Sprotje's verder leven

Part 7

Chapter 71,378 wordsPublic domain

En Hein, onder de zorgen dier gestadige verpleging, begon weer wat licht in het leven te zien. Hij had soms niet geweten, waar hij het zoeken moest, toen, na de eerste maanden van krukkeligheid, Marie, instee van gezonder, maar al zwakker en zieker werd. Die ziekelijkheid zelf beangstigde hem wel, want hij hield veel van haar, doch hij wilde toch niet gelooven aan een ernstige dreiging; hij kniesde maar over de triestigheid om hem heen, hij voelde zich tobberig en verlaten ....: Marie was zoo stil en zoo verwezen en leefde haars weegs of er niets anders bestond dan het kind en zij. Hein was ten slotte heelemaal niet blij meer, dat er een kind komen moest. Hij kon niet tegen de narigheid.

Sprotje, als zij hem zoo met z'n goedig-somberen bullekop het huis uit zag gaan, dacht vaak aan dat oude zeggen van hem, in de dagen toen zij zoo geworsteld had met het vinden van een dienst. Zij voelde wel, dat zij nu te kort schoot in zorg voor hem, maar zij kon niet anders; en zij was Ant dubbel dankbaar, dat die 't weer wat prettig maakte bij hen thuis.

Niet altijd twee, drie vreemden over den vloer .... het bed weer behoorlijk gespreid, en het eten op tijd klaar .... Eigenlijk kwam Ant's plompere manier van doen en Ant's ruwere wijze van de pot te schaffen ook nog beter overeen met Heins eigen manieren en Heins eigen smaak, dan het wat preciese en pietepeuterige, waaraan hij, de eerste maanden van zijn huwelijk, zich had onderworpen. Hij had zich altijd wat in moeten houden voor Marie, was, om haar plezier te doen, trouw voor den eten zijn handen gaan wasschen, en hij at vaak lomp uit angst op haar heldere servet te knoeien. Bij Ant luisterde dat allemaal zoo nauw niet; die stond wel altijd met de een of andere vuile vaatdoek klaar en zei: "daar is 't pompwater goed voor," of "met een dweil van een dubbeltje kom je ver."

Sprotje was te ziek, om zich veel van het veranderde huishouden aan te trekken; zij scheen het niet eenmaal te merken. Zij bracht haar dagen door, slepende van bed op stoel; met moeite ging zij iederen mooien middag het hekje van hun achteruit door, op het lapje weiland, dat daaraan grensde.

In den uitersten hoek, bij een zwarte schutting, wemelde de zachte schaduw van een boom uit den tuin daar achter; een stoel en een stoof hadden Hein of Ant er voor haar heen gebracht.

Met haar kleine, bleeke hoofd, zoo ijl in het licht, en haar witte, blauw-beäderde handen naast zich aan de stoelzitting geklemd, zat zij en koesterde zich in de zon, die door de al dunne boomkruin kwam gespeeld.

Haar puilende lichaam scheen wat geslonken deze laatste maand, en minder afzichtelijk; en als een voorbode van de verlossing reeds, gevoelde zij minder last.

Het was September, de maand waarin haar moeder stierf, de maand waarin zij was getrouwd.

Er dreef een goudige, vochte teerheid door de lucht; het gras zag zoo donker-zacht-groen, en aan den hemel kwam een enkele kleine, bleeke wolk langs gevaren.

Sprotje staarde voor zich uit, droomde zich weg in het verleden. Zij zag zich staan aan het hekje van hun oude achteruit, zij zag de wijde weilanden, waar de touwslager langs zijn deinende draden liep en de stoomvlokjes zilverden boven de lijn van den verren treindijk. Zij dacht haar leven na, zij dacht aan haar vader, aan haar moeder;--aan haar vader, die zoo ongelukkig zijn leven had zien enden; aan haar moeder, die steenen moest sleepen, toen zij nog maar een kind was, die later, haar dagen door, zich had afgewerkt voor hen allen, tot zij er hard en bits van was geworden. Zij dacht aan dat alles, en zij dacht aan de weinige, lange jaren van haar eigen leven .... Een algeheele treurigheid overviel haar, en zij peinsde met een groot en teeder medelij aan het kind, dat uit haar geboren zou moeten worden.

Lange tijden aaneen kon zij in een vaag en woordenloos maar smeltend-innig gebed, over dat kind Gods zegen afsmeeken.

Zij dankte ook wel den Heer, dat hij haar nog de vreugde van haar eigen huisje en het geluk van Heins trouw gegund had. Doch voor haar bevalling bad zij zelden.

