit was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken hadden, altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten, als wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat men zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en rukte hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den grond neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit, terwijl het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook ons aan te vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan, doch onze paarden ontrukten ons aan het gevaar, en wij konden hen in hunnen loop niet eer tot staan brengen, voordat wij voor het minst een half uur van de plaats verwijderd waren.

"Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen en het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte alsof hem dat in 't geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij ver genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar Romer was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven: de eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld.

"Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad te begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en keerden het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide wel een vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen enkel woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten.

"Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden hadden niet langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden wij hun raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk ongeluk, dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig en goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden.

"Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den wijden oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden vriend ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar ondervonden spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper landwaarts in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren 's nachts voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal te verlaten.

"Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te trekken en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een struisvogel ontmoetten.

"Hastings maakte er met zijn paard jacht op, maar tevergeefs, want de struis kon veel harder loopen dan het paard. Ik bleef achter en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest van den vogel, met dertien groote eieren daarin.

"Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid en buiten adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee van de eieren, 't geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop namen wij nog vier eieren mede en braken weder op.

"Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende door te staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in het oog en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte krijtrotsen van Engeland vóór ons hadden gehad. In de hoop van nog vóór den nacht in onze oude gevangenis gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven wij onze paarden aan, doch toen wij de baai naderden, zagen wij van de schepen op de reede de Engelsche vlag waaien.

"Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten wij echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk een blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk voorstellen. Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk aan bij de hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde onze geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan boord van zijn eigen schip opnam.

"En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het 't best zijn, dat we allen ons bed opzoeken."

NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN.

Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk werk te doen was, namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen de vischlijnen op, om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het weder was bijzonder fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche lucht te genieten, die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was.

Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat, naar 't scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan 't visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn vader:

"Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele bewoond,--is 't niet vader?"

"O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet. Althans heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een waarvan wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben."

"Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze zeeën?"

"Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders zijn in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en Australië behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer laag standpunt,--waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds. Ik geloof, dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het menschelijk geslacht."

"Met uw verlof, mijnheer," viel Flink hem in de rede, "maar ik heb die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te kennen, dat wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch nog meer overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens van mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op 't eerste gezicht voor beesten en niet voor menschelijke wezens."

"Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?"

"Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van Bengalen.--Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker vallen te Port Cornwallis,--eene zoo kostelijke haven, dat de gansche Engelsche vloot er wel in schuilen kon,--en den volgenden morgen ontdekten we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het dichtst op het strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze kijkers in de hand,--want we waren nog wel een paar mijlen van den wal af,--en toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij eindelijk, dat het werkelijk menschen waren."

"Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?"

"Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik een soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische Compagnie had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die eilanden achter te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De man vertelde mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die waren niet meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze hadden geene kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of hutten, om in te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en takken op elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze weer."

"Hadden zij ook wapens?"

"Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo ellendig en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee dooden konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper doorgedrongen."

"Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels der Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen, die zij toen opgebracht hadden?"

"Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten niets, spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen langer had vastgehouden."

"Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan, vader?"

"Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het algemeen, dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt werden, namelijk door lieden, die in booten en kano's de hooge zee op waren gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in zekerheid brachten."

"Ja, ja," zeide Flink, "zoo zal het waarschijnlijk wel geweest zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een slavenschip, dat negers aan boord had en gedurende een typhon op de kust schipbreuk leed, bevolkt zijn geworden."

"Een typhon, wat is dat, Flink?"

"Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in Indië doorgaans bij het omslaan der passaatwinden."

"Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat zijn dat weer?"

"Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig uit ééne hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen, om juist in eene tegenovergestelde richting voort te waaien."

"Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen armen kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde spreken?"

"Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij waaien alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er van, en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het oosten naar het westen."

"Is het misschien de zon, die deze winden veroorzaakt?"

"Ja, mijn jongen," antwoordde de vader. "De groote hitte in de keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de passaatwinden daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht in de plaats der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken dat bij een groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats vindt. Op gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden in de keerkringsstreken."

"Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel," nam Flink het woord: "en de passaatwinden veroorzaken ook den zoogenaamden golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan gedurig den loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het westen waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en dringen deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van Amerika wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten hooger is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan. Deze opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben, en zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit de Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika voortstroomen, zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van Newfoundland voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden van de Azoren of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel herinneren, op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de kaart gezien te hebben."

"De golfstroom," voegde de heer Wilson er bij, "is altijd eenige graden warmer, dan de zee over het geheel, en de reden daarvan moet wezen, dat het water in de Golf van Mexico door de ongewone zonnehitte, die daar heerscht, meer dan andere plaatsen verwarmd wordt. Men herkent dien stroom aan het zeegras, dat hij op de oppervlakte van het water met zich voert."

"Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en zeewinden in West-Indië en andere heete landen?"

"Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den dag eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop de landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt."

"En dan zijn er," zeide Flink, "in de nabuurschap van de passaatstreken enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is en menig schip al weken achtereen in de windstilte moest blijven liggen. Dat is telkens eene ware ramp voor de manschap, want het water aan boord wordt dan doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk van de hitte te lijden. Men noemt die breedten de paardebreedten--waarom, dat weet ik zelf niet recht; ik denk haast, omdat men paarden, als men die aan boord heeft en zulk eene windstilte invalt, natuurlijk het eerste opoffert, als er gebrek aan water komt. Doch 't wordt tijd, dat wij opbreken, en ook Willem mag nu wel weer stilletjes in huis gaan."

Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus voort:

"Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het admiraalsschip gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap opgenomen werd. Vier jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien tijd van haven tot haven, van land tot land, totdat ik een stevige flink uit de kluiten gewasschen knaap werd en als matroos in den bezaansmast geplaatst werd.