Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Part 1

Chapter 13,581 wordsPublic domain

STUDIËN IN NEDERLANDSCHE NAMENKUNDE

DOOR

JOHAN WINKLER.

HAARLEM H. D. TJEENK WILLINK & ZOON 1900

Boeck, ey soo men di wil laecken, Segg’ dat si yet beters maecken. Laecken end maecken is groet verscil, Dye nyet en can maecken magh swigen still.

?

D’æbarre traeppet plomp yn ’t gnod, Oer ’t goe kruwd hinne in sykt de Podd’. Dy hier uwt naet az fuwl op-syckje, Momme eack, mey rjuecht, by Rea-schonck lyckje.

Gysbert Japicx.

Wy willen gheerne ’t onse om een beter gheven, Isser iet ghefaelt, tsy groot oft cleene. Maer qualick can ment elck te passe gheweven: Want niemant volmaeckt, dan God alleene.

Marcus van Vaernewyck.

INHOUD.

Bladz. Inleiding I. Spotnamen van steden en dorpen 3 II. Nederlandsche plaatsnamen in Frankrijk 91 III. Gentsche geslachtsnamen 136 IV. Helmondsche namen uit de middeleeuwen 171 V. Friesche namen 196 VI. De namen der ingezetenen van Leeuwarden ten jare 1511 255 VII. De hel in Friesland 280 Register 293

INLEIDING.

De Namenkunde vormt een belangrijk onderdeel van de Taalkunde in haren grootsten omvang, en staat tevens in menigvuldige betrekking tot Geschiedenis en Volkenkunde.

De kennis van de namen in ’t algemeen, wat hun oorsprong, geschiedenis en beteekenis aangaat, is inderdaad een zeer bijzonder vak van wetenschap, een tak van studie die mij steeds bijzonder heeft aangetrokken, en die bij voorkeur door mij beoefend is geworden. Herhaaldelijk heb ik dan ook het een en ander werk of werkje geschreven en in ’t licht doen komen, dat de Namenkunde van Nederland (plaatsnamen) en van Nederlanders (vóórnamen en geslachtsnamen) in bijzondere onderdeelen behandelt. Ik behoef hier slechts mijn werk De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis (Haarlem, H. D. Tjeenk Willink, 1885) te noemen en mijne Friesche Naamlijst (Leeuwarden, Meyer en Schaafsma, 1898), twee uitgebreide, omvangrijke werken, die mij veel moeitevolle studie hebben gekost, maar die mij evenzeer veelvuldige voldoening hebben bereid. Buitendien is er nog in tijdschriften en jaarboekjes [1] menig opstel van mijne hand verschenen, dat het een of ander gedeelte der Namenkunde tot onderwerp heeft, dat Nederlandsche namen uit verschillende tijdperken van ons volksbestaan, en uit verschillende gouwen en plaatsen behandelt.

Een zestal van die verhandelingen, uit den aard der zaak weinig bekend, heb ik uitgekozen, en, ten deele aangevuld, vermeerderd, verbeterd, hier opnieuw doen afdrukken. Een grooter opstel, over de Spotnamen van steden en dorpen, het hoofdnummer van dezen bundel, heb ik daarbij gevoegd. Dat verschijnt hier voor ’t eerst in ’t licht.

Deze verschillende verhandelingen hangen slechts los te zamen; slechts in zooverre als ze allen een onderwerp van Namenkunde behandelen. Overigens niet.

Millioenen namen, mans- en vrouwen-vóórnamen in honderderlei vormen en vervormingen, oorspronkelijk volkseigene en vreemde, zoowel als geslachts- en plaatsnamen, eveneens in honderderlei vormen, en die voor een groot deel van die vóórnamen zijn afgeleid—inderdaad millioenen namen zijn over alle Nederlanden verspreid, bij het Nederlandsche volk in gebruik. Elke naam heeft zijnen eigenen, bijzonderen oorsprong, zijne geschiedenis, zijne beteekenis, en zeer vele namen zijn in hunnen oorsprong, in hunne geschiedenis en beteekenis belangrijk en merkwaardig. Elke naam kan met andere soortgelijke in verschillende groepen vereenigd worden, en al die namengroepen afzonderlijk in wetenschappelijken zin beoefend en behandeld worden. Welk een arbeidsveld! En, voor zooveel het onze Nederlandsche namen betreft, is dat veld nog zoo weinig ontgonnen!

