Stanley S Tocht Ter Opsporing Van Livingstone De Aarde En Haar

Chapter 4

Chapter 43,847 wordsPublic domain

"Vergunt ge mij, dat ik na den eten, om de spijsvertering te bevorderen....."

"O, zeker; ga gerust uw gang."

Nu begon het vragen over en weder. Nieuws van de reis; nieuws van Zanzibar, van Maskate, van de oude kennissen: alles kwam te berde.

"Waar is tegenwoordig," vroeg Seïd-ben-Selim, "die Hadji Abdallah, die hier zoowat twaalf jaar geleden geweest is met Spiki?"

"Die Abdallah heet bij ons Burton; hij is tegenwoordig consul te Damaskus; Speke is op de jacht omgekomen."

"Ouallah! Is Spiki dood? jammer! jammer! het was zoo'n goede man."

"Maar," hernam ik, "zeg mij eens, waar ligt Kazeh?"

"Dat weet ik niet."

"Hoe nu! en gij waart zelf daar met Burton, met Speke, en later met Grant. Hebben Burton en Speke hun intrek niet genomen bij Moura-Mzouri?"

"Ja wel; maar te Tabora."

"Maar waar ligt dan toch Kazeh? Ik vraag dat aan iedereen, en niemand kan het mij zeggen. Toch noemen de drie reizigers de plaats, waar gij ze ontmoet hebt, met dien naam."

"Ik heb dien naam nooit gehoord. Maar, wacht eens: in de landtaal beteekent Kazeh koninkrijk; misschien hebben zij de plaats, waar zij bij hunne komst stilhielden, aldus genoemd. Zeker is het, dat ik hen meermalen bezocht heb, en dat de beide huizen, waarin zij toen verblijf hielden, te Tabora stonden. Maar ik zal u uwe woning toonen; zij ligt te Koeïhara, en niet meer dan een uur gaans van Tabora."

Wij begaven ons op weg en bereikten weldra Koeïhara, in eene tamelijk eentonige vallei gelegen. Voor de deur mijner woning, vond ik mijne pagazis, nevens hun bagage op den grond gezeten.

"Treedt binnen," zeide Ben-Selim; "deze woning behoort aan u. Ziehier het verblijf voor uwe manschappen; daar zijn de magazijnen, de keuken, de gevangenis. Hier kunt ge de Arabieren ontvangen. Deze vertrekken zijn voor uw reismakker. En deze hier zijn kamers voor u zelf: slaapkamer, badkamer, wapenkamer, enz."

Ik moest nu in de eerste plaats zorgen voor het bergen der koopwaren, en de betaling der pagazis, wier diensttijd verstreken was. Toen dit alles was afgeloopen, en al de balen en pakken eene behoorlijke plaats hadden gekregen, zette ik mij aan den maaltijd, die door slaven voor mij was gereed gemaakt. Na den maaltijd verschenen weder eenige slaven, die mij vijf vette ossen, acht schapen en tien geiten ten geschenke brachten; van eene andere zijde ontving ik twaalf kippen en een dozijn eieren. Zulk eene vorstelijke gastvrijheid had ik bijna nog nooit ondervonden.

Den volgenden morgen kwamen de aanzienlijken van Tabora mij begroeten. Tabora, door Burton, Speke en Grant Kazeh genoemd, is de voornaamste arabische nederzetting in het binnenland van Afrika. De stad telde toen meer dan duizend huizen; het getal der inwoners, Arabieren, Zanzibariten en inboorlingen, kon veilig op vijf duizend worden geschat.