"Om en bij den zesden October," had de "juffrouw" gezegd. "Om en bij den zesden October," zei Sprotje vaak in zichzelf, maar met een gedachte van afscheid en dood.

Nu de laatste paar weken van haar zwangerschap waren aangebroken, was zij er zeker van, dat met het verstrijken van dien tijd ook haar leven zou geëindigd zijn.

En sinds die vastheid in haar groeide, was, de uren door, alles wat zij zeide of dacht van een roerende zorgvuldigheid voor het ongeboren kind, dat zij voelde leven, en dat zij zeker wist, nooit te zullen zien.

Haar laatste krachten spande zij in om de kleertjes te schikken en om klaar te leggen, al wat het eerste noodig zou zijn. Haar witte, als reeds uitgestorven handen hadden het wiegje voorzien en het dekje opgeslagen, dat zóó het kindje er in kon neergelegd. In de kast stond het fleschje fijne, zoete olie, waarmee het de eerste maal moest afgewasschen worden, en erbij lagen de zachte, linnen lapjes, om de oogjes en het mondje uit te vegen, en het teere huidje te drogen. Iederen avond liet zij Ant nog een nieuwe bizonderheid over de verpleging of de kleertjes vragen aan grootmoeder Diepelink of aan tante Bartje.

Zij bepaalde zelf de plaats van het wiegje in de kamer, dat het kindje geen tocht zou voelen, zij wees het gerei aan, dat bizonderlijk voor de voeding moest gebruikt worden, zij deed nog een tinnen wiegkruikje koopen, een doosje talkpoeder en een stukje zachte zeep. Over een naam sprak zij niet meer.

Zij zei alles met een zoo klare en verre stem, dat wie haar hoorde, voelde, dat zij sprak met den dood in het uitzicht.

Eens zat Hein aan tafel te huilen als een klein kind.

Er ging in die dagen zulk een liefheid van haar uit, dat het iedereen een behoefte was, haar iets liefs terug te doen.

Tante Bartje had nog drie fijne hemdjes genaaid en grootmoeder Diepelink had zelf wollen sokjes gebreid. Toen moeder Diepelink juist in dien tijd opnieuw in "de Cannegieter" was gaan bakeren, kwam vandaar, op een avond, een mooie wollen jurk en een witte kaper.

Sien had reeds vroeger twee dekentjes voor de wieg gestuurd.

Vele weken geleden was Sprotje eens een mutsje van witte en roze wol beginnen te haken; lang was ze te zwak geweest om aan het werk te vorderen. De laatste dagen, met een koortsigen ijver, was zij opnieuw daaraan getogen.

Aan datzelfde, bijna voltooide mutsje werkte zij nog, toen de eerste pijnen haar overvielen.

Twee dagen en twee nachten duurde de kamp van het oudere, zwakke leven, dat het nieuwe moest voortbrengen, en van het nieuwe, sterke, dat het oude verbrijzelen ging.

En toen eindelijk, na veel jammer, de strijd was beslecht, toen het gemartelde moederlichaam plots weggeslonken lag tot de nietigheid van een kinder-karkasje, toen was daar het nieuwe leven, welvoldragen en sterk.

"Een flink kind," zei de vroedvrouw, die den dokter had bijgestaan, "het aardt naar den vader."

Op haar laatste, smartelijke verlangen, lei men, zoodra het gewasschen en gekleed was, het jongetje naast haar op het kussen;--doch zonder dat ze de kracht meer had het hoofd te wenden en te zien, nog geen uur na de verlossing, stierf zij.

Het kind werd uitbesteed bij grootmoeder Diepelink. Ant hielp het verzorgen.

Hein, alleen in zijn vereenzaamd huis, wist van verdriet en onwennigheid niet, hoe zijn uren door te komen.

En op een avond in Maart, dat hij bij Diepelink was geweest, zei Hein het, met een dompige stem vol goedig schuldgevoel:--Een man met een huishouden kon niet zonder vrouw.... Als Ant hem wilde....

En nog vóór de Mei weer in 't land was, trok Ant met Wilmpje, die kostelijk was gegroeid, naar het huisje aan de Zijdveldsche Dwarsstraat. Haar potkachel had ze er den vorigen middag laten brengen.

En zoo, voor zijn verdere leven, nam Hein de derde nu, Ant, na Sien en na Marie.

End of Project Gutenberg's Sprotje's verder leven, by M. Scharten-Antink