Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 11

Chapter 113,512 wordsPublic domain

Audreselles, Aringzele, Tramezele. De eerste dezer namen is verfranscht in zijnen hedendaagschen vorm. Is hij oorspronkelijk Ouderzele (Ter ouder Zele, woonstede bij de oude zale of halle) geweest? Dus de zelfde naam die nog eigen is aan het dorp Oudezele in Fransch-Vlaanderen, en aan het stadje Oldenzaal (ook Oldenzeel genoemd) in Twente? Waarschijnlijk wel.—Aringzele is weêr een oorbeeldig Germaansche naam, bestaande uit een patronymicon, met het bekende woord zele daar achter, dat zoo menigvuldig aan Vlaamsche plaatsnamen eigen is. De mansnaam, die aan dit patronymicon ten grondslag ligt komt als Ara en Aro, en in samengestelde vormen als de mansnamen Arafrid en Aragis, en de vrouwennamen Arohildis en Arolinda in oude geschriften voor. Ook leefde hij nog, als Are, bij de Friezen in de jaren 1500. Arema, oudtijds Aerma geschreven, is nog heden een Friesche maagschapsnaam, even als het patronymicon in den Sassischen vorm Arink nog elders in de Nederlanden als geslachtsnaam bestaat.

Zoo het al twijfelachtig is, bij gemis aan bescheiden, of de bovengenoemde verfranschte naam Audreselles wel werkelijk Ouderzele zij, bij eenen anderen verfranschten naam, die eveneens als eerste lid dit Audre heeft, is het wel zeker, dat oorspronkelijk het Dietsche woord oud, verbogen tot ouder, oudtijds, en nog heden in sommige onzer oostelijke gouwspraken ald, alder, aan den hedendaagschen verfranschten vorm ten grondslag ligt. Namelijk bij den naam van Audruicq, een stedeke, de hoofdplaats van het Land van Bredenaerde, eene bijzondere gouw van Artesië. Deze naam is anders niet als Ouderwijk, in goed Nederlandsch: ter ouder Wijk. In eene oorkonde van de 12de eeuw komt deze naam voor als Alder Wick, en in latere eeuwen vindt men hem geschreven als Auderwick en Ouderwick. De vorm aud voor oud, ook in België niet onbekend, komt nog voor in de Artesische plaatsnamen Audeland, een gehucht bij Licques; Audrehem, enz.

Het woord hof, in verbogen vorm hove, komt niet zeldzaam in Artesische plaatsnamen voor. Polincove is de verbasterde naam van een dorp. In goed Nederlandsch zoude men Polinkhove moeten schrijven; dat is, het hof (in den locativus ten hove) der Polinks of Polingen, der afstammelingen van den man die Pole heette. Deze was waarschijnlijk een Sas, te oordeelen naar den vorm van het patronymicon, ink. Dit zelfde patronymicon leeft nog, in den Frieschen vorm, als Pohlenga, de naam van eene Oostfriesche maagschap. Verder vinden wij het woord hof nog in de namen van eenige landhoeven of hofsteden en gehuchten in Artesië. Bij voorbeeld: Westhove bij Blendecques (Blendekens of Blindekens, als in West-Vlaanderen?); Westerhove bij Eperlecques; Zuthove (Zuidhove) bij Boisdinghem; Monckhove (de hoeve der monniken), Ophove, enz. Alle deze zuiver Dietsche namen bestaan in gouwen, waar thans geen woord Dietsch meer gesproken wordt, en waar men dus ook deze namen niet meer verstaat. Geen wonder dan ook, dat men ze niet meer kan schrijven, en dat men ze langzamerhand verfranscht, verbasterd. Zoo is de naam der hoeve Ophove in deze eeuw reeds verbasterd tot „Au Pauvre”. Daar zal in de volgende eeuw misschien een Franschman zijn, die naspoort, hoe deze hofstede aan zulken vreemden naam, „Aan den Arme” gekomen zij. Waarlijk, van de namen, zoo wel als van de boeken, mag het oude gezegde gelden: habent sua fata.