Het was inderdaad een lust, mijne bezoekers te zien: bijna zonder uitzondering waren het mannen met een schoon, edel voorkomen, vol waardigheid en innemende bevalligheid tevens. De meesten waren van het eiland Omar of Arabië afkomstig; sommigen waren van de kust van Afrika geboortig. Aan hunne edelmoedigheid dankte ik de schitterende geschenken, die mij den vorigen avond waren geworden. Zij waren allen zeer vermogend, en leefden op grooten voet. De vlakte van Tabora, hoewel arm aan boomen, is bij uitnemendheid vruchtbaar; overal ziet men weilanden met vee, of akkers met rijst, sorgho, maïs, gerst, sesam of andere vruchten bebouwd. Rondom hunne tembés laten deze Arabieren rogge telen, en hebben zij vruchtboomen geplant, die zeergoed opgroeien. Eens in het jaar ontvangen zij van de kust den noodigen voorraad specerijen, ingelegde vruchten, wijn on andere dranken: in een woord, alles waaraan zij behoefte hebben.

Het bezoek van deze groote heeren was niet meer dan eene beleefdheid; ons gesprek was nietsbeduidend: eenige vragen naar mijne gezondheid van hun kant, dankbetuigingen van mijne zijde; daarmede was alles afgeloopen, en keerde mijne bezoekers naar hunne woning terug.

Drie dagen later begaf ik mij, met een gevolg van achttien personen, op weg, om tegenbezoeken af te leggen. Ik begaf mij eerst naar de woning van Ben-Ali: een dorp in het klein, eene verzameling van tembés en hutten, in gedaante aan bijenkorven gelijk. Na een uur wandelens, zat ik onder de veranda van dezen vermogenden man.

Na de moka-koffie en de sorbet, die mij werden aangeboden, te hebben gebruikt, begaf ik mij naar de woning van Khamis-ben-Abdallah, waar ik een groot gezelschap bijeen vond. Ik kwam juist op het oogenblik, dat er een soort van krijgsraad zou gehouden worden, en men noodigde mij uit, daaraan deel te nemen. Zekere Mirambo, zoo vernam ik nu, lag sedert geruimen tijd overhoop met al de hoofden uit den omtrek. Deze man, aanvankelijk een eenvoudige pagazi, had zich, door allerlei middelen en streken, tot den hoogsten rang weten te verheffen. Eenige gelukkige ondernemingen, waarbij zijne volgelingen zich hadden verrijkt, hadden zijn gezag bevestigd; en sedert kende zijne vermetelheid geene grenzen meer. Hij had zijne vernielende strooptochten uitgestrekt tot aan Oevinza en Oekonoego; laatstelijk had hij twist gezocht met Mkasihoua, vorst van Oenyanyembi, en nam het nu den Arabieren kwalijk, dat zij weigerden hem in zijn oorlog tegen hun ouden vriend te helpen. Als bewijs zijner ontevredenheid, had hij van eene karavaan, die zich naar Oedsjidsji begaf, eene schatting gevorderd van vijf vaatjes kruit, vijf geweren en vijf balen katoen. Toen, na lange onderhandeling, deze buitensporige schatting was betaald geworden, had hij de karavaan gelast terug te keeren, met de verzekering, dat voortaan geen enkele karavaan zijn gebied zou mogen doortrekken.

Seïd-ben-Selim, gouverneur der kolonie, had zijn uiterste best gedaan om den tiran tot andere gedachten te brengen; maar Mirambo had naar geen reden willen luisteren, en zeer duidelijk te verstaan gegeven, dat hij de Arabieren zou verjagen en Oenyanyembi veroveren. Het gold nu de vraag, wat men doen zou. Hoewel een enkele nog tot verzoening ried, was toch de overgroote meerderheid van oordeel, dat aan deze onbeschaamdheid een einde moest worden gemaakt; er werd dan ook tot den oorlog besloten.

Volgens de Arabieren zou de zaak spoedig afgeloopen zijn en hoogstens een veertien dagen duren. Ik bood mijne hulp aan; mijne bagage zou te Mfoeto achterblijven, onder de hoede van enkelen mijner manschappen; de anderen zouden met mij aan den krijgstocht deelnemen; was eenmaal de weg vrijgemaakt, dan zou ik mijne reis vervolgen.

