Stanley's tocht ter opsporing van Livingstone De Aarde en haar Volken, 1873

Part 3

Chapter 33,840 wordsPublic domain

Evenwel bracht hij mijne soldaten mede, die hij onderweg had ontmoet. Zie hier wat hun overkomen was. Onderweg hadden zij vernomen dat een witte ezel, zoo en zoo opgetuigd en beladen, door twee mannen weder over de rivier was gevoerd. Niet twijfelende of dit was de ezel van onzen kok, waren zij haastig naar Simbamoeënni teruggekeerd, en hadden tegen de mannen, die de poort bewaakten, gezegd, dat twee Vouashensi de stad waren binnen getrokken met een ezel, wier meesters zij vermoord hadden. Voor de sultane gebracht, hadden mijne soldaten hun bericht nog eens herhaald; en daar de poortwachters inderdaad de twee Vouashensi hadden zien voorbijgaan, had de sultane twintig musketiers uitgezonden, om de dieven op te sporen. Weldra had men hen gevonden, en met den ezel en al de bagage naar de stad teruggevoerd. Deze beide mannen verhaalden dat zij den ezel aan een boom vastgebonden hadden gevonden, zonder dat er iemand bij was, en dat zij het dier hadden medegenomen. Den kok hadden zij niet gezien. Intusschen was de diefstal uitgemaakt, en de sultane wilde dit vergrijp niet ongestraft laten voorbijgaan. Zij zeide tot de beide dieven dat zij hen naar den sultan van Zanzibar zou zenden, om daar hunne straf te ondergaan; en vroeg daarop aan mijne soldaten, waarom ik de verschuldigde schatting niet betaald had. Deze, die niet wisten dat de eerste afdeeling der karavaan ook reeds voor alle volgende had voldaan, konden daar niet op antwoorden. De waardige dochter van Kisabengo had hun daarop toegevoegd dat zij zich zelf betalen zoude, niet alleen door den ezel met de bagage te behouden, maar ook door hunne wapenen af te nemen; bovendien zouden zij zelf in boeien geklonken worden, tot hun meester hen kwam verlossen.

Zij had hare bedreiging ook uitgevoerd; en sedert zestien uren waren mijne drie soldaten op de markt geboeid ten toon gesteld, ten spot der menigte, toen een Arabier, dien ik te Kingaroe ontmoet had, de sheik Thani, hen gelukkig herkende. Hij had zich naar de sultane begeven, had haar een sterk gekleurd tafereel van mijne macht opgehangen; haar onder het oog gebracht, aan welk gevaar zij zich blootstelde, en haar eindelijk bewogen, mijne soldaten in vrijheid te stellen. Zelfs werd de ezel met de bagage en een der drie geweren teruggegeven; ook had men hun vergund, een genoegzamen voorraad koren te koopen, om al mijne manschappen gedurende vier dagen te onderhouden. De goede Arabier had de vrijgelatenen naar Simbo geleid, en Shaw had hen in zijn kamp teruggevonden.

Ondanks geweldige stortregens, braken wij ons kamp op en vervolgden onzen tocht. Aanvankelijk vonden wij een drogen weg of dijk, maar weldra bevonden wij ons weder in de vlakte, waar de grond week en kleverig was als lijm. Shaw was ziek; op mij alleen rustte de zorg voor het bestuur onzer karavaan. Elk oogenblik bleef een der ezels in den modder steken: en als het ons eindelijk met groote moeite gelukt was het arme dier weder op de been te helpen, zonk weer een ander in den zachten grond, en zoo ging het telkens. Daar kwam bij, dat wij bij herhaling rivieren moesten doorwaden, die in dit seizoen meest allen geweldige watermassa's medevoeren; vooral de Makata, van eene nederige beek tot een machtigen, onstuimigen, snelvlietenden stroom aangegroeid, die verre buiten zijne oevers was getreden, en niet dan met de grootste inspanning en wezenlijk gevaar was te doorwaden.