Ik heb slechts hier en daar een greep kunnen doen in deze rijke stof, die zoo ruimschoots voorhanden, en voor iedereen toegankelijk is; slechts hier en daar een greep ter verklaring van sommige namengroepen en namen.

Mogen de volgende studiën, die uit den aard der zaak slechts in zeer beperkten en beknopten vorm sommige namengroepen behandelen, den lezer welkom zijn, en zijne belangstelling opwekken! En mogen velen, door de lezing en de beoefening dezer verhandelingen zich aangespoord gevoelen om al mede aan dit onderwerp, aan de Namenkunde, hunne krachten te wijden; en moge onze vaderlandsche wetenschap daardoor grootelijks verrijkt en gebaat worden!

Den vriendelijken lezer een vriendelijke groet van

Johan Winkler.

Haarlem, 1900.

I

SPOTNAMEN VAN STEDEN EN DORPEN.

Onderscheid in geaardheid, onderscheid in volkseigene zaken, taal en tongval, kleeding, zeden en gebruiken, nering en bedrijf bij zee-, steê- en landvolk, onderscheid in richting en partijschap op godsdienstig en op staatkundig en maatschappelijk gebied is er heden ten dage in ons vaderland nog ruimschoots voorhanden, tusschen de bevolking van het eene en van het andere gewest, van de verschillende Nederlandsche gewesten onderling. Niettegenstaande dit onderscheid langzamerhand al minder en minder wordt, en gedurig uitslijt, vooral door het meerdere en gemakkelijke verkeer tusschen de lieden uit de verschillende gewesten van ons land onderling, zoo onderkent men toch den Fries aan allerlei volkseigene en bijzonder Friesche zaken en eigenaardigheden nog gemakkelijk uit alle andere Nederlanders. Maar ook de Groningerlander en de Zeeuw, de Hollander en de Gelderschman, de Overijsselaar en de Brabander, de Drent en de Limburger, ja ook de Hollander uit het Noorden (West-Friesland) en die uit het Zuiden (het Overmaassche) zijn voor den opmerkzamen man duidelijk en gemakkelijk te kennen, duidelijk en gemakkelijk de een van den ander te onderscheiden.

Oudtijds traden de kenteekenen die den Fries en den Brabander, den Gelderschman en den Hollander, den Drent en den Zeeuw onderscheiden, veel sterker te voorschijn dan heden ten dage. Ja, allerlei bijzondere kenmerken waren zelfs op te merken bij de bewoners van verschillende steden en dorpen—kenmerken, waardoor dezen zich onderscheidden van de ingezetenen van andere, van naburige of ook van verderaf gelegene plaatsen. Het onderscheid tusschen de bewoners van twee naburige plaatsen, al waren die lieden dan ook oorspronkelijk van geheel den zelfden volksstam, viel juist hen onderling, over en weêr, bijzonder in ’t oog, klonk juist te duidelijker in hun oor, werd juist door hen te scherper opgemerkt. Voor den Hollander moge er geen onderscheid zijn te bespeuren, in spraak noch in voorkomen, noch in eenigerlei andere volkseigene zaak tusschen eenen burgerman uit Leeuwarden en eenen uit Dokkum, voor den Leeuwarder en den Dokkumer zelven is dit onderscheid zeer wel te hooren en te zien. De Friezen mogen de Noord-Brabanders en Limburgers dooréén werpen, en niet afzonderlijk onderkennen, Bosschenaren en Maastrichtenaren, die van Breda en die van Roermond, zijn diep doordrongen van het verschil dat er tusschen hen onderling bestaat. De Hollander, in ’t algemeen de Nederlander uit het Westen en het Zuiden des lands moge al Groningerlanders en Friezen over eenen en den zelfden kam scheren en niet onderscheiden, de Amsterdamsche grootstedeling moge die twee gelijkelijk als „buitenlui”, als „provincialen, uit het Noorden” bestempelen en ze niet onderscheidenlijk onderkennen, voor den Fries en den Groningerlander zelven, over en weêr, zijn de bijzondere kenmerken, die hen onderscheiden, zeer duidelijk en zeer groot, en de Leeuwarder begrijpt zoo min als de Groninger hoe de Hollander den een met den ander als in eenen adem kan noemen, hoe hij den een met den anderen kan verwisselen en verwarren.