Den 18den Juli brak ik met mijne manschappen van Koeïhara op. Aanvankelijk hadden zij zeer weinig ingenomenheid getoond met het denkbeeld, hun lui en vroolijk leven vaarwel te moeten zeggen om te gaan vechten, en misschien den dood op het slagveld te vinden. Maar nu zij eenmaal op marsch waren, kwam hun strijdlustige natuur weer boven; met geestdrift volgden zij het wapperende vaandel, en deden de lucht weergalmen van hun eentonig gezang, dat uren lang achtereen werd voortgezet.

In den morgen van den vierden dag kwamen wij te Mfoeto, waar wij de Arabieren zouden vinden. Kort daarop waren hier tweeduizend-tweehonderd-vijftig manschappen bijeen, waarvan vijftienhonderd van vuurwapenen waren voorzien. Ook was er ammunitie in overvloed. Wij vormden dus een niet onaanzienlijk leger.

Twee dagen later hielden wij halt voor Zimbiso, eene versterkte plaats, waar een der schatplichtige leenmannen van den vorst van Oehyohoué verblijf hield. Terwijl onze manschappen de hun aangewezen posten bezetten, werden wij uit het woud met geweerschoten begroet, waarop ons leger dapper antwoordde. Het was een wonderlijk gezicht, die schutters met onbegrijpelijke vlugheid als kikvorschen heen en weer te zien springen, nu ter zijde, dan naar voren, straks weder naar achtereen. Toch was het gevecht ernstig gemeend; en nadat het vuur des vijands tot zwijgen was gebracht, bestormden onze lieden de vesting, braken de poorten open, en klauterden tegen de palissaden op, terwijl de inwoners zich door eene haastige vlucht in het gebergte poogden te redden.

Wij lieten in Zimbiso eene bezetting achter, en vervolgden onzen tocht. Een uur later waren nog twee vijandelijke dorpen in onze handen gevallen, geplunderd en in brand gestoken.--Den volgenden dag verspreidden zich zevenhonderd soldaten door geheel de omliggende streek, tot aan Voeïlyankoeroe, alles te vuur en te zwaard verwoestende. Saoud-ben-Seïd en twintig andere jonge Arabieren sloegen, aan het hoofd van vijfhonderd man, het beleg voor deze laatste plaats, waar zij meenden dat Mirambo zich ophield. Reeds des morgens vroeg was ik naar Ben-Selim gegaan, om hem onder het oog te brengen, dat hij het hooge gras en de struiken in brand moest steken, waarin de vijand zich zoo gemakkelijk kon verschuilen. Toen ik in mijne tent terugkwam, werd ik op nieuw door de koorts aangetast, en het ongeluk wilde dat men mijn raad in den wind sloeg.

Tegen zes uur in den avond vernam men te Zimbiso de noodlottige tijding dat al de Arabieren, die Saoud gevolgd waren, waren gesneuveld, benevens de grootste helft hunner soldaten. De meesten mijner manschappen waren mede in den strijd getogen, vijf hunner, waaronder de voormalige bediende van Grant, hadden den dood op het slagveld gevonden. Latere tijdingen meldden ons, hoe de zaak zich had toegedragen. De Arabieren hadden zich, na korten tegenstand, al spoedig van Voeïlyankoeroe meester gemaakt. Zij waren reeds op den terugtocht, honderd olifantstanden, twee- à driehonderd slaven en zestig balen katoen als buit medevoerende, toen Mirambo en zijne krijgslieden, in het hooge gras weggedoken, plotseling waren opgerezen, en de verraste, met hun buit beladen, soldaten met een regen van kogels en pijlen hadden begroet. De dappere Saoud had twee hunner aanvallers in het zand doen tuimelen; hij was juist bezig zijn geweer voor de derde maal te laden, toen een werpspies hem doorboorde. Al zijne vrienden ondergingen hetzelfde lot.

