Stanley's tocht ter opsporing van Livingstone De Aarde en haar Volken, 1873

Part 2

Chapter 23,658 wordsPublic domain

Eene laatste onaangenaamheid wachtte mij nog bij de betaling mijner rekeningen. Laat ieder, die te Zanzibar komt, zorgen dat hij baar geld bij zich heeft. Credietbrieven, wissels, banknoten, mandaten, wat ook, niets wordt hier aangenomen, zonder eene korting van twintig tot dertig percent per dollar; en dan nog kost het de grootste moeite uw papier kwijt te raken. Eindelijk was toch ook dit afgeloopen. Mij restte nu nog slechts de Europeanen te bedanken, die mij hunne hulp en medewerking hadden verleend, en afscheid te nemen van zijne hoogheid den sultan, die mij een arabisch paard ten geschenke had gegeven en mij ook op andere wijze zijne goede gezindheid had betoond. Hij gaf mij nu aanbevelingsbrieven mede voor zijne ambtenaren langs de kust, en ook een firman gericht aan alle Arabieren, die ik onder weg zou ontmoeten.

Mijn laatste bezoek was aan den heer Goodhen, een amerikaansch koopman, sedert geruimen tijd te Zanzibar gevestigd, en die mij, bij het afscheid nemen, een bruinen vos ten geschenke gaf, een echt raspaard, van de Kaap afkomstig, en dat minstens vijftienhonderd gulden waard was.

Den volgenden dag, 5 Februari, negen-en-twintig dagen na onze komst op het eiland, lagen vier daous, arabische barken, ten anker voor het consulaat der Vereenigde-Staten. Alles was ingescheept, alle man was aan boord: John Shaw en Farquhar verschenen niet. Eindelijk, na lang zoeken, vond men ze bij een drankverkooper.

"Een slecht begin," zeide ik tot hen.

"Denkt ge niet, mijnheer, dat ik verkeerd gedaan heb, toen ik beloofde met u te gaan?" vroeg Shaw.

"Hebt gij het contract niet geteekend?" vroeg ik op mijn beurt. "En nu, spoedig aan boord. Wat ons ook te wachten sta, niemand mag zijn plicht verzaken!"

II.

De afstand van het eiland Zanzibar naar Bagamoyo op den vasten wal bedraagt niet veel meer dan vijf-en-twintig mijlen: toch had onze luie daou niet minder dan tien uren voor die reis noodig.

Eene bonte volksmenigte; uit Arabieren, Banyans en inlanders bestaande, stond ons op het strand op te wachten; onder hen merkte ik een der geestelijken op van de missie, die de Jezuïeten te Bagamoyo hebben gesticht. De eerwaarde pater bood ons, met uitgezochte beleefdheid, dadelijk de gastvrijheid aan; maar hoe hartelijk en dringend de uitnoodiging ook mocht zijn, toch nam ik haar slechts voor een enkelen nacht aan, daar mijne vrijheid mij boven alles waard is.

Den volgenden morgen begaf ik mij reeds vroeg naar ons kamp en telde mijne ezels; ik miste er twee, benevens een rol koperdraad. Blijkbaar hadden al onze lieden geslapen, zonder aan dieven te denken. De djemadar, de kommandant der plaats, werd van het voorgevallene onderricht, soldaten werden in verschillende richtingen uitgezonden; aan den vinder van het vermiste werd eene belooning toegezegd. Nog voor den avond werd een der ezels teruggevonden in een maniokveld, waar hij rustig de bladeren afknabbelde; de andere was evenwel voorgoed verdwenen, evenals het koperdraad.

In den loop van den dag ontving ik een bezoek van Ali-ben-Selim, die mij kwam begroeten. Zijn broeder het voormalige opperhoofd der karavaan van Burton en Speke, zou mijn agent zijn in Oenyanyembe; ik liet mij door zijne beleefdheid innemen, en ging des avonds een kop koffie bij hem drinken. De koffie, hoewel zonder suiker gebruikt, was zeer goed; en het onthaal was zoo vriendelijk mogelijk.

"Wat kan ik voor u doen? ik ben uw vriend, en wensch niets liever dan u dit te toonen."

"Ik heb groote behoefte," antwoordde ik, "aan een vertrouwd persoon, die mij zoo spoedig mogelijk aan de noodige dragers helpt. Zoo gij er mij honderd-veertig bezorgen kunt; wil ik u gaarne betalen wat gij vraagt."