Eene andere verbastering van het woord hove kan men aantoonen bij den naam van het Artesische dorp Offekerque, eene verbastering die lichtelijk op een dwaalspoor, ter naamsverklaring, leiden kan. Immers het ligt voor de hand om dezen naam te duiden als Offekerke, de kerk (ter kerke in den locativus) van Offe, van den man die Offe heette. Offe toch (Offo, Offa, Uffo) is een Oud-Germaansche mansnaam, die nog heden bij de Friezen als zoodanig in volle gebruik is, en al mede oorsprong gegeven heeft aan de Friesche geslachtsnamen Offinga, Offema, Offes, Offen, Ofkes, enz. en aan de plaatsnamen Offingawier, een dorp in Friesland; Offenwarden, een dorp bij Bremen (Duitschland); Offignies (dat is oorspronkelijk het patronymicon Offingen), een dorp in Picardië (Frankrijk); Offa’s Dyke, een oude grenswal in Engeland, in de 8ste eeuw opgericht door Offa den Angel-Sassischen koning van Mercia; enz. Intusschen, het Artesische Offekerque heeft met dezen ouden mansnaam niets te maken. Deze plaatsnaam is oorspronkelijk Hovekerke (ter kerke bij den hove), zoo als hij nog in oude geschriften voorkomt. In eene oorkonde van den jare 1100 heet deze plaats eenvoudig Hove; misschien was daar toenmaals nog geen kerk aanwezig.

Ook nog andere plaatsnamen met kerke samengesteld, komen in Artesië voor: Ostkerke, Nordkerke, Zutkerke, St-Marie-kerke, die ook wel gelijk Dunkerque en Offekerque, geschreven worden: Ostkerque, enz. Twee andere dorpen aldaar hebben hunne namen heden ten dage volkomen verfranscht, als Vieille-Eglise en Nouvelle-Eglise. Maar op oude landkaarten, zelfs nog uit de vorige eeuw, heeten ze Ouderkercke en Nieuwerkercke. Laatstgenoemde plaats vinden wij in oorkonden van de 12de eeuw als: Niukerka en Niwkerka.

Artesië is, vooral in hare zuidelijke helft, eene schoone landstreek, met zacht glooiende heuvels en liefelijke dalen, met schoone bosschen en heldere bronnen en beken. Deze eigenheden van den bodem worden ook in de namen der plaatsen aangeduid. De heuvels heeten bergen—naardien het woord berg bij alle volken van het berglooze Neder-Germanië (onze Nederlandsche gewesten, Noord en Zuid, en die in Frankrijk daarbij inbegrepen) in gebruik is voor de heuvels en de kleine, soms haast onmerkbare verheffingen des bodems. Zulke bergnamen als plaatsnamen, zijn Boulemberg, Colemberg, Brunemberg, Reberg, Fauquembergue (dit is Valkenberge), enz. Verder heet een heuvel bij het dorp Tilques: Blackenberg. Die bij Journy gelegen is, komt in oude oorkonden voor als Calenberg, die bij Tournehem als Vierberg, en die bij Moulle, ofschoon thans tot Hautmont verfranscht, komt in een stuk van de 15de eeuw voor als de Hoberch (hooge berg). Aan den naam van het dorp Brunemberg bovengenoemd, ligt ongetwijfeld de oud- en algemeen-Germaansche, zeer bekende mansnaam Bruno ten grondslag, naardien Lambert van Ardres, een Artesische schrijver uit de 12de eeuw, dezen naam als Brunesbergh (de berg van Brune, Bruno of Bruin) vermeldt.

De dorpsnaam Colenberg of Colemberg wordt heden ten dage door de Franschen ook wel als Colembert misschreven. In oude oorkonden vindt men wel Coleberg, en Lambert van Ardres bovengenoemd verlatijnscht dezen naam tot Colsbergium. Of de mansnaam Cole, op bladzijde 112 hiervoren vermeld, de oorsprong aan dezen plaatsnaam gegeven hebbe, dan wel Sint-Nicolaas, of iemand of iets anders, moet ik in het midden laten.