Den volgenden morgen sprak men over den terugtocht; ik liet aan de Arabieren zeggen, dat zij daardoor Mirambo gelegenheid zouden geven, hen in hun eigen land aan te vallen; dat onze strijdkrachten nog ruim voldoende waren, en dat de oorlog moest worden voortgezet; maar de koorts dwong mij op mijn leger te blijven, en beroofde mij weldra van alle bewustzijn. In den namiddag kwam mijn bediende Selim mij wekken: "Sta op, mijnheer," zeide hij, "zij vluchten allen!"--Ik sleepte mij met moeite naar de deur, en zag een Arabier, die doodelijk ontsteld, mij toeriep: "Haast u! Mirambo is in aantocht!"

Zij waren inderdaad allen gevloden. Van mijne manschappen waren er slechts zeven bij mij gebleven: al de anderen waren verdwenen. Ik zette mij op mijn ezel, en draafde heen. Zoodra ik de Arabieren wederzag, verweet ik hun hun lafhartig gedrag, en kondigde hen tevens aan, dat ik verder geene gemeene zaak meer met hen maken kon, maar mijne reis zou vervolgen.

Doch welken weg moest ik inslaan? De gewone weg was door den oorlog afgesloten. Noordwaarts omtrekken? Daar viel niet aan te denken: daar woonden de Voeasoehi, en de Voeatoeta, bekend vanwege hunne roofzucht en bondgenooten van Mirambo. De zuidelijke richting was verkieselijker; maar weinig lieden kenden dien weg, en de weinigen, die er mede bekend waren, wezen op het gebrek aan water en op de vijandelijke Voeazavira, door wier land deze weg voerde.--Maar eer ik mijne keus op dezen of eenigen anderen weg vestigen kon, moest ik nieuwe dragers vinden: want mijne tegenwoordige pagazis beschouwden hun diensttijd als geëindigd, en de dood van vijf hunner had hun ijver merkelijk doen bekoelen. Mijn toestand was inderdaad moeilijk geworden, want de Voeanyamoeësi willen in oorlogstijd nooit op reis gaan. Toch wilde ik de zaak nog niet opgeven: te minder daar ik begreep, dat indien Livingstone zich nog in Oedsjidsji bevond, hij dat land evenmin kon verlaten als ik Oenyanyembi: de oorlog sneed hem den weg naar Zanzibar af; gebrek aan beschikbare middelen moest hem beletten den Nijl af te zakken. Men had mij bericht, dat Livingstone, bij het oversteken van het meer Liemba, door het omslaan van een zijner booten, zijn ganschen voorraad katoen verloren had. De koopwaren, die men hem sedert gezonden had, waren nog altijd onderweg met mijne eigene bagage: het moest hem dus aan alles ontbreken.

Den 13den Augustus kreeg ik bericht dat Farquhar overleden was, even als de bediende, dien ik bij hem gelaten had om hem op te passen. Hij was de eerste van ons drieën, die weggenomen werd: wie zou nu volgen?

De oorlog woedde nog altijd voort, hoewel de Arabieren meer praatten dan handelden. Den 22sten werden wij des morgens plotseling verrast door kanongebulder in de richting van Tabora. Wij spoedden ons naar de deur: het schieten hield nog steeds aan. Mirambo had, met tweeduizend man, Tabora van de eene zijde aangetast; terwijl een duizendtal Voeatoeta, door de hoop op buit aangelokt, de stad op andere punten bestormden. Tegen den middag kwamen gansche scharen van vluchtelingen naar Koeïhara, en brachten ons de tijding dat vijf der voornaamste Arabieren gedood waren, en daaronder de dappere Khamis. Tabora was een prooi der vlammen geworden; de inwoners verspreidden zich naar alle kanten.

Ik liet in de dikke muren van onzen tembé behoorlijke schietgaten boren, en alles in orde brengen voor mogelijken tegenweer. Dit gaf mijnen lieden nieuwen moed; onderscheidene inboorlingen meldden zich aan om ons te helpen; en des avonds had ik honderd-vijftig man bijeen, die ik op de verschillende punten verdeelde, waar een aanval te duchten was. Maar ook de volgende dag ging voorbij, zonder dat wij iets van Mirambo gewaar werden; hij was naar Kazima getrokken, een vlek twee mijlen ten noordwesten van Tabora gelegen. Den 27sten trokken de Arabieren op, om het dorp aan te vallen; toen zij er kwamen, was Mirambo reeds weder vertrokken. Zij bleven praten en redeneeren, en opperden reeds het denkbeeld om naar Zanzibar terug te keeren, daar het land nu toch verwoest was.