De noodlottige tocht door deze moerassige, half overstroomde, ongezonde vlakte duurde drie dagen. Wij plasten letterlijk door het water, dat somwijlen tot aan de borst en de schouders kwam. Mijne manschappen waren uitgeput van vermoeienis, de meesten waren ziek. Shaw had voortdurend de koorts; een der soldaten had de pokken; Bombay leed aan hevige krampen in de borst; Mabrâk, een stevige jonge neger, klaagde over misselijkheid; de kleermaker had geen kracht om iets te doen; de anderen waren allen evenzeer van streek. Zij gingen eenvoudig in den modder liggen, en ik moest de toevlucht nemen tot de zweep, om hen tot voortgaan te bewegen. Dit middel hielp: de kwalen weken met verwonderlijke snelheid, en de uitgeputte krachten kwamen even spoedig terug. Onze ezels bezweken bij twee en drie per dag: er bleven eindelijk maar vijf over, die haast niet meer voort konden. Soldaten en dragers leden vreeselijk; ik zelf was dood ziek. Toch hadden wij slechts twee slachtoffers te betreuren: een pagazi, en mijn hond, mijn armen Omar, die mij sedert mijn vertrek uit Indië had vergezeld.

IV.

Den 4den Mei sloegen wij ons kamp op te Rehenneko, het eerste dorp in Oesagara, waar wij den nacht doorbrachten. Het was eigenlijk meer een vlek dan een dorp, aan den voet van een berg, in eene zeer gezonde luchtstreek gelegen. Hooge, vierkante, van leem opgetrokken muren omringden eene menigte kegelvormige hutten met spits toeloopende daken, waarin ongeveer een duizendtal menschen huisden. In den omtrek lagen nog onderscheidene andere, even welvarende en volkrijke dorpen, wier inwoners zich door zekere onafhankelijkheid en vrijheid van manieren kenmerkten.

Na vier dagen in deze liefelijke streek te hebben vertoefd, begonnen wij de eerste steile hellingen van den berg te beklimmen. Op den top gekomen, overzagen wij, als in een prachtig panorama, de gansche vallei van de Makata, met hare heldere, snelvlietende wateren, als zilveren snoeren door de vlakte kronkelend; hare palmbosschen, hare heuvelen en bergen, in grootsche lijnen zich aansluitende aan de bergen van Oeroegoeroe en Oesoeapanga, wier hooge toppen zich schemerend aan den horizon afteekenden. Het was een heerlijk grootsch tafereel, dat ons al de ellende en jammeren van den moeilijken tocht deed vergeten.

Onze weg voerde ons nu dwars door eene bergachtige streek, naar het armoedige, smerige dorp Kiora, met niet veelmeer dan twintig huizen, maar eene ongeloofelijke menigte kinderen en nog veelmeer insecten van allerlei soort, bekend en onbekend. Hier vond ik Farquhar, den chef mijner derde karavaan: maar in welken toestand! Nooit zou ik mijn Farquhar hebben herkend in dien bleeken man, met vreeselijk gezwollen beenen, die zich met groote moeite voortsleepte. Ik liet ons kamp op een luchtigen, frisschen heuvel opslaan, en den zieke daarheen brengen. Verder wist ik niets te doen, want ik kon zelfs niet gissen wat hem eigenlijk scheelde. Hij was zeer gelukkig dat ik hem gevonden had: maar wat zou ik nu met hem aanvangen? Ik kon hem niet te Kiora achterlaten; en hoe zou ik het aanleggen om hem verder te vervoeren? De kleine kar was onbruikbaar geworden; er was groot gebrek aan ezels. Eindelijk stond ik hem den mijnen af, en wij begaven ons op weg met de derde karavaan, die zich nu met de onze vereenigd had.