"Mij betalen voor zoo kleine dienst!" hernam de slang, op zoetvloeienden, zalvenden toon. "Ik vraag u niets, mijn vriend; en wees maar gerust, over veertien dagen zijt gij niet meer hier."

Twee gewichtige redenen deden mij een spoedig vertrek zeer wenschelijk achten. Was het waar, dat Livingstone, zooals de heer Kirk beweerde, eene ontmoeting met mij zou trachten te vermijden, dan kwam het er voor mij op aan, Oedzjidzji te bereiken, vóór het gerucht mijner komst tot daar kon zijn doorgedrongen. Nu was de masika, de regentijd, niet verre meer: overviel zij mij te Bagamoyo, dan zou ik daar moeten vertoeven, tot zij voorbij was: minstens een oponthoud van veertig dagen.

Getrouw aan zijne belofte, kwam Ali den volgenden morgen bij mij, en onderzocht met een zeer ernstig gezicht, mijne bagage. Hij deelde mij mede, dat al die pakken en balen in matten zakken gepakt moesten worden, en dat hij iemand zou zenden om daarvan de maat te nemen. Vooral drukte hij mij op het hart, niet met dien man over den prijs te spreken; daar zou hij voor zorgen. Het inpakken mijner goederen had ik opgedragen aan een zekeren Jetta, commissionnair te Zanzibar, die alles door elkander had ingepakt, zonder zich om het gewicht te bekommeren. Nu verschijnen op zekeren dag twee pagazis (dragers), die, eer zij zich verhuren, de bagage wenschen te zien. Zij lichten de pakken op, trekken een bedenkelijk gezicht, en weigeren eene overeenkomst aan te gaan. De bagage wordt nu gewogen: elk pak woog minstens dertig pond meer dan het bepaalde maximum. Alles moest weder losgemaakt, uit elkander genomen en op nieuw ingepakt worden.

Dit verdrietig werk was eindelijk afgeloopen; de veertien dagen waren verstreken: en nog was er geen drager te zien. Ik zond Mabroeki naar Ben-Selim. "Over eenige dagen zult ge ze allen hebben," antwoordde de Arabier; maar ik geloof er geen woord van, zeide Mabroeki, die mij de boodschap overbracht; ik heb hem hooren zeggen, dat de sultan u aan den djemadar had aanbevolen, en dat hij zich met uwe zaken niet had te bemoeien.--De veertien dagen waren verloren!

Ik herinnerde mij nu, dat een rijke Hindi mij gesproken had over een zekeren Hadji Pallou, die wel nog zeer jong was, maar toch, volgens hem, zijns gelijke niet had, als het op het vormen eener karavaan aankwam. Dat was nog eene laatste uitkomst. Ik zond mijn tolk naar Zanzibar; na verloop van drie dagen keerde hij terug met een brief van den Hindi, en eene menigte zeer nuttige en bruikbare zaken, die de heer Webb mij zond. Korten tijd daarna ontving ik een bezoek van Sour Hadji Pallou. Hij deelde mij mede, dat er geen dragers dan tegen zeer hoogen prijs te bekomen waren; dat eene menigte Arabieren steeds op de loer lagen naar elke gelegenheid om er eenigen meester te worden, en ieder man met twintig doti (tachtig el katoen) betaalden. En toch moesten zij, die geen hooger bod deden, dikwijls nog een half jaar wachten. "Zoo gij spoedig wilt vertrekken, zeide hij eindelijk, moet gij minstens vijf-en-twintig doti geven; dan zult ge binnen drie weken gereed zijn."

"Het is goed," antwoordde ik, terwijl ik hem tevens liet zien dat ik genoegzamen voorraad van stoffen had om ruim te kunnen betalen;--"en voegde ik er bij, gij zult bovendien een geschenk ontvangen, waarmede gij tevreden zult zijn."--"Een geschenk! O, neen! volstrekt niet!" hij verzocht mij alleen aan mijne vrienden en landgenooten te doen weten, "welk een geschikt, fatsoenlijk jongmensch hij was." Toen verhaalde hij mij, tot mijne groote verwondering, dat hij bij zich aan huis tien dragers had; en dat zoo ik hem aanstonds vier balen katoen, twee zakken met koralen en twintig rollen koperdraad zond, de pagazis reeds den volgenden morgen, met drie mijner soldaten, zouden vertrekken; "want kleine karavanen verdienden de voorkeur boven groote, die de begeerlijkheid der stamhoofden opwekten en hen maar al te dikwijls tot vijandelijkheden uitlokten; de kleine daarentegen trokken ongemerkt voorbij."