Daar het onmogelijk was Voeanyamoeësi in mijne dienst te krijgen, huurde ik renegaten van Zanzibar, tegen driemaal het gewone loon. Maar ik had niet genoeg soldaten, en ik zag geen kans er meer aan te werven: want niemand toont hier den minsten lust om iets te doen of te ondernemen. Shaw deed niets meer: hij zat letterlijk roerloos, als een beeld, onbestemd voor zich heen te staren, zonder een hand uit te steken. Ik bad en smeekte en dreigde en vleide: niets hielp, hij bleef in dezelfde werkeloosheid verzonken. En toch was hij eens zoo vlug en zoo handig, en in alles de eerste geweest! Bovendien slonk het getal mijner oude soldaten: de een was blind geworden; een ander leed aan eene afschuwelijke wond. Den 4den September stierf Barati aan de pokken: hij was het zevende slachtoffer na ons vertrek van Zanzibar.

Den 15den September was mijne karavaan eindelijk voltallig: sedert mijne komst in Oenyanyembi waren juist drie maanden verloopen. In de hoop dat onze marsch daardoor zou worden versneld, had ik de vracht van ieder man tot op vijftig pond verminderd. Te Koeïhara liet ik de goederen achter, die ik eerst op onze terugreis zou noodig hebben; en alle toebereidselen volbracht hebbende, gaf ik mijn manschappen een paar dagen vrij, om zich met hunne vrienden en bloedverwanten op mijne kosten te onthalen.

Den 20sten September vertrokken wij. Onze karavaan bestond uit vier-en-vijftig personen: dragers, soldaten en anderen. Het had moeite gekost ze bijeen te krijgen, en niet minder moeite hen zoover te brengen, dat zij voor de reis gereed waren: maar eindelijk waren wij dan toch op weg. Vier dagen later, na een tocht door eene fraaie, heuvelachtige streek, kwamen wij te Kigandoe, waar wij onzen intrek namen in een oud, verlaten kamp. Bij den ingang der palissade, liet Shaw, die de gansche reis over geklaagd had, zich op den grond nedervallen, en bleef onbewegelijk zitten. Toen ik hem aansprak, antwoordde hij schreiende, dat hij naar Koeïhara wilde terugkeeren. Ik trachtte hem van dat denkbeeld terug te brengen; ik wees er op dat hij daar niemand zou vinden om hem op te passen: niets mocht baten. Ik liet eenige levensmiddelen en een draagbaar voor hem gereed maken, en huurde in het dorp vier krachtige mannen om hem te vervoeren. Den volgenden morgen sloeg hij den weg in naar het noorden, terwijl ik mij zuidwaarts richtte.

Wij beklommen eene hoogte, met reusachtige blokken van syeniet bezaaid, die hoog boven het lage hout uitstaken. Vandaar overzagen wij een landschap, dat voor ons niets verrassends had. Het grenzenlooze woud strekte zich voor onze blikken uit; met bosch bedekte heuvelreeksen verhieven zich in onafzienbare lijnen boven en achter elkander, allengs wegsmeltende in de doorgloeide, trillende atmosfeer, die, op zekeren afstand, alle voorwerpen als met een blauwachtigen sluier omhulde. Dagen en weken achtereen ging onze tocht nu door eene eindelooze opeenvolging van wouden, hier en daar afgebroken door enkele dorpen, verloren te midden dezer groene wildernis; afgebroken ook nu en dan door lage, moerassige gronden, met hooge jungles bedekt: kweekplaatsen van de koorts.