Na een tocht van acht mijlen, bereikten wij den oever van de Moekoedokoea, de samenvloeiing van de beide Makata's en een paar andere rivieren; en na dezen stroom te zijn overgetrokken, bevonden wij ons in eene naakte wildernis, ontbloot van bosschen, alleen hier en daar door struikgewas en cactussen verlevendigd, en voorts eene opeenvolging van grijsachtig witte, door de zon geblakerde rotsen. Vijf dagen lang moesten wij door deze gloeiende woestijn voorttrekken, tot wij eindelijk den noordelijken oever van het meer Oegombo bereikten, in de nabijheid van de berg van gelijken naam. De oever van dit meer bestaat, over eene breedte van minstens zestien ellen, uit een ongenaakbaar moeras, geheel met rietbosschen en waterplanten bedekt, waartusschen het rivierpaard zich met zijn log lichaam een weg baant. Hier komen giraffen, buffels, zebra's, wilde zwijnen en kudden van antilopen, tegen het vallen van den avond, hun dorst lesschen. Gansche zwermen van vogels drijven en dartelen en spelen en zweven over de oppervlakte van het water. Vischarenden en andere roofvogels beschrijven groote kringen in de lucht, loerende op hunne prooi; uit het hooge struikgewas in den omtrek weerklinken de kreten van het parelhoen en den toucan, het gekir der duiven, het geschreeuw van den uil, en de stemmen van een aantal andere vogels, in de dichte biezen verscholen.

Den 16den trokken wij door de vlakte, die zich ten westen van den berg Oegombo uitstrekt, en waar baobabs, reusachtige tamarinden en mimosas eene welkome schaduw verspreidden. Wij hadden vijf uren gemarcheerd, toen de bergketen, waar langs wij voorttrokken, zich naar het noordoosten wendde. Onze weg liep in noordwestelijke richting en voerde ons naar de khambi van Mpoepoea, waar wij den sheik Thani aantroffen, dien braven Arabier, wiens tusschenkomst bij de dochter van Kisabengo ons zoo nuttig was geweest. Hij had zijne tent opgeslagen onder een reusachtigen, wilden vijgeboom, en onthaalde zich sedert twee dagen op schapen- en ossenvleesch en melkspijs. Hij scheen nog niet van voornemen om spoedig de moeielijke reis te aanvaarden, die wij zoo pas hadden afgelegd, en deed zijn best om ook mij over te halen, hier te toeven en mijn manschappen en mijn beesten een paar dagen te laten uitrusten. Het was aanvankelijk mijn plan geweest, zoo spoedig mogelijk Oegogo te bereiken, dat mij als het beloofde land verscheen, waar ik mijne uitgeputte krachten zou kunnen herstellen; maar toen ik vernam, dat deze plaats niet minder gezegend en welvarend was, gaf ik aan den raad van den Arabier gehoor. Weldra stroomden ons van alle kanten eieren, melk, boter, honig, schapenvleesch, meel en boonen, toe, en konden wij ons een heerlijken maaltijd bereiden, die ons te beter smaakte, nadat wij twee maanden lang hoofdzakelijk van een aftreksel van sorgho en half bedorven geitenvleesch hadden geleefd.

Intusschen was Farquhar zoo zwak geworden, dat hij de reis niet verder kon voortzetten, te minder daar er op nieuw twee ezels gestorven waren, zoodat het onmogelijk was geworden, hem een rijdier te bezorgen. Ik vond voor hem eene zeer geschikte verblijfplaats in een der vele dorpen van deze liefelijke landstreek. Leucolé, het opperhoofd van dat dorp, een man, wiens gunstig uiterlijk mij dadelijk voor hem innam, belastte zich met de zorg voor onzen zieke; hij beloofde mij, dat hij Farquhar met eene goede karavaan naar de kust zou terugzenden, zoodra de staat van zijne gezondheid dit zou toelaten.