In oude tijden, toen de gelegenheden van onderling verkeer tusschen de verschillende Nederlandsche gewesten, ook tusschen de verschillende steden en dorpen van het zelfde gewest zoo veel minder en geringer waren dan thans, kwamen de menschen, over ’t algemeen genomen, uit de eene plaats vaak weinig of niet, soms schier nooit in aanraking met die uit eene andere plaats, al ware ’t ook dat die twee plaatsen, naar ons hedendaagsch begrip, volstrekt niet verre van elkander af lagen. Natuurlijk bleven, ten gevolge van dit besloten zijn binnen de muren en wallen en grachten van de eigene stad, hoogstens binnen de grenzen van de eigene gouw, de oude volkseigenheden steeds vast en duidelijk in wezen, bleven scherper begrensd, hielden veel langer stand dan heden ten dage, nu schier de helft van de Nederlanders niet meer woont in de plaatsen, waarin ze geboren en groot gebracht zijn, waar hunne maagschap van oudsher gezeten is.

Het onderlinge verschil tusschen de ingezetenen van de eene plaats en die van de andere, werd ook wel eene oorzaak van min vriendelijke verhouding over en weêr, van onderlingen naijver—ja, als ’t hoog liep, van onderlingen afkeer, zelfs van haat. Kleingeestigheid, bekrompenheid, uit onkunde geboren, weêrhield, aan den eenen kant, wederzijdsche erkenning als volks-, als stamgenooten, en mat, aan de andere zijde, het onderlinge, veelal onwezenlijke verschil ten breedsten, ten hatelijksten uit. Leeuwarders en Dokkumers, bij voorbeeld, gevoelden zich niet als volksgenooten, als Friezen, de eene zoo goed als de andere, maar als Leeuwarders en Dokkumers op zich zelven, als „Leeuwarder Galgelappers” en als „Dokkumer Garnaten”, zoo als men elkanderen over en weêr betitelde, ja wel uitschold. Tusschen Amsterdammers en Haarlemmers, al hoe nabij elkanderen hunne steden ook gelegen zijn, heerschte in de 16e eeuw de grootste naijver—een naijver die zich onder anderen lucht gaf in de spotnamen „Koeketers” en „Muggen”, die men elkanderen wederkeerig toevoegde—een naijver die, bij voorbeeld, ook blijkt uit het min of meer smalende vers, waarmede de blijspeldichter Gerbrand Adriaense Brederoô, een Oud-Amsterdammer in merg en been, de Haarlemmers uitdaagde:

„Haerlemsche drooge harten nu, Toont nu eens wie gy syt! Wy Amsterdammers tarten u Te drincken eens om stryt.”

En juist zulk eene verhouding bestond er tusschen den Zwolschen Blauwvinger en den Kamper Steur, tusschen den Deventerschman en den Zutfenaar, tusschen den Franeker Klokkedief en den Harlinger Tobbedanser, tusschen den Rotterdammer en den Dordtenaar, tusschen den Emder Potschijter en den Auriker Pogge, tusschen den Antwerpschen Sinjoor en den Mechelschen Maneblusscher, tusschen den Gentenaar en den Bruggeling, tusschen den Keuneter van Duinkerke en den Drinker van St. Winoksbergen.

Overal in al de Nederlanden, Noord en Zuid, en in aangrenzende stamverwante gewesten die thans tot Duitschland en Frankrijk behooren (Oost-Friesland, Bentheim, Munsterland, Fransch-Vlaanderen en Artesië), had men oudtijds zulke spotnamen voor de inwoners van steden en dorpen; en al mogen die namen tegenwoordig al minder sterk op den voorgrond treden als in vorige tijden het geval geweest is, ze zijn toch heden ten dage nog geenszins volkomen verdwenen. Oudtijds gaf de onderlinge naijver, zich vooral ook uitende in het wederkeerig elkander noemen en schelden met spotnamen, wel aanleiding tot zeer gespannen verhoudingen, tot wrevel en haat, tot vechtpartijen zelfs, waarbij men elkanderen wel bloedige koppen sloeg. Dit behoort in onzen tijd tot het verledene, maar de oude spotnamen zijn nog wel bekend, en worden nog wel eens gebruikt, zij het dan ook in tamelijk onschuldige plagerij, of geheel in scherts.