Aan den voet der heuvels of bergen strekken de dalen zich uit; en zoo zoekt men ook, nevens de bergnamen, onder de Artesische plaatsnamen de dalnamen niet te vergeefs. Deze namen zijn zoo wel eigen aan de werkelijke dalen zelven, als aan de dorpen, gehuchten, landhoeven, in die dalen gelegen. Op zich zelven, zonder bijvoegsel, is het woord dal, als naam, eigen aan Dalle, een gehucht bij Lacre. Met bijvoegsels vinden wij de plaatsnamen Waterdal, gehucht bij Seninghem; Bramendal, bij Boisdinghem; Langhendale; Diependal, geh. bij Boucquehault. Verder Bruckdal, gehucht bij Hesdin-l’Abbé; Grisendale, eene landhoeve bij Wimille; Merlingdal, hoeve, bij Verlincthun; Pittendal, Totendal, Wysquedal, Kinendale, enz. De vier eerstgenoemden van deze dalnamen zijn nog geheel oorbeeldig Dietsch, en in hunne beteekenis volkomen duidelijk voor iederen Nederlander. In Bruckdal herkennen wij het woord bruck, broek, moeras, dat ook in den naam Brussel (oorspronkelijk Broekzele) voorkomt; in Pittendal het woord put, dat ook in West-Vlaanderen en elders in dezen bijzonderen vorm wordt uitgesproken. Aan den naam Merlingdal ligt een patronymicon ten grondslag.

Aan de hellingen der heuvels en bergen ontspringen bronnen, en het water van die bronnen vloeit als beken door de dalen. Verschillende plaatsen in Artesië zijn naar die bronnen en beken genoemd. Het algemeen Dietsche woord bron komt even menigvuldig voor als born; Hoogduitsch Brunnen en Born; Engelsch burn, born (in de plaatsnamen Blackburn, Tyburn, Osborne, Hachborn) en bourne (Bournemouth, Ashbourne, Isbourne, Eastbourne). In Noord-Nederland als born, borne, boorn, in de plaatsnamen Born, Borne, Warnsborn, Boarnwert (Bornwerd), Boarn (Boorn), Aldeboarn (Oldeboorn), Easterboarn (Oosterboorn), Boarnsweach (Boornzwaag), enz. Zoo wisselt ook dit woord in beide vormen af, in de Artesische plaatsnamen. Een gehucht bij Licques heet heden ten dage Courtebourne, maar wordt in de middeleeuwsche oorkonden als Curtebrona en Curtebrune vermeld. De naam van een ander gehucht, bij Audrehem, wordt hedendaags als Cousebourne geschreven, maar oudtijds Cusebrona, dat is: Kuischebron, of born van rein, helder water. Half verfranscht is tegenwoordig de naam Bellebrune, alsof het de schoone bron beteekende. Maar in de 12de eeuw werd deze naam door den geschiedschrijver Lambert van Ardres vermeld als Berebrona (de bron van den ber of beer, den edelman of baron?). Nog vroeger, in de 9de eeuw, droeg deze zelfde bron den naam van Helichbruna, de heilige bron. Een openbare bornput te Wimille heet Losenbrune, en een andere bij Tingry Lienbrune, de Liên- of Liedenbron, de bron voor alle liên, voor iedereen. Dus als tegenhanger of weêrga van de bovengenoemde Berebron? Dit zelfde woord komt ook voor in den naam Lienstrate, openbare straat of weg, zooals in de 17de eeuw nog eene buurt heette in het stedeke Ouderwijk of Audruicq. Bij Vieux-Moutier, eene plaats die in eene middeleeuwsche oorkonde Oudemonstre heet, is eene Rousquebrune bekend, oudtijds ook als Ruschebrune geschreven; dat is: de ruischende bron, waarvan het water, bij het afvloeien, een ruischend, klaterend gerucht maakt.