Den 22ste Mei ontmoetten drie karavanen--die van Thani, die van Hamed, een Arabier, die een paar dagen te voren was aangekomen, en de mijne--elkander te Koenyo, een station, ruim drie-en-een-half uur van Mpoeapoea verwijderd. Een voorsprong van den berg beschermt het dorp tegen de hevige rukwinden, die uit de naburige kloven en bergpassen schieten; maar het water is hier afschuwelijk. Aan deze omstandigheid ontleent de vlakte, die Oesagara van Oegogo scheidt, haren naam van Marenga-Mkali, dat wil zeggen, bitter water. Ondanks den afschuwelijken smaak, drinken de Arabieren en de inboorlingen dit water, zonder daarvan eenigen hinder te ondervinden; maar zij dragen wel zorg dat hunne ezels daar niet van gebruiken. Hiermede onbekend, liet ik mijne beesten vrij drinken, zooals zij dat altijd na een marsch deden; maar weldra ondervond ik daarvan de noodlottige gevolgen: weinige dagen later had ik vijf van mijne beste ezels verloren; er bleven nu nog slechts vier over.

Toch maakte onze karavaan, bij ons vertrek van Koenyo, een waarlijk indrukwekkende vertooning: ongeveer vierhonderd mannen, met een aantal geweren, vlaggen, trommen en trompetten. Onder luid gerucht van muziek en gezang en geschreeuw, toog men op weg. Die opwekking was wel noodig: want om Oegogo te bereiken moesten wij twee dagreizen afleggen door eene wildernis, waar geen enkele droppel water is te vinden.

Naarmate wij de grenzen van Oegogo naderden, begon de naakte bodem zich met gras, straks met kreupelhout en geboomte te bedekken; eindelijk zagen wij weder akkers en bebouwde velden: wij waren in Oegogo. Gaandeweg nam nu het landschap een ander karakter aan: de heuvelen waren met statige bosschen getooid; in de vlakte verhieven zich overal, te midden der bebouwde velden, reusachtige baobabs. Wij naderden een dorp; een man van zekeren leeftijd hoedde in het veld eene kudde runderen, maar zag plotseling verbaasd op, toen hij mij gewaar werd. Hij staarde mij een oogenblik aan, en riep toen met eene luide stem, die ver in het ronde weerklonk: "_Yambo moussoungou, yambo bana, bana!_" Nauwelijks was dit woord moussoungou vernomen, of van alle kanten kwamen mannen, vrouwen en kinderen aanloopen, om den vreemdeling te zien. De menigte groeide voortdurend aan, en volgde ons op den weg, dringende en vechtende en joelende, als ware ik een of ander monster geweest, dat ieder wilde zien. Ook toen wij ons kamp hadden opgeslagen, bleef een nieuwsgierige volkshoop rondom de doornige palissade geschaard; zich alles getroostende, om slechts een blik te kunnen werpen op den moussoungou.

Den volgenden morgen trokken wij naar Mvoemi, waar het opperhoofd dezer landstreek woonde. Hier vooral bleek het ons, dat de roem van rijkdom, en vruchtbaarheid, die van dit gewest uitgaat, ten volle verdiend is. Melk, maïs, sorgho, gerst, boonen, boter, vruchten: alles werd ons in overvloed aangeboden, zonder dat wij noodig hadden ons eenige moeite te geven. De aandrang der verkoopers was zoo groot, dat zij bijna met de geringste betaling tevreden waren; zij namen zelfs kleine lapjes katoen en versleten gordels aan.