Deze oude spotnamen zijn voor een goed deel belangrijk in menig opzicht. Velen daarvan zijn reeds zeer oud en dagteekenen uit de middeleeuwen. Velen ook berusten op het eene of andere geschiedkundige feit, anderen op het wapen dat eigen is aan stad of dorp (Klokkedieven van Franeker, Balkedieven van ’t Ameland, Mollen van Schermerhorn). Anderen weêr danken hun ontstaan aan het eene of andere bijzondere voorval, waarbij door den nabuur, den tegenstander, in ’t geven van den spotnaam, juist de domme, de belachelijke zijde der zaak werd in ’t licht gesteld (Kalfschieters van Delft, Keislepers van Amersfoort, Maneblusschers van Mechelen, Rogstekers van Weert). Weêr anderen zijn ontleend aan eenen bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, die in de eene stad bestond, in de andere niet; Gortbuiken of Gortzakken van Alkmaar—te Alkmaar bestonden oudtijds vele grutterijen, en de Alkmaarsche gort was wijd vermaard in den lande; Botervreters van Diksmude en Kaasmakers van Belle—beide deze Vlaamsche plaatsen zijn van ouds bekend om hare zuivelbereiding. Sommigen ook zijn ontstaan door de eene of andere lekkernij, die in de eene of andere stad bijzonder gemaakt en door de inwoners bij voorkeur gegeten of gedronken werd. (Koeketers van Amsterdam, Klienroggen van de Joure, Dúmkefretters van Sneek, Molboonen van Groningen, Roodbierdrinkers van Harelbeke.)

Kieskeurig waren de oude Nederlanders geenszins, in het bedenken en gebruiken van spotnamen. Van daar dat sommige dezer namen heden ten dage slechts ternauwernood in beschaafd mannen-gezelschap genoemd kunnen worden; (Zandpissers van de Zijpe, Gruppendrieters van Oldenzaal, Potschijters van Emden, Luzeknippers van Eernewoude, Mosterdschijters van Diest). Maar, jufferachtig preutsch moet men niet zijn, als men sommige eigenaardigheden onzer voorouders in nadere behandeling neemt.

Al deze Oud-Nederlandsche spotnamen te zamen genomen geven een veelal verrassend, ook leerzaam en soms niet onvermakelijk inzicht in de beschavingsgeschiedenis van ons volk.

De spotnamen zijn over al de Nederlanden, Noord en Zuid, verspreid; in al de Nederlandsche gewesten zijn ze in gebruik. In ’t eene gewest echter meer dan in het andere. In de Friesche en in de Vlaamsche gewesten zijn ze het talrijkst. Ook in de oorspronkelijk Dietsche gewesten van Frankrijk (Fransch-Vlaanderen en Artesië) komen er voor, en niet minder in de Friesche gouwen van Noord-Duitschland (Oost-, Wezer- en Noord-Friesland). [2]

Als Fries zijn mij de Friesche spotnamen het beste en het volledigste bekend. Dus komt in deze verhandeling aan de Friesche spotnamen het leeuwendeel toe, en worden ze in de eerste plaats uitvoerig besproken en verklaard. Vervolgens worden de spotnamen van de overige Nederlandsche gewesten, voor zooverre ze mij bekend zijn, hier allen vermeld. Bij sommigen van die namen heb ik eene kleine aanteekening gevoegd, zonder echter den oorsprong en de beteekenis van al die namen in het algemeen na te speuren en aan te geven. De Oud-Vlaamsche spotnamen die ons overgeleverd zijn in het allermerkwaardigste gedicht Den langen Adieu, van den Bruggeling Eduwaert den Dene, worden ten slotte, nog bijzonderlijk vermeld, en, ten deele althans, in hunnen oorsprong en in hunne beteekenis nader besproken. Zoo is de indeeling van deze verhandeling.

De Friesche spotnamen zijn in de Friesche taal gesteld—dat spreekt geheel van zelven. Daar is nog geen man van Arum ooit voor „kruiper in het stof van den weg” gescholden; geen man uit Sneek voor „duimpjevreter”, geen man uit Warns voor „schapenkeutel”. Maar „Moudekrûpers”, zóó heeten de Arummers; „Dúmkefretters” de Sneekers; „Skiepeloarten” de Warnsers. De Friesche spotnamen zijn hier en vervolgens dan ook in het Friesch vermeld, en daarbij, voor zooverre noodig, verdietscht, of anderszins in het Nederlandsch verklaard.