De balen werden aan zijn huis bezorgd; ik wenschte mij zelf geluk, dat ik met dien geschikten fatsoenlijken jonkman in aanraking was gekomen, en schreef in mijn dagboek eene schitterende lofrede over zijne bekwaamheid, hulpvaardigheid en belangeloosheid. Ik dacht er reeds over na, welk geschenk ik hem geven zou, toen hij den volgenden morgen bij mij kwam "om de zaak af te doen," en mij, met de onverstoorbaarste kalmte, zijne rekening voorlei: "Eene som van.... wegens de betaling van vijf-en-twintig doti, als loon, aan iederen drager." Hij verzocht mij tevens, die rekening zoo dadelijk in klinkende munt te betalen. Ik wist letterlijk niet wat ik zeggen zou. Ik nam de vrijheid, dien fatsoenlijken jonkman onder het oog te brengen, dat toen ik hem gisteren de drieduizend doti liet zien, die in mijne tent waren, wij hadden afgesproken, dat ik zelf de dragers betalen zou. Hij stemde dit toe, maar kwam er openlijk voor uit dat hij zijne eigene waren wenschte te verkoopen, en niet de mijne: en dat hij daarom het contract maar had ter zijde gesteld. Ons gesprek duurde langer dan een uur. De brave jongeling smeekte en bad en schreide, en beloofde dat hij zich nooit meer met mijne zaken zou bemoeien. Ik gaf evenwel niet toe; en eindelijk ging Hadji Pallou, tevreden met het commissieloon dat hem niet ontgaan kon, heen, de drie soldaten met zich nemende, die zijne dragers moesten vergezellen. Toen zijn katoen hem terug werd gegeven, bleek het, dat in plaats van de vijf-en-twintig doti, die hij mij in rekening bracht, de pagazis er hoogstens ieder niet meer dan twintig hadden ontvangen; sommigen waren met twaalf doti afgescheept.

Toch moest ik de hulp blijven inroepen van dien schavuit, die, terwijl hij de halve stad door zijne in het oog loopende vroomheid stichtte, mij tien malen per dag bestal, en als hij ontdekt werd, daarover niet de minste schaamte gevoelde. Gedurende de zes weken, die ik daar heb doorgebracht, heeft die onbeschaamde jongen mij meer last en hoofdbreken veroorzaakt, dan al de gauwdieven van New-York aan de--het is waar tamelijk zorgelooze--politie. Wellicht zal men mij vragen, waarom ik dien fielt niet dadelijk de deur heb gewezen? Omdat ik zonder hem misschien zes maanden te Bagamoyo had moeten blijven.

Den 18den Februari ging de eerste afdeeling mijner karavaan op weg; de tweede volgde op den 21sten, vier dagen later vertrok de derde; den 11den Maart ging de vierde op reis, en den 21sten dier maand de vijfde of laatste, waartoe ik zelf met Shaw behoorde. Verder bestond ons gezelschap uit acht-en-twintig pagazis, twaalf soldaten, een kok, een kleêrmaker, een tolk, een bediende, twee paarden, zeventien ezels en een hond. In het geheel was onze karavaan honderd-twee-en-negentig manschappen sterk.

Ons vertrek van Bagamoyo geschiedde onder de gunstigste voor teekenen. Wij waren allen vroolijk en opgewekt en vol hoop; de soldaten zongen; de kirangozi, dat wil zeggen de gids, stiet allerlei afschuwelijke geluiden uit, terwijl hij de vlag der Vereenigde-Staten heen en weer zwaaide. Mijn hart klopte zoo hevig, dat ik groote moeite had, de onverstoorbare kalmte te bewaren, die aan het opperhoofd eener karavane voegt. De zorgen en beslommeringen, die mij sedert meer dan twee maanden hadden bezig gehouden, waren vergeten; de toekomst opende zich voor mij, rijk aan de schoonste beloften, de bemoedigendste verwachtingen. De landstreek was bekoorlijk: vreemde boomen, vruchtbare velden, een weelderige, liefelijke plantengroei. Vroolijk straalde de zon boven mijn hoofd; vroolijk zongen de vogelen in bosch en veld, vroolijk gonsden de insecten door de warme lucht: alles scheen mij toe te roepen: Houd goeden moed! Geluk op reis!