Estienbecq (overeenkomende met Steenbeke in Fransch-Vlaanderen en met Steenbeek bij Zetten in Gelderland) en Morbecque (oorspronkelijk de zelfde naam als Moerbeke in Fransch-Vlaanderen, dat ook wel tot Morbecque wordt verwaalscht, met Moerbeke in ’t Land van Waas, Oost-Vlaanderen, en met Moerbeek, gehucht bij Niedorp in Noord-Holland) zijn twee Artesische plaatsnamen, waar het woord beek in voorkomt. Eene straat in de stad Sint-Omaars, hedendaags Rue de l’Arbalête geheeten, werd in de middeleeuwen Becquestraet (Beekstraat) genoemd.

Nevens al de bovengenoemde plaatsnamen, die allen samenhangen met algemeen aardrijkskundige woorden, zijn daar in Artesië nog vele plaatsnamen, die elk voor zich meer op zich zelven staan. Uit het groote aantal dezer namen, allen ook zuiver Dietsch van oorsprong en beteekenis, allen ook zeer bijzonder en zeer merkwaardig, en tevens in hunne hedendaagsche geijkte spelling min of meer verfranscht, kunnen wij hier ook slechts eenige weinigen den Lezer van dit opstel nader voorstellen. Als voor de hand opgenomen vermeld ik dan, vooreerst: Sangatte, en Wissant. Dat deze namen werkelijk in goed Nederlandsch, in algemeen Dietsch, Zandgat en Witzand zijn, namen geheel eigenaardig aan plaatsen die aan zee en in het witte duinzand gelegen zijn, bewijst ons Lambert van Ardres. Deze middeneeuwsche Artesische geschiedschrijver, reeds meermalen in deze verhandeling genoemd, schrijft (in Latijn) dat de hooge, onstuimige zee oudtijds een gat zich had gebaand dwars door de zandduinen, ter plaatse waar later het dorp Sangatte verrees en dat de bevolking dieshalve aan die plaats den naam van Arenae foramen gegeven had. En van het dorp Wissant, dat heden ten dage, nog meer verbasterd, ook wel als Wissan geschreven wordt, schrijft hij: „Ab albedine arenae vulgari nomine appellatur Witsant.”

Verder Marcq (mark of grens), Oye, hedendaags door de Franschen ten onrechte uitgesproken als hun woord oie, gans (’t is echter ode of eenzame onbewoonde plaats); Wiere (Friesch wier of vluchtheuvel?); le Wat (wad of doorwaadbare plaats in waterstroom of beek); Wimille (windmolen), en vele anderen zijn eveneens zulke bijzondere namen.

Al de plaatsnamen, tot dusverre in deze verhandeling genoemd en verklaard, zijn eigen aan plaatsen die nog heden ten dage bestaan, en komen in bovenvermelde, zoowel verbasterde als zuiver Dietsche vormen, in de hedendaags geldige Fransche taal voor. Deze namen zijn bij honderdtallen te tellen. Wil men echter in grondboeken en in oude geschriften, in middeleeuwsche oorkonden, vooral in oude koopbrieven gaan zoeken, dan vindt men de Dietsche namen van velden en wegen, van huizen en straten in Oud-Artesië bij duizendtallen. Ook onder dat zeer groote aantal Oud-Dietsche namen van dat gewest, die in den loop der eeuwen door den overheerschenden Franschen invloed zijn verloren gegaan, en die den hedendaagschen ingezetenen volkomen onbekend zijn, komen er zeer velen voor die uit een taalkundig oogpunt allermerkwaardigst zijn, en die ten volsten de aandacht, de opsporing en onderzoeking der Germaansche taalgeleerden van onzen tijd verdienen. Hoe gaarne zoude ik dezen schat van oude namen den Lezer nader ontsluiten, ten volle kenbaar maken. Een geheel boekdeel zoude ik daarmede kunnen vullen, en—slechts weinige bladzijden hier staan mij daar voor ten dienste. Zoo moet ik mij tot enkele tientallen van deze oude namen beperken.