In mindere mate is het gelijke ook met andere namen het geval, die steeds in gouwspraak genoemd worden. Welke Hollander en welke Vlaming, of welke andere Nederlander, die de gouwspraak van Twente niet kent, zal den spot naam van de Oldenzalers, „Gruppendrieters”, verstaan? Die Friesche namen, of die welke in de eene of andere gouwspraak genoemd worden, verliezen in oorspronkelijkheid, in eigenaardigheid, in kracht, als ze vertaald worden of in algemeen Nederlandsch overgezet. Moudekrûper, Gruppendrieter, dat is kernachtig, kort en krachtig, volkseigen-schoon gezegd. Hoe lamlendig en laf staat daar tegenover „Kruiper in het stof van den weg”, en: „Iemand, die zijne lichamelijke ontlasting verricht in eene greppel”—’k weet waarlijk niet hoe men dit best in zoogenoemd beschaafd Nederlandsch zal zeggen of schrijven.

Leeuwarden is de hoofdstad van Friesland. Met Leeuwarden willen we beginnen.

De Leeuwarders dragen den spotnaam van „Galgelappers”. Zij zijn eigenlijk wel twee spotnamen rijk. Immers heeten ze ook wel Speknekken. Speknek is een bijnaam voor een welgesteld, lichamelijk ook zeer welvarend man, wiens glad-geschoren nek, zoo als bij zulke lieden wel ’t geval pleegt te zijn, als ’t ware glimt van vet (spek), en met plooien van eene dikke, onderhuidsche vetlaag is voorzien. Maar deze spotnaam voor eenen ouderwetschen, dikken, kwabbigen burgerman, zoo als ik die in den goeden ouden tijd, in mijne jeugd te Leeuwarden nog velen heb gekend (een geschoren nek, en krullokken vóór de ooren, was „mode” in de eerste helft dezer eeuw)—de spotnaam Speknek is verdrongen door dien van Galgelapper.

Hoe nu de Leeuwarders aan den spotnaam Galgelappers gekomen zijn, wil ik hier eens uitvoerig mededeelen, en wel, voor de verandering, geschreven in de dagelijksche spreektaal der ouderwetsche Leeuwarder burgerij; geheel zóó als een Leeuwarder burgerman van den ouden stempel, dat verhaal den zijnen zoude doen. Dit dient dan met één als een staaltje van de spreektaal der Leeuwarders, van het verkeerdelijk zoogenoemde Stad-Friesch (het Stêdsk der Friesch sprekende Friezen), ’t welk anders niet is als goed Oud-Dietsch, rijk vermengd met Friesche woorden en woordvormen en zinwendingen, en dan uitgesproken door eenen Frieschen mond, die geen letter n op ’t einde der woorden verwaarloost, maar dit wel doet met de r in ’t midden der woorden; ook met sk, s en f en zachte g in plaats van de Hollandsche sch, z en v en rochelende g, die geen Fries uitspreken kan (de s of z, de f of v dan in ’t begin der woorden), tenzij dan kunstmatig, met veel moeite, en met veel keelgeschrap wat de sch en g betreft.

Luuster nou ’ris! Dan sa’ ’k jimme ’ris fertelle, hoe-’t de Leewarders an har bijnaam fan Galgelappers komen binne.

Oudtiids hadden alle steden in Friesland, in de groote dorpen oek, daar ’t rechthuus fan ’e grietenij staat, in oek wel sommige staten (dat binne fan die groote, oud-adellike boereplaatsen), it recht fan galg in rad, liik as dat doe soo hiette. Dat is te seggen: in die plaatsen mochten in musten de boosdoenders, de moordenaars, de branstichters in suk gespuus, foor soo feer as se daar, of in ’e onderhoorichheit fan die plaatsen har misdaden uutricht hadden, oek ophongen wudde an ’e galge.