Wij mochten niet van hier gaan, zonder de verschuldigde schatting te betalen: dit te verzuimen zou gelijkstaan met eene oorlogsverklaring. Twee slaven van Thani, slim en welbespraakt en daarbij goed bekend met de hoofden en met de gewoonten des lands, gingen van onzentwege den sultan vier-en-twintig el van verschillende stof aanbieden. Dit geschenk werd onvoldoende geoordeeld, en ondanks de welsprekendheid onzer gezanten, niet eenmaal aangenomen. De sultan verlangde meer. Ik wilde eerst weigeren, maar Thani bracht mij tot andere gedachten. "Ik moet toegeven," zoo sprak hij, "anders zal de oorlog uitbarsten, uwe pagazis zullen wegloopen, en u en uwe bagage in de macht laten der Vouagogo. Geloof mij: laat ons den sultan niet verbitteren."--De slaven vertrokken weder, en namen honderd-twintig el mede. Een uur later kwamen zij terug: het geschenk was ditmaal aangenomen, maar nog niet voldoende geoordeeld: het opperhoofd verlangde bovendien twee-en-zeventig el calicot en twaalf snoeren zwarte kralen. Zij werden hem gezonden. De sultan nam ze aan, maar merkte toen op dat de stof van den moussoungou te kort en die der Arabieren van slechte kwaliteit was: hij verlangde mitsdien nog twee-en-dertig el katoen. Mijn aandeel in die nieuwe schatting bedroeg twaalf el; ik liet die zoo ruim mogelijk uitmeten, en zond ze den sultan door Bombay. Maar de Arabieren spartelden tegen en leverden maar acht el, in plaats van twintig. De sultan eischte nu dat de twaalf ontbrekende ellen van kostbaarder stof zouden worden geleverd: en onzen Arabieren schoot niets anders over, dan dien roover zijn zin te geven.

Den volgenden morgen verlieten wij deze koninklijke residentie, en vervolgden onzen weg door een vruchtbaar, uitnemend bebouwd en dichtbevolkt land, met welvarende dorpen bezaaid. Aan het volgende station, te Matamboeroe, gekomen, vonden wij daar denzelfden toevloed van nieuwsgierigen, en dezelfde verbazende begeerte om ons te zien. Het opperhoofd, een man van eene herkulische gestalte, toonde zich vrij wat handelbaarder dan zijn buurman. Hoewel hij gezag voerde over veertig dorpen en dus eene vrij aanzienlijke macht tot zijne beschikking had, stelde hij zich tevreden met twintig el katoen.

Toen ik den volgenden morgen de talrijke groepen gadesloeg, die zich langs den weg hadden geschaard om den moussoungou te zien voorbijgaan, kwamen mij de hooge eischen der opperhoofden minder ergerlijk voor. Blijkbaar behoefde het hun niet de minste moeite te kosten, om ons te berooven van alles wat wij hadden. Ik begon zekeren eerbied te gevoelen voor een volk, dat, zich zijner kracht bewust, daarvan toch geen misbruik maakt, en dat, ondanks de sterke verzoeking, toch de karavanen ongehinderd zijn land liet doortrekken, zonder iets anders te vorderen dan een zeker transito-recht.

Zoowel uit een physiek als uit een moreel oogpunt, staan de Vouagogo hooger dan een der andere stammen, waarmede wij tot dusver kennis hebben gemaakt. Hun voorhoofd doet u eenigszins aan dat van den leeuw denken; hun gelaat heeft eene uitdrukking van verstand en scherpzinnigheid; hunne oogen zijn groot en wijd geopend. Hun neus is plat en hunne lippen zijn dik, maar toch niet in die mate, als bij andere negers het geval is. Ondanks zijne heftigheid en opvliegendheid, die hem, eenmaal in drift ontstoken, tot alles in staat doet zijn, maakt de Mgogo een gunstigen indruk op ons. Hij is trotsch op zijn opperhoofd, trotsch op zijn land, trotsch op zich zelf, op zijne heldendaden, op zijne wapenen, op alles wat hem toebehoort. Hij is ijdel, pralend, zelfzuchtig, heerschzuchtig, maar ook tot groote liefde en toewijding bekwaam. Hij zal geen moeite ontzien, om iemand, dien hij bemint, een dienst of een genoegen te doen; de hoofdfout van zijn karakter, die hem vooral bij den vreemdeling van eene ongunstige zijde doet kennen, is zijn hebzucht. Ondanks zijn krachtvol, indrukwekkend voorkomen, ondanks zijne heftigheid, zijn prikkelbaren trots, zijn twistzieken aard, wordt deze halve wilde toch een kind tegenover den hooger beschaafde, die hem tracht te begrijpen, en, zonder hem te kwetsen of te krenken, zijn karakter tracht te doorgronden.