Namen van stukken land, velden, akkers, enz. Briedstic, Grotstic, Langstic, Cromstic (Breed-, Groot-, Lang-, Kromstuk), Hangstic (aan de helling van eenen heuvel), Skermestic, Vierhornstic en Driehornstic (het stuk met vier en dat met drie hoeken of hoornen; nog heden is het woord hoek in ’t Friesch horn of hoarne, en is daar een stuk land te Marsum in Friesland, dat de Trye-hoarne-finne, de Driehornfenne, heet). Verder Stridland, Gendekinslant (Gendekin is een mansnaam, in verkleinvorm), Morlant, Rodelant, Tarwelant, Brunevelt, Stienvelt en Sanctingevelt (Sint-Inge-veld? aan den weg van Gisen (Guines) naar Witzand (Wissant), heden ten dage tot Saint-Inglevert verfranscht), Stridaker, Gomenacre, Hobbenaker, Blekenaker, Nantacre, Alvesmerscene (Alvesmeerschen; Alf is een Oud-Germaansche mansnaam), Bonemersene, enz.

Namen van bosschen en hout. Cortebosc, Mafferbosc, Bochout en Bocholt (Beukenhout of bosch; deze naam bestaat heden nog en is nu tot Boucquehault verfranscht), Ekhout (Eekhout, Eikenbosch), Malshout, Scapshout, Mutshout, Lantershout.

Namen van straten en wegen, dijken, putten, huizen, bruggen. Hostraet, Hostrat, Ostraet (Hoogstraat, zeer algemeen in schier al de steden en dorpen van Oud-Artesië, even als de Highstreet is in de Engelsche plaatsen). Haghestraet, Stienstraet, Witestraet, Weststraet, Weetstraet, Waghestraet; in de stad Sint-Omaars: Arkestraet (Rue d’Arques—Arques is een naburig dorp—, hedendaags Rue d’Arras genoemd), Becquestraet, zie bladzijde 118, Potestraet—Rue du Pot—, Wackestraet, Vincquestraet, enz. Mellewog, Oudewog en Oudewoghe, Scalrewoge, de weg naar Scalle, hedendaags tot Escalles verfranscht; Gisenewog, Papenwoge, Herewog; Koldic (Koldyk is ook de naam van eene sate of landhoeve bij den dorpe Grouw in Friesland, en deze naam komt bij de hedendaagsche Friezen ook nog veelvuldig als geslachtsnaam voor), Scardic (Schaardijk; Scharendijke is de naam van een dorp op het eiland Schouwen in Zeeland). Calkpit, Marlepit. Pit in plaats van put is nog hedendaags Westvlaamsch. Wolhus, Winthus. Het raadhuis van het stadje Ouderwijk (Audruicq) heette voor twee eeuwen nog le Landshus, Landshuis, omdat het niet enkel voor Ouderwijk diende, maar tevens voor het geheele Land van Breedenaerde, eene kleine gouw in Artesië, waar van dit stedeke middenpunt en hoofdplaats was. En zoo ook heette het raadhuis van het Land van den Hoeke, eene andere kleine gouw in dit gewest, Gyselhus.—Lenebrigge. Het dorp Hoogbrugge bij Sint-Omaars heet tegenwoordig Hautpont, maar komt in de geschriften uit vorige eeuwen als Hobrigge voor, en de ingezetenen van dat dorp als Hobrighenards, Hoogbruggenaren in onze hedendaagsche taal en spelling. Twee bruggen te, of bij Sint-Omaars heeten in oorkonden van de 14de en 15de eeuw: Lobrighe en Texbrighe.