Later, doe-’t Leewarden, in ’e plaats fan Staveren, de hoofdstad fan Friesland wudden waar, in doe de regeering over Friesland hoe langer hoe meer in ien han komen waar, in te Leewarden har setel hadde, doe houdde dat op. Doe musten alle boosdoenders, die-’t in Friesland oppakt waren, in tot ’e dood feroordeeld, die musten te Leewarden an ’e galge ophongen wudde. It lansbestuur liet in alle steden in andere plaatsen, die-’t it recht fan galg in rad hadden, wete—om so mar ’ris te seggen, met dizze woorden: „Hur ris, jimme Franekers in Harlingers, jimme Dokkumers, Sneekers in Bolseters, in die ’t it meer angaat, jimme hewwe ont nou toe jimme eigen moordenaars sels ophongen, mar dat houdt nou op; dat mut deen weze. As jimme en moordenaar of en andere kwaaddoender snapt hewwe, in feroordeeld om te hangen, dan mutte jimme die man na Leewarden sture, om daar dan ophongen te wudden. Set de man dan mar, goed in ’e boeiens slagen, met een paar dienders of feldwachters of wat jimme hewwe (as it mar goed fortroude mannen binne), in ’t trekskip na Leewarden, met en briefke der bij, hoe in wat. Dan salle se te Leewarden dat saakje wel feerder opknappe, in de man an ’e galge ophange.”

Nou! dat ston alle minsen lang niet an, in die kleine plaatsen. Want jimme mutte begripe, d’r gebeurt daar niet veul nijs, soo deur ’n bank; in dan gaf soo’n ophangerij altiid nog ’ris en aardig fersetsje, in ’n mooi fleurig kiikje. Mar wat suden se d’ran doen? Se musten wel doen soo-’t de regeering it hewwe wude, hee? Mar de Leewarders! nou, die hadden en boel wille deur die nijigheit; in en hopen foordeel oek.

De merkedag wudde doe te Leewarden houden op Saterdag, in niet op Frijdag, soo as nou teugenwoordig. In fan sels, op merkedag wudde der ophongen, in branmerkt, in giisseld, in te pronk set. Want sien! merkedag dan waar der altiid en hopen boerefolk in ’e stad, die daar dan doch weze musten foor har saken, in om te koopen in te ferkoopen. Mar dan kwammen d’r altiid oek en boel uut nijsgierigheit om ’t ophangen te sien. In soo had de Leewarder galge it mar drok; hast alle Saterdags waar d’r ’t ien of ander op ’t skawot te redden. In daar hadden de Leewarders dan niet allienig de nocht in de wille fan, mar oek groot foordeel. Fooral de kas’leins in de koekebakkers. Want en koem koffi met en stuk koek, in en burreltsje—dat waar al ’t minste dat de lui bruukten. De meesten nammen feul meer achter ’t fesje. In daar kwam dan nog bij alderlei koopmanskap fan alderlei guud dat ’t boerefolk noodig had, oek fan goud in sulver in mooie kleeren foor de froului—dus de Leewarder merkedag wudde mar deeg fleurig fan dat alles.

Dat gong soo jaren heene, in de Leewarder galge had mar en boel te doen. In fan sels—soodoende sleet-i oek deeg. Langsamerhand begon-i al mooi oud te wudden, in te ferfallen. D’r muste noodig in nije galge komme, soo noodig as eten in ’e mon.

Ja, mar wie must die nije galge betale? Daar kwam it mar op an. De Leewarders seiden: Alles goed in wel! ’t is ons galge, in as d’r allienig mar Leewarders an ophongen wudden, dan musten wij him oek allienig onderhoude; of fernije, as ’t noodig waar. Mar nou al die kleinsteedsers d’r an ophongen wudde, in al dat butenfolk, nou mutte die minsen d’r oek mar an betale. It sude wat moois weze! Wij de galge onderhoude, of en nije galge geve; in die Franeker klokkedieven in Harlinger tobbedansers, die Dokkumer garnaten, Sneeker duumkefreters in Bolseter olikoeken, in al die butenminsen, die suden d’r mar frij anhange!—alles in recht in billikheid! Mar soo niet!

Hou wat! seiden doe de kleinsteedsers in it boerefolk, hou wat! Jimme Leewarder Speknekken! jimme hewwe alle wille in oek alle foordeel fan ’e ophangerij, mar wij krije d’r in ons eigen plaatsen niks meer fan te sien. ’T is billik in recht dat jimme nou oek de galge onderhoude, of anders en nije galge make late!

Dat gaf nou fan sels ’n hopen roezje onder ’e lui, in ’n hopen geskriif in gewriif onder ’e heeren. Want sien, ieder bleef fan sels stiif op siin stuk staan—dat is ’t oude Friesse gebruuk soo, in daar mut me ien dan oek an houde—is ’t nou waar of niet?

Nou, de galge waar oek nog niet soo, al sag-i d’r frij wat skunnig uut, of-i kon nog wel wat dienst doen. In soo bleef dan die saak fan ’n nije galge fooreerst mar sloeren.