III.

Den 26sten Maart kwamen wij te Kikoka, een dorp, of liever een verzameling van strooien hutten, waar wij den nacht doorbrachten. De weg, dien wij gevolgd waren, en die vóór mij nog door geen blanke was betreden geworden, had ons door eene schoone, afwisselende landstreek gevoerd: velden, bosschen, heuvelen, valleien. Ook toen wij den volgenden morgen onze reis voortzetten, behield het landschap dat eigenaardig, bekoorlijke karakter, dat mij aan een groot engelsch park denken deed. Weldra begon de grond zich met gelijkmatige golvingen te verheffen, eindelijk vertoonden zich enkele heuvelen met struikgewas en riet bedekt. Op een dier heuvelen, door dicht en doornig kreupelhout omgeven, ligt Rosako. Op korten afstand ligt een ander dorp, evenzeer door een bij kans ondoordringbaren gordel van mimosas beschut. Tusschen de beide dorpen breidt zich eene vruchtbare vallei uit, waardoor een beek kronkelt.

Rosako ligt op de grens van Oekoeéré; wij trokken het dorp binnen, en sloegen midden tusschen de woningen ons kamp op. Reeds hadden wij sedert eenigen tijd de vierde afdeeling onzer karavaan ingehaald. Toen wij den volgenden morgen op het punt stonden van te vertrekken, kwam Maganga, de aanvoerder dier bende, mij berichten dat drie van zijne pagazis ziek waren. Ik liet de bende te Rosako achter, en vervolgde met mijn eigen gezelschap den tocht. Maar weldra begon ik mij over dit achterlaten te verontrusten en liet halt houden. Wij bevonden ons juist nabij de bijkans uitgedroogde bedding eener beek, waarin nog enkele plassen stonden. Nauwelijks hadden wij ons kamp opgeslagen, of wij werden met schrik gewaar hoezeer het op deze plek van insecten wemelde, vooral van vliegen, waarvan ik drie soorten onderscheidde, die al gonzende, bij groote scharen, door mijne tent rondvlogen. De tegenwoordigheid dier lastige en venijnige gasten beviel mij volstrekt niet. Ik herinnerde mij, wat de heer Kirk had verteld van de verderfelijke tsétsé, die in deze streken te huis behoort. De inboorlingen verzekerden mij dat al deze vliegen de gezworen en zeer gevaarlijke vijanden waren van het vee, hetgeen ook de bijna volstrekte afwezigheid van runderen, in eene streek zoo rijk aan weilanden, verklaarde. Ik onderzocht deze vliegen zoo nauwkeurig mogelijk. De grootste, die bijna drie duim lang was, hield ik voor de afrikaansche paardenvlieg. De tweede kwam meer overeen met de beschrijving, die men mij van de tsétsé gegeven had. Zij was zoo vlug, dat mijne lieden meer dan een uur werk hadden, eer zij er eene gevangen hadden. Zoodra men haar aanvatte, stak zij met alle macht, en hield met hare aanvallen niet op, voor haar een speld door het lijf was gestoken. De derde maakte minder gerucht dan de beide anderen, maar was veel geduchter; de paarden en ezels, door haar gestoken, steigerden en sloegen van pijn, terwijl hun het bloed langs het lijf liep. Later heb ik ontdekt dat zij inderdaad de beruchte tsétsé was.

Reeds waren er twee dagen voorbijgegaan, zonder dat wij iets van Maganga hadden vernomen. Ik liet hem zeggen, dat hij zich wat moest haasten, en dat ik hem aan de volgende halt zou afwachten. Daarop vertrokken wij naar Kingaroe, in eene nauwe moerassige vallei, door hooge boschrijke heuvelen omringd, gelegen: een ware bakermat voor de koorts. Het was dan ook een bij uitnemendheid ongezond oord, vooral nu de regentijd zich reeds begon aan te kondigen door geweldige stortbuien. Ik had nog geen twee dagen hier vertoefd, of reeds waren mijne beide paarden bezweken; Selim kreeg de koorts, toen de kok, toen diens bediende, toen de kleermaker. Van mijne vijf-en-twintig manschappen, waren er tien ziek.