De wapenen van een Mgogo zijn met veel kunst vervaardigd. Zij bestaan uit een boog en scherpe pijlen; uit een paar assagaaien of werpspiesen; uit een lans, waarvan de meer dan twee voet lange punt op het lemmer van een sabel gelijkt; uit een bijl en een kleinen knots, roungou genaamd. Van zijne kindsheid in de behandeling dezer wapenen geoefend, weet hij, er op vijftienjarigen leeftijd volkomen mede om te gaan.

Moet er gevochten worden, dan gaat de bode van het opperhoofd van het eene dorp naar het andere, uit alle macht op zijn ossenhoorn blazende. Zoodra de Mgogo dit signaal verneemt, neemt hij zijn spade op den schouder, spoedt zich naar zijne woning, en komt eenige oogenblikken later weder te voorschijn in vollen krijgsdos: zijn hoofd is versierd met struis-, arend- of valkenvederen; van zijne schouders golft een lange roode mantel naar beneden. Aan zijn linkerarm hangt een schild van olifants-, rhinoceros- of buffelhuid, met zwarte en witte figuren beschilderd; in de eene hand houdt hij zijne lans, in de andere zijne werpspiesen. Zijn lichaam is met rood geverfd; aan de knieën en aan de enkels draagt hij belletjes, en om de polsen een aantal ivoren ringen, waarmede hij van tijd tot tijd rammelt. Hij heeft met de spade ook het voorkomen van den boer afgelegd; hij is nu een krijgsman, vol moed en geestdrift, den tijger in kracht en vlugheid gelijk en hunkerende naar het slagveld.

Evenals in het westen van Oesagara, zijn ook in Oegogo de woningen nevens elkander langs de vier zijden van een veld of perk gebouwd, dat daardoor geheel is ingesloten en waarop alle deuren uitkomen: dit plein is de zoogenaamde _tembé_, dien wij tot aan het groote meer overal zullen aantreffen. Het doorloopend platte dak der woningen dient tot bergplaats voor het koren, het hooi, de tabak en andere voortbrengselen van den landbouw. In den buitenmuur zijn kleine openingen aangebracht, die tegelijk tot kijk- en schietgaten dienen. In Oegogo is deze muur slechts van klei en aarde opgetrokken, met drie of vier palen, waarop de balken rusten, die het platte dak schragen. Een geweerkogel dringt zonder moeite door deze zwakke muren heen, die daarentegen in Ochyanzi veel steviger zijn en inderdaad eene soort van vesting mogen heeten. In ieder vertrek, dat door een beschot van het aangrenzende wordt afgescheiden, woont een huisgezin, waarvan de kinderen op beestenvellen op den grond slapen. De ouders slapen op een soort van bed, bestaande uit een ossenhuid of de schors van den myombo, op een raam uitgespannen. Onder de huisdieren mogen alleen de katten, de koeien, en de schapen binnen de woning komen: de honden en de ossen zijn buitengesloten.

Den 7den Juni, des morgens ten zeven uur, trokken wij over de grenzen van Oegogo, waar onze manschappen, vanwege den zeer prikkelbaren aard der inwoners, zich niet recht op hun gemak hadden gevoeld. Te negen uur hielden wij halt aan den oever van de Maboengoeroe, nu eene uitgedroogde beek, die Oegogo van Magoenda-Mkali scheidt; wij sloegen ons kamp op ter hoogte van vierduizend-vijfhonderd voeten boven de zee.