Het was een treurige, moeilijke tocht. Mijn volk, door vermoeienis uitgeput, dreigde zelfs een enkele maal in openbaar verzet te komen, en werd alleen door mijne kalmte en tegenwoordigheid van geest in bedwang gehouden. Selim, mijn getrouwe Selim, die mij van Jeruzalem had vergezeld, en mij de uitnemendste diensten bewezen, werd zoo ziek, dat wij in een der dorpen eenige dagen halt moesten houden, om hem althans eenigszins tot zijne krachten te laten komen. Daar kwam bij, dat overal in de omliggende streek, de stammen met elkander in oorlog waren, waardoor onze reis zeer werd bemoeielijkt, en wij telkens van den naasten weg moesten afwijken.

In de eerste dagen van November bereikten wij de oevers van den Malagarazi, die zijne wateren in het meer Tanganjika uitstort. Daar ontmoetten wij eene kleine karavaan, die uit Oedsjidsji kwam, en ons belangrijke tijdingen bracht. "Een moussoungou is van Manyema gekomen.--Een blanke?--Ja.--Hoe is hij gekleed?--Zooals gij.--Is hij jong?--Neen, het is een oud man, met een grijzen baard.--Is hij nog te Oedsjidsji?--Geen acht dagen geleden hebben wij hem daar nog gezien.--"--Hoezee, dat was Livingstone! Nu haastig vooruit, anders mocht hij ons ontsnappen! Ik beloof mijn manschappen ieder acht ellen katoen, indien zij, zonder verder halt te houden, naar Oedsjidsji zullen doormarscheeren. Allen namen mijn aanbod aan; zij waren bijna even verheugd als ik zelf.

Aanstonds hervatten wij den tocht. Toch hadden wij nog met tegenspoed te worstelen. Wij moesten, alvorens Oedsjidsji te bereiken, door Oehha trekken, en den doortocht door dat land moesten wij van de schraapzuchtige en bedriegelijke hoofden koopen door het betalen van buitensporige schattingen, waaraan ik mij zeker niet zou onderworpen hebben, ware het niet geweest dat elke bedenking moest wijken voor de vurige begeerte om zoo spoedig mogelijk de lang gewenschte plaats onzer bestemming, het einddoel onzer reis, te bereiken.

Eindelijk, na een nachtelijken tocht om ons aan verdere afzetterijen te onttrekken, kwamen wij te Nyantaga, het eerste dorp in Oedsjidsji, waar wij met groote vriendelijkheid ontvangen werden. Wij slaan ons kamp op. "Haal mijne nieuwe kleederen uit den koffer," zeg ik tegen Selim, "opdat ik in behoorlijk gewaad kunne verschijnen voor den man, dien wij morgen zullen zien."

VI.

Het is den 10den November 1871, de tweehonderd-zes-en-dertigste dag sedert ons vertrek van de kust: wij hebben een marsch van zes uur voor ons, eer wij Oedsjidsji zullen bereiken. Het is prachtig weer: een heerlijke morgen; eene frissche lucht; een heldere hemel; een fraai landschap. Wij allen gevoelen ons zoo opgewekt, zoo welgemoed, als op den morgen--hoe lang is dat al geleden!--toen wij van Zanzibar opbraken.

"Voorwaarts, kameraden!"--"Ja, bij Allah! meester!" en wij gaan snel vooruit. Met fikschen stap vervolgen wij onzen weg, heuvel op, heuvel af, twee, drie uren achtereen. Eindelijk, na een hoogen, steilen heuvel bestegen te hebben, wat schemert daar in de verte? "Hoezee, Tanganjika!" Daar ligt het voor ons, in al zijne uitgestrektheid, het groote meer, schitterende als een metalen spiegel, met zijn krans van groenende bergen.--Haastig dalen wij den heuvel af, en bereiken omstreeks elf uur in den voormiddag den zoom der rivier Lioeké, die in het meer uitloopt. Wij doorwaden den stroom, en bevinden ons nu te midden van een weelderig landschap, een groot park, vol bosschages en tuinen, waartusschen een aantal dorpjes verscholen liggen. Nog een steilen rotsachtigen heuvel, den laatsten, bestegen, en aan onze voeten ligt het dorp Oedsjidsji, aan den oever van het meer.