Eindelijk den 4den April, verscheen Maganga, dien ik nu weder vooruit liet trekken. Den volgenden morgen hervatten ook wij den tocht, die ditmaal weder zeer bezwaarlijk was. Onze weg voerde ons door een bijkans ondoordringbaar dicht kreupelhout, waar de uitwasemingen van rottende planten ons schier deden stikken; het pad, dat tusschen twee hooge muren van stekelige doornen voortliep, was niet veelmeer dan een voet breed; en men kan zich moeielijk voorstellen wat het in heeft, langs zulk een weg, zeventien zwaar beladen ezels door zeven mannen te doen voortdrijven, te meer daar de scherpe doornen elk oogenblik in de bagage bleven haken. Toen wij, na een uiterst vermoeienden tocht, te Msoehoea aankwamen, moesten wij daar uitrusten, om menschen en beesten weder eenigszins op hun verhaal te laten komen. Het opperhoofd van het dorp gaf mij een zijner vetste schapen en vijf maten sorgho ten geschenke, wat mij zeer gelegen kwam. Van mijne zijde schonk ik hem acht ellen katoen, en liet hem mijne wapenen, en vooral mijne revolvers zien, die in de hoogste mate zijne bewondering opwekten.

Voorbij Msoehoea werd de weg aanmerkelijk beter, zoodat wij onze reis door eene schilderachtig schoone, heuvelachtige landstreek, zonder bezwaar konden vervolgen, en den 17den April te Moehalleh aankwamen, waar ik Selim-ben-Râshid aantrof, die met driehonderd olifantstanden uit het binnenland kwam. Hij schonk mij eene hoeveelheid rijst, en gaf mij ook, wat nog meer waard was, eenige berichten aangaande Livingstone. De brave Arabier had hem te Oedsjidsji achtergelaten, waar hij, gedurende veertien dagen, in eene hut naast die van Livingstone had gewoond. "Hij is zeer ziek geweest, zeide Selim, en ziet er uit als een grijsaard: zijn gelaat is vervallen en zijn baard bijna wit."

Den volgenden morgen gingen wij verder de vallei in, en trokken langs de muren van Simbamoeënni, de hoofdstad van Oesegoehha. De aanblik dezer stad, aan den voet der bergen van Oeroegoeroe, in eene prachtige, door twee rivieren besproeide vallei gelegen, trof mij. Zij telt ongeveer vijfduizend inwoners; de huizen zijn naar afrikaansche wijze, maar in den besten stijl gebouwd; de stad is volgens het arabisch-perzische stelsel versterkt. Aan iederen hoek van de steenen omwalling verhief zich een massief steenen toren; de muur had vier poorten, naar de vier windstreken gericht, die met zware houten deuren gesloten werden. Het koninklijk paleis was een langwerpig gebouw met eene veranda en een steil oploopend dak, dat ver buiten den muur uitstak. Dit paleis werd bewoond door eene sultane, dochter van zekere Kisabengo, een handigen schurk, die bij zijn leven de schrik van zes gewesten was geweest. Van lage afkomst, maar met eene buitengewone lichaamskracht begaafd, vlug ter taal, sluw en handig, had Kisabengo zich een grooten invloed weten te verwerven op de weggeloopen slaven, die hem als hun hoofd erkenden. Door de justitie achtervolgd, was hij naar 't binnenland gevlucht, en had daar op groote schaal zijne roof- en plundertochten voortgezet: met dat gevolg dat hij eindelijk de Voeakami gedwongen had, hem eene uitgestrekte landstreek in hunne prachtige vallei af te staan. Op de fraaiste plek dier streek had hij zijne hoofdstad gebouwd, waaraan hij den naam gaf van Simbamoeënni, dat wil zeggen Leeuwenstad. Tegen het einde van zijn leven, had de oude bandiet zijn naam van Kisabengo voor dien zijner stad verruild; en bij zijn sterven had hij gewild dat zijne dochter, die hem in de regeering opvolgde, dienzelfden koninklijken naam zou voeren.