De twee Arabieren, Thani en sheik Hamed, waren nog altijd bij ons; die titel van sheik wordt hier beleefdheidshalve aan iederen Arabier van middelbaren leeftijd en van zekeren stand gegeven. Hamed, aan wien wij het bevel over de drie karavanen hadden opgedragen, was een klein mager manneke, maar die het weinig indrukwekkende van zijn voorkomen vergoedde door eene buitengewone levendigheid en bewegelijkheid. Hij had nooit rust; zelfs in het kamp was hij onophoudelijk op de been, heen en weder loopende, alles nasnuffelende, zich met alles bemoeiende en allen voortdurend last en moeite veroorzakende. Wij hadden dien dag twintig mijlen afgelegd, en verlangden dus hartelijk naar rust. Om één uur na middernacht, bij helderen maneschijn, blies Hamed op den hoorn, en gaf bevel tot opbreken. Zwijgend ging de karavaan op weg: de thermometer teekende geen twaalf graden; de dauw was koud als ijzel. De dragers, die bijkans geheel naakt waren, liepen zoo hard zij konden om zich te verwarmen; velen hunner verwondden zich de voeten door tegen de rotsen te stooten of in de doornen te loopen.

Te Oenyambogi aangekomen, gingen wij op den grond liggen, en weldra waren allen in diepen slaap gedompeld. Toen ik ontwaakte was het helder dag; de zon scheen mij in de oogen. Hamed was twee uren geleden vertrokken; hij had Thani willen medenemen, die evenwel geweigerd en hem zijn onverstand verweten had. Op het volgende station vonden wij hem weder driftiger en onrustiger dan ooit. Zijne geliefkoosde slavin was gestorven, en drie zijner dragers waren weggeloopen, hunne bagage medenemende, waartoe ook de fraaie staatsiekleederen behoorden, die sheik Hamed in Oenyanyembi hoopte aan te trekken, om behoorlijk voor den dag te komen. Hamed trachtte vergeefs de deserteurs op te sporen, en voegde zich weder bij ons. Toch verliet hij ons eenige dagen later, toen wij te Koesoeri, aan de grenzen van Magoenda-Mkali, waren gekomen. Daar moest ik ook Thani achterlaten, wiens dragers voor het meerendeel door de pokken waren aangetast.

Na een tocht van enkele dagen bereikten wij Koeïkoeroe, ongeveer twee mijlen ten zuiden van Tabora, de hoofdplaats der arabische nederzettingen. Al mijne manschappen hebben hunne beste kleederen aangetrokken; met ontplooide vaandels, slaande trom en schetterende trompetten hielden wij onzen intocht in de stad, waarnaar wij weken achtereen zoo verlangend hadden uitgezien.

V.

Koeïkoeroe, de hoofdstad van Oenyanyembi, was de residentie van Mkasihoua, het opperhoofd der Voeanyamoeësi van dit gewest. Seïd-ben-Selim, de gouverneur der arabische kolonie, hield mede daar zijn verblijf, en noodigde mij uit, hem naar zijne woning te vergezellen. Eene dichte menigte stond langs onzen weg geschaard; maar geen enkele kreet liet zich hooren: alleen het oude opperhoofd en de Arabieren spraken tot mij.

Het huis van Ben-Selim stond op den hoek van een ruim plein, door een staketsel afgesloten. Men schonk ons thee uit een zilveren trekpot; in een overdekte schotel van hetzelfde metaal werden heete koekjes gepresenteerd. Ik had nog niets gebruikt, en daarbij grooten trek; de gouverneur zal zich waarschijnlijk wel verwonderd hebben over het gemak, waarmede ik elf kopjes van zijne keurige thee uitdronk en eene geduchte bres in zijn stapel gebakjes maakte. Nadat ik hem van harte mijn dank had betuigd, haalde ik mijne pijp voor den dag.

"Vriend sheik, wilt gij rooken?" vroeg ik mijn gastheer.

"Dank u; de Arabieren rooken niet."