"Ontplooi de vlag, en laadt uwe geweren!--Een, twee, drie!"--Een salvo uit meer dan vijftig geweren begroet het vlek, waar zich de man bevond, dien wij zochten. De salvo's werden een en andermaal herhaald, om de aankomst eener karavaan te melden; en de dorpelingen kwamen weldra in grooten getale toeloopen. Spoedig zagen wij ons door eene dichte menigte omgeven: Zanzibariten, inboorlingen en Arabieren roepen ons het welkom toe. Te midden der luide kreten van _Yambo bana!_ die ons van alle kanten tegenklinken, hoor ik eensklaps aan mijne rechterhand de bekende woorden: "Good morning sir."--Ik keer haastig het hoofd om, om te zien wie daar gesproken heeft; en ik ontdek een vroolijk lachend, maar pikzwart gezicht, gedekt door een katoenen tulband.

"Wie duivel zijt gij?" vraag ik.

"Souzi, de bediende van Livingstone," antwoordt hij lachende, zoodat zijne witte tanden mij tegen blinken.

"Is de doctor hier?"

"Ja, mijnheer."

"Weet ge dat wel zeker?"

"Ik heb hem zooeven verlaten."

"Good morning sir," zegt nu eene andere stem.

"Nog al een!" roep ik verbaasd uit.

"Ja, mijnheer."

"Uw naam?"

"Ik heet Shoumah."

"De vriend van Vouékotani, die met Livingstone vertrokken was?"

"Ja, mijnheer."

"Maakt de doctor het goed?"

"Neen, mijnheer."

"Nu, Souzi, ga uw meester bericht geven van mijne aankomst."

Souzi verdwijnt als een pijl van den boog, maar komt weldra terug om mijn naam te vragen. De doctor, die hem niet had willen gelooven, had hem daarnaar gevraagd, en hij had geen antwoord kunnen geven. Maar inmiddels had zich reeds het gerucht verspreid dat de karavaan van een blanke was aangekomen; de voornaamste Arabieren hadden zich voor de woning van Livingstone vereenigd, en deze had zich bij hen gevoegd om te vernemen wat er gaande was. De karavaan hield stil. "Ik zie den doctor," zeide Selim tot mij; "hij is zeer oud."

Wat had ik niet willen geven voor een afgezonderd plekje, om aan de aandoeningen, die mij overstelpten den vrijen teugel te kunnen vieren! Maar hoewel mijn hart hoorbaar bonsde, moest ik toch, om mijner waardigheids wille, zorgen, dat geen enkele trek op mijn gelaat mijne innerlijke ontroering verried. Ik hield mij dan zoo kalm mogelijk, en trad tusschen twee rijen nieuwsgierigen, naar de in een halven kring geschaarde Arabieren, in wier midden de man met den grijzen baard stond. Terwijl ik langzaam voortschreed, trof mij zijne bleekheid en de vermoeide uitdrukking van zijn gelaat. Hij droeg een grijzen pantalon, een kort rood jasje en een blauwen pet met verschoten gouden band. Ik had naar hem toe willen vliegen, maar moest mij bedwingen om de schare. Ik had hem willen omhelzen: maar hij was een Engelschman, en ik wist niet hoe ik ontvangen zou worden. Ik handelde dus naar de ingevingen van valsche schaamte en verkeerd geplaatsten hoogmoed: ik trad langzaam vooruit, nam mijn hoed af, en sprak: "Doctor Livingstone, naar ik meen?"

"Ja," antwoordde hij, zijn pet afnemende, met een vriendelijken lach. Wij dekten ons weder, en drukten elkander de hand.

"Ik dank God," hernam ik met luider stem, "dat Hij mij vergund heeft, u hier te ontmoeten."

"Het doet mij genoegen," sprak hij, "hier te zijn, om u te kunnen ontvangen."