Nog enkele Oud-Dietsche namen, uit middeleeuwsche oorkonden verzameld en allen aan plaatsen in Artesië eigen, mogen hier ten slotte een plaatsken vinden: Helde, Stapele, Stripe, Witstien, Walrichove (hof van Walrik, Germaansche mansnaam), Hongercoutre, Boffershil, Wolfham, Bontun, Riede, Knol, Brocshole, Doetlage, Stienrokkes (Steenrots), Ravenstiene, Robarsdal, Walleshouck (Walle is een mansnaam), Hasewinkel, Rambrectesgat (van Rambert, Ravenbrecht, volledige oude mansnaam), enz.

Als aanhangsel noemen wij hier nog de namen van sommige Artesische wateren, en wel eerstelijk den naam van het riviertje, dat langs de stad St. Omaars vloeiende, de grensscheiding vormt tusschen Artesië en Fransch-Vlaanderen, en dat de Aa heet. Geen oorbeeldiger Dietsche waternaam is er bekend, dan juist deze naam Aa, die eigen is aan riviertjes, stroomkes, beken, schier zonder tal, in alle landen, gewesten en gouwen van geheel Neder-Germanië, van Artesië langs de kusten van Noord- en Oostzee tot in de Oostzee-gewesten van Rusland toe. Deze naam, in de Friesche gewesten als Ee of Ie en Ye, Y voorkomende, beteekent eenvoudig water, stroomend water. Een water bij het stedeke Ouderwijk (Audruicq), waarschijnlijk eene gegravene vaart, heette nog in de 17de eeuw Stavart, (Sta(de), oever? ook voorkomende in den ouden naam van eene kade te St-Omaars, namelijk Erbostade, thans Quai des Tanneurs genoemd; en vaart). Het riviertje dat tusschen Gisen (Guines) en Kales (Calais) vloeit, komt in eene middeleeuwsche oorkonde voor als Leda, in eene andere van den jare 1208 als Gisenlet, en nog anders als Ghisnenlet. De vergelijking met den naam van het rivierke Leda in Oost-Friesland, en met den naam Leie, die in Friesland tusschen Flie en Lauwers aan verschillende wateren eigen is, zoo mede aan de Vlaamsche plaatsnamen Lendelede, Lede, Ledezele, Ledeberg ligt voor de hand.

In Artesië vloeit een helder stroomke, weinig meer dan eene beek, al westwaarts kronkelend door een liefelijk dal; het verbreedt zich verder tot eenen flinken stroom, die langs de stad Boonen (Boulogne sur Mer) loopt, en de haven van deze schoone zeestad vormt. Deze rivier draagt den naam van Liane, een naam die volstrekt geen Dietsch voorkomen heeft. Toch meen ik dat ook deze naam van Dietschen oorsprong zij. Maar oude, middeleeuwsche vormen van den naam Liane zijn mij niet bekend. Zoo neme men den volgenden naamsuitleg voor anders niet als voor eene ongegronde gissing. En, men weet het, gissen doet missen. De grondslag, de oorsprong van den naam Liane dan, meen ik te vinden in den eenvoudigen, boven reeds vermelden waternaam Aa of A. In sommige Nederduitsche tongvallen wordt de naam of het woord Aa verbogen tot Ane, Aan; dezen verbogenen vorm vinden wij in de plaatsnamen Mundahn (Mond van de Aa of Aan) en Overahn, Nordahn (in de middeleeuwen Norda) en Middelstenahe (in de middeleeuwen Middelstenane), die in de Friesche gouwen van Oldenburg en van Hannover (Land Wursten) voorkomen. Het mannelijke lidwoord luidt in de gouwspraak van het Fransch, die hedendaags aan Artesië eigen is, als li. Dit lidwoord neemt wel de plaats in van het Dietsche lidwoord de, ook al blijft het hoofdwoord dat er op volgt, onvertaald. Zoo is de geslachtsnaam De Jager, De Jaghere heden ten dage in Artesië half-verfranscht geworden tot Liagre (Li Jagre) en niet geheel (Le Chasseur). Zoude nu dit lidwoord ook niet het eerste gedeelte van den naam Liane zijn (Li Ane), en deze naam De Ane, De Aa, met andere woorden het water, het stroomende water beteekenen?