Vier mijlen van Simbamoeënni, aan den oever der rivier, sloegen wij ons kamp op. Wij waren midden in den regentijd; en zeer spoedig werd ik gewaar, dat mijn verblijf in de moerassen van Arkansas mij nog niet had gehard tegen de beproevingen van de afrikaansche masika. Ik kreeg de koorts; maar het gelukte mij, die spoedig, althans voor een tijd, te verdrijven. Intusschen was het onmogelijk den volgenden dag te vertrekken, zooals ik mij had voorgenomen. De Oengerengeri, in het droge jaargetijde een onbeteekenend rivierke, wordt in den regentijd een geweldige stroom, die het water van de naburige bergen ontvangt, en met geen mogelijkheid te doorwaden is. Bovendien regende het aanhoudend: een dier vervelende regens, die u dwingen in huis te blijven en u uit uw humeur maken; geen stortbuien, maar een voortdurend bad van lauw water, met vochtigen nevel doormengd.

De plek waar wij ons kamp hadden opgeslagen, mocht inderdaad een kweekplaats voor de pest worden genoemd; de onreinheden, daar door vele opvolgende geslachten van dragers achtergelaten, hadden gansche zwermen van kruipende en wriemelende ongedierten gekweekt: de grond, de boomen, de struiken, de lucht wemelden er van. Het was hier niet uit te houden, en met vreugde maakten wij van den eersten helderen dag gebruik, om onze bagage naar de overzijde der rivier te vervoeren. Dit ging niet gemakkelijk, want wij moesten ons behelpen met eene brug, die voor ieder ander dan negers of akrobaten van beroep onbegaanbaar was. Zulk eene afrikaansche brug is niet anders dan een boom, die van den eenen oever tot den anderen reikt; ge begint nu met van den oever op een der takken te springen, die zeer dikwijls half onder water ligt; dan scharrelt ge voort tot aan het andere einde, en moet dan weer een sprong wagen om den vasten grond te bereiken. Met een vracht van zeventig pond op den rug, is dat geene lichte zaak. Somwijlen heeft men de voorzorg gebruikt, van eene liane, naast de zoogenaamde brug, bij wijze van leuning, over de rivier te spannen: maar deze weelde is verre van algemeen. De overtocht duurde vijf uur, maar liep zonder ongelukken af.

Wij trokken nu noordwaarts voort, en bereikten eindelijk den voet van een heuvel, waar wij een zoogenaamde _khambi_, een kamp, vonden, waarvan de hutten in een goeden staat verkeerden. Deze plek heette Simbo. Van den top des heuvels overzagen wij eene wijde vlakte, de vallei van de Makata, die wij nu moesten doortrekken. Deze uitgestrekte moerassige vlakte, door eene menigte _nullahs_ (greppels, of liever beddingen van beeken) doorsneden, die nu vol water stonden en met riet en biezen waren begroeid, heeft bij mij alleen de herinnering achtergelaten aan een vervelenden, uiterst vermoeienden marsch van tien uren, waarin wij niet meer dan even zooveel mijlen hadden afgelegd. Het was bijna middernacht, toen onze kar, door vier haast van vermoeienis bezwijkende mannen begeleid, in het kamp, dat wij in deze woestijn hadden opgeslagen, aankwam. Bombay, die medekwam, verhaalde mij dat zijne bagage hem ontstolen was, toen hij die had nedergelegd om de kar uit den modder, waarin zij bleef steken, te helpen trekken. Naar zijne meening behoorden de dieven tot den stam der Vouashensi, die de karavanen volgen met het doel om de achterblijvers uit te plunderen. Onder de verloren voorwerpen bevonden zich een groote amerikaansche bijl, een tent, een pistool en een hoorn met kruit van de beste kwaliteit. Ik maakte mij zeer boos, en beval Bombay, bij het krieken van den dag dadelijk op weg gaan, om zijn pak op te sporen.

Tevens zond ik drie mijner soldaten naar Simbamoeënni om graan te koopen, en den kok te halen, die reeds den vorigen dag was vertrokken en niet teruggekomen. Drie dagen gingen voorbij, eer mijne manschappen terugkeerden. Eindelijk verscheen Bombay: hij had niets gevonden. Ik ontnam hem zijn titel van hoofdman, en zond Shaw uit om te onderzoeken wat er van de anderen geworden was. Hij keerde nog denzelfden avond, met een geweldige koorts op het lijf.