Part 6
Op alle planken van de kast lagen blauwe papieren, die zij sinds maanden reeds uit de afgedankte van het hotel had bijeengezocht. Haar keukengordijntjes waren van witte vitrage, op haar tafel lag een blauw-en-wit geblokt zeildoek, als in de keuken van de Veerbrug. Er waren twee koperen knoppen aan het rijkelijk fornuis, en al haar pannen waren van blauw glazuur. Dat alles had zij van Heins geld bekostigd!
En dan het kamertje! Daar stond Sprotje's ladekast bij het raam, als eertijds in haar moeders huis .... daar stonden haar zes trijpen stoelen en de bloempotten, en in den hoek het tafeltje met het porceleinen bord. De wekkerklok blonk er op den schoorsteen. Hein had hier een mooie ronde tafel gekocht, in de kleur van de ladekast; van Sien hingen er, weerszij het spiegeltje, twee prachtige, gekleurde platen in gouden lijst. De Diepelinks hadden samen een rieten leunstoel gegeven en Ant een best koffieservies op een zwart gelakt blad.
Boven, naast den zolder, was het slaapkamertje, met een hoog kapvenster en twee kasten in den muur. Daarin lagen de lakens en sloopen en het lijfgoed geschikt, alles van geel katoen, dat Sprotje zelf bij Diepelink op de haag had wit gebleekt.
En iedere maal, dat zij, die dagen, nog in de Zijdveldsche Dwarsstraat kwam, bracht zij iets mee, een matje voor de zoldertrap, een aschbakje op den kamer-schoorsteen, iets dat zij zich bezonnen had nog te ontbreken, en dat zij van haar laatste spaargeld dan kocht. Zij zette het er neer met een vrome bedachtzaamheid, alleen in het stille huisje, zooals een Roomsch vrouwtje een bloempotje zetten zou voor een zij-altaar van haar kerk....
Als Sprotje goed zich erin dacht, dat zij daar binnen enkele dagen en voor altijd nu wonen zou, zij de "juffrouw," de bezitster van al dat heerlijke, dat kostbare, dan kon zij zoo heftig en uitgelaten plots haar arm om Heins hals slaan en haar hoofd tegen hem aandrukken, dat het den jongen gansch week en warm om het hart werd. Hij vond, dat Marie hoe langer hoe gekker op hem werd, nu het maar naar 't trouwen liep .... "Zoo ging dat nou met de meissies," had hij in z'n goedigen kop uitgemaakt, en hij was gelukkiger, dan hij ooit gedacht had nog te zullen worden.
Alleen, met een plotselingen schrik, meende hij wel telkens te zien, dat Marie nòg bleeker en nòg magerder begon te worden, dan zij vroeger al geweest was; maar iedereen zei lachend, dat het door de verliefdheid kwam, en dat zij maar eerst eens getrouwd moesten wezen ....
En toen, tegen het eind van September, op een zachten en stralenden herfstdag, had de bruiloft plaats. In een vigelante reed het paar bij Diepelink weg; zoo had Sprotje dat bepaaldelijk gewild. Zij had haar nog altijd gloednieuwe zwarte japon aan, met het pas gemaakte wit kanten vest er in; ook Hein stak in een zwart pak; hij droeg de prachtige geelzijden das, die hij van Marie had gekregen, en hij had een zwarten deukhoed op. Grootmoeder Diepelink keek hen na in de deur. Moeder Diepelink was met Ant en den oom uit het Kerspel vooruit gegaan, en Heins moeder zou ook op het stadhuis zijn. Tante Bartje, wat ziekig, was op haar hofje.
Eerst toen zij weer bij Diepelink terug waren, om daar met de getuigen een glaasje te drinken, kwam Sprotje wat tot zich zelf. Op het stadhuis en in de kerk, als verdoofd en verblind, had zij nauwelijks geleefd. Zij had alleen maar gedacht: nou is Hein mijn man,--een al door malende gedachte, of zij ijlde.
En 's middags om drie uur was het feest in de linnenkamer van "de Cannegieter:" het geschenk van haar "volk" bij het trouwen. Den vorigen avond had Sprotje zelf er de tafel voor gedekt.
Hein en zij zaten midden voor het groote, ovale blad, Ant naast Hein en moeder Diepelink naast de bruid. Aan den overkant zaten grootmoeder Diepelink, oom Tinus en de moeder van Hein.
Die voelde zich niet erg op haar gemak bij dit gezelschap. Zij was anders niet gauw om een antwoord verlegen, maar nu, in haar gesleten bruin Zondagsche jak en met haar zwarte wollen kaper, wist ze zich al te zeer de mindere van de twee zware, deftige bakers, wier welgedane gelaten, omglansd door de hagelwitte neepjes-mutsen en het witzijden lint dat daarrond gaat, met meerderheid glimlachten en nauwelijks op haar letten.