Al deze Artesische plaatsnamen, op de voorgaande bladzijden opgenoemd, en nog honderden dergelijken zijn (bij enkelen is dit nader aangeduid geworden) in vorm, oorsprong en beteekenis naverwant of ook volkomen gelijk aan andere namen, die in alle andere Germaansche landen, maar vooral in Vlaanderen, Friesland en Engeland voorkomen, in die landen dus, waar de bevolking oorspronkelijk geheel of ten deele van eenen zelfden stam, van eenen zelfden bloede is met die van Artesië.

De namen, op bladzijde 120 en vervolgens vermeld, zijn allen aan middeleeuwsche oorkonden ontleend, en, naar men mij in Artesië mededeelde, zijn ze daar heden ten dage onbekend; dus uitgestorven. Dit moge voor een groot gedeelte dezer namen waar zijn; dat het echter voor allen zonder onderscheid zoude gelden, meen ik te mogen betwijfelen. Immers namen over het algemeen, en bijzonderlijk plaatsnamen hebben een taai leven. En, al zijn zulke namen van velden en akkers, van dijken en vaarten, van straten en wegen niet meer in geijkten zin bekend, en al komen ze nooit meer in geschrifte voor, het eenvoudige landvolk kent ze nog wel, en gebruikt ze nog wel, zoo goed als hunne voorouders, van geslacht tot geslacht, die deze namen eerst gegeven hebben. De taalvorscher, die dus bij het van ouds ingezetene volk te lande in Artesië naar zulke Oud-Dietsche namen zoeken wil, zal dit zekerlijk niet te vergeefs doen. Zelfs in de steden vindt men nog wel zulke namen, ja, in de stad Kales (Calais), die toch nooit volkomen Dietsch is geweest, zooals de dorpen in den omtrek. Daar ter stede draagt een buurtje aan de haven, waar de visschersschepen liggen, buiten den ouden vestingwal, ter plaatse waar oudtijds het strand zich uitstrekte, den naam van Place de l’Estran, zoo als ik zelf gelezen heb op het naambordje aan het hoekhuis. Wie herkent in dit Estran niet den verfranschten vorm van ons woord strand, of strange volgens de Westvlaamsche, strân volgens de Friesche uitspraak? En, als om de Oud-Dietsche herinnering te volmaken, de tapper die in dat hoekhuis zijn bedrijft uitoefent (althans in 1891 uitoefende) draagt den oorbeeldigen geslachtsnaam van Barends.

Zeer bijzonder en hoogst opmerkelijk zijn sommige woordvormen die in deze Oud-Artesische namen voorkomen; zoo als wog (in verbogenen vorm woge, woghe) voor weg, en brigge voor brug. Ook mille en melle voor molen, rok voor rots, enz.

Voorbeelden van wog en brigge, in plaatsnamen, zijn op bladzijden 120 en 121 reeds genoemd. Anders en elders is dit woord wog mij nooit voorgekomen. In eene oorkonde van den jare 1286 wordt bepaaldelijk de weg die van het stedeken Gisen (Guines) naar het dorp Witzand (Wissant) voert, de Gisenewog genoemd. Men vergelijke de Gisenlet op bladzijde 122 vermeld. Dat men evenwel oudtijds het algemeen geldige Dietsche woord weg, verbogen als wege, ook wel kende in Artesië, blijkt uit oorkonden van de veertiende en vijftiende eeuw, waarin melding gemaakt wordt van den Boerwegue bij Baienghem, en van den Oudeweg bij Salperwijk (Salperwic). Aan het voorkomen dezer twee woordvormen wog en weg, nevens elkanderen, zal wel de zelfde of eene soortgelijke oorzaak ten grondslag liggen, als die is, welke het voorkomen der twee vormen ing en ink, bij den patronymicalen uitgang, heeft te weeg gebracht. Zie bladzijden 98 en 106 hiervoren.