Sprotjes oom zei evenmin heel veel. Een oolijk buitenmannetje, met hard-roode geschoren kaken en wollig haar in zijn hals, zijn zwart-lakensche pet vast op z'n hoofd, zat hij maar leep te luisteren, en als moeder Diepelink wat ondeugends plaatste over de jonggetrouwden, gaf hij haar stiekem een knipoogje en zei: "Nèt .... juust ....dà segge 'k ok."--
Ant, die 't erg warm had in haar donkerroode jurk, was zeer luidruchtig en praatte veel en hard tot grootmoeder Diepelink.
't Was overigens zoo maar een kalm-genoegelijke bruiloft.
Sprotje was wel wat stil en wat bleek, maar "dat eurde zoo bie de bruud'n," zei oom Tinus met een slim lonkje naar Hein.
En iedereen liet zich het eten best smaken. Hein niet het minst. Die zat daar dik en stevig, als een blakende bruigom in het midden; zijn blauwe oogen zonder veel wimper staken sterk in zijn rooden kop; zijn koonen blonken, en zijn stijf-scheef kuifje leek van zilver in het late zonlicht, dat over zijn hoofd naar binnen viel. Zijn ruwe mond was lacherig tegen iedereen, en toen Sprotje hem daar zoo barstend rood zag zitten, moest zij plotseling denken aan een avond, lang, lang geleden, dat zij daarover iets heel zots en vies' had gezegd .... zij bloosde van schaamte, of iedereen aan tafel het wist ....
Toen de soep was verorberd, een deugdelijke groentesoep met doppertjes en stukjes wortel en bloemkool erin, zoo'n soep, waar moeder Diepelink "haar ziel en zaligheid voor verkoopen zou," toen kwam er iets fijns voor het fijne tongetje van de grootmoeder--Sprotje had zelf het menu mogen vaststellen, en zij had dat, met veel overleg, naar ieders bizonderen smaak gedaan. "Een deftige schotel," had zij zoo maar in 't vage aan den kok besteld, en de kok, die Marie goed gezind was, had zijn best gedaan. Dat was een schaal vol saus met balletjes en stukjes vleesch en bruine brokjes, die niemand thuis kon brengen; maar de grootmoeder wou dit niet weten, praatte er over heen en noemde vier vijf klinkende namen, waar zij dat vroeger iederen middag gegeten had! Zij proefde met een zaakkundig gezicht. Er leken ook schijfjes augurk in te drijven, en oom Tinus zocht die eruit te pikken, de rest liet hij staan. Ant en Heins moeder trokken al eveneens vieze gezichten; en deze, toen zij weer zoo'n bruin, vuns brokje in den mond kreeg, sputterde het terug op haar bord, en schoot eensklaps met haar voos-heesche stem uit den hoek: "Vos, je sel mijn nie fange dat dà fleesch is!"
"Z' 'ebbe mien gesteren mien kàtte geskoot'n," zei oom Tinus langs zijn neus weg.
Als ze tot den biefstuk met gebakken aardappelen waren gevorderd--voor Hein en Ant gevraagd!--kwam de hotelhouder binnen, met Mevrouw, om het jonge paar geluk te wenschen.
Vrouw Diepelink was dadelijk zeer gemeenzaam en Mevrouw deed ook lief en vertrouwelijk met háár:--of ze er nog veel op uit was geweest, den laatsten tijd?--"Och, menschlief," zei de baker, uit de hoogte, "'k ken het niet bijhouwen; 't begin van 't jaar he'k twee teleurstellingen gehad, bij mevrouw Petein en bij mevrouw Sitters .... maar nou ben 'k net van de week bij beron Boetselaar weg .... och, zoo'n lekker jochie was dat daar, hé? .... 'k ben der negen weken geweest, en nou te kommende week mot 'k naar notaris van Brakel.... En Sephietje hier, is die al van de flesch?"
Sprotje was niet weinig verguld met al die hoogheid van moeder Diepelink, en ze was volstrekt niet verlegen, toen de hotelhouder en Mevrouw haar en Hein de hand schudden en feliciteerden, voor ze weer heengingen.
Heins moeder echter, die niet dan terloops was gegroet, en die verscheidene glazen wijn had gedronken, scheen erg uit haar humeur geraakt; en er kwam even een heel pijnlijk oogenblik, toen zij, boosaardig, over tafel aan Sprotje vroeg:
"En je suster uit Amersfoort, most die niet bij de bruiloft weze?"
Sprotje ontstelde; maar moeder Diepelink keek het oude mensch zoo fel-verontwaardigd aan, dat die verder haar mond hield. Oom Tinus kuchte en zag steelswijs eens naar Hein.
Hein had niets gehoord. Hein zat te smullen aan den biefstuk, een biefstuk rood als bloed van binnen en van buiten als koffie zoo bruin! de lillende, dampende lappen bracht hij zoo aan de punt van zijn mes in den mond en hij smakte van geweld.
Toen tikte grootmoeder Diepelink, die veel feesten had bijgewoond, aan haar glas, en met een plotseling luid-uitgezette stem toostte zij in veel bloemrijke woorden van de huwlijksboot en rozenslingers, die geen banden waren ....
Daarna werd er uitvoerig geklonken.
Maar Sprotje, door de mooie, feestelijke woorden van de grootmoeder, en door den wijn, was in een stil-gloriënde stemming geraakt. Haar wangen gloeiden en haar oogen waren heet en licht. Zij voelde zich verheerlijkt, of zij in een geheel ander leven was gestegen; en toen zij daarop Hein aanzag, keek die ook juist zoo warm en week naar haar, dat het haar wonderzoel te moede werd .... Zij begreep niet hoe ze ooit zoo tegen het trouwen-zelf had opgezien en ze verlangde met Hein in hun huisje te wezen.
Een poosje wachtten zij; toen kwam de jongste kellner met de pudding aangehaast--druk dat het dien middag was in 't café .... ze wisten niet hoe alles af te loopen ....!--; vlug zette hij de borden rond, vroeg aan Ant of die even de lepels wou bijleggen.
Het was de chocoladepudding met vanille-saus, Sprotjes eigen lievelings-gerecht; een pudding zoo luchtig en zacht als bruine room, en de vla weelderig-zoet daarover, als een vloeiend geel fluweel. In een groote verteedering zat Sprotje neêr en proefde stil de smeltende likjes.
En tegen het einde van den maaltijd, juist toen het gaslicht aanging, kwamen de twee kamermeisjes en de kok zelf binnen, om de bruidsuikers te helpen opeten. En die brachten opeens de rumoerigheid mee! De eene kamermeid hield een voordracht, en de kok zong liedjes .... Sprotje keek haar oogen uit, maar het behaagde haar weinig. De eigenlijke bruiloft was al gauw op den achtergrond, en die drie hadden het hoogste woord ....
De eerste paar maanden van Sprotje's huwelijk waren voor haar van een groote gelukkigheid.
Zij voelde zich wel vaak heel moe en niet sterk, maar ze had weinig te doen; in het keurige huisje, dat zij met hun tweeën nauwlijks stoffig maakten, viel bijna niet te werken, hun kleeren waren nieuw, en in de keuken van "de Cannegieter" had zij, de jaren door, aardig wat bedrevenheid gekregen in het bereiden van het middagmaal.
Zij was in haar eigen huis, zij deed zooveel zij kon en wou, en op de tijden, dat het haar goed dacht. Het was dat vrij-zijn vooral, dat dag aan dag, en uur aan uur, haar een heerlijkheid bleef van ongekenden aard.
Zij ging vaak alle meubelstukken en kleine voorwerpen in haar huisje rond, betastte ze, wreef ze af met haar schort, bekeek ze in het licht; zij opende haar kasten en laden, ontvouwde, telde, taxeerde haar goed. Zij vond zich rijk. Zij verlangde niets meer.
Zij zag er altijd kraakhelder uit, in haar grijslinnen japon en de blauw-en-wit gestreepte schort met de strooken op den schouder. De menschen in de buurt noemden haar Júffrouw van der Kamp.
Zij kookte lekker voor Hein, veel beter dan hij 't ooit in zijn kosthuizen was gewend geweest, en zij gaf toch weinig uit. Wel merkte zij al gauw dat er, van negen gulden in de week, niet kon worden opgedischt als aan de maaltijden in "de Cannegieter," doch dat vond ze ook best .... ze at toch altoos genoeg .... en wat ze at was haar eigen bestel. Iederen namiddag, met haar blinkend nieuwe boodschapmand onder den arm, haar portemonneetje en haar huissleutel in de mand, ging zij zelf inkoopen doen; soms kuierde zij nog een eindje naar den oliemolen op ....
Hein vond, dat hij een "knap wijfje" had. In zijn wat lompere gëaardheid moest hij wel, goedig, lachen, als zij zoo preciesjes haar koffieblaadje schikte, met een doekje onder de melkkan en weer een kleedje onder het blad, of als zij de boter in een vlootje deed en met den achterkant van een lepel daar figuurtjes over trok, zooals zij dat in het hotel had zien doen; dat leek hem wel teuterig, maar het vleide hem toch.
Vooral de avonden vond hij heerlijk, als hij, na de boterham, de pet achter op zijn hoofd en de ellebogen op tafel, onder de lamp zijn krantje zat te lezen, en Marie hem nog een lekker kommetje schonk.
En Sprotje genoot; met haar knieën opgetrokken, haar voeten op de stoof, zat zij te breien naast het koffieblad, waar, onder de wit-steenen kan, het oliepitje pinkte. Zij dacht aan de avonden bij juffrouw Jonkers, als die nog een kopje warm hield voor meester. En nu zat daar Hein aan den overkant, aan hun eigen tafel, zijn goeie kop onder hun eigen lamp, kalm en tevreden, omdat hij 't zoo goed bij haar had! Soms keek hij op van zijn krant, vertelde er wat uit, schaamachtig rood en de oogen naakt van trouw.
's Zondags schemerden zij in de voorkamer, bij het flauwe schijnsel der lantaren, die enkele huizen verder stond; het koffielichtje pinkte tusschen Ant's beste servies.
Hein luierde in den rieten stoel en Sprotje schoof haar trijpstoel naast hem en leunde met haar hoofd op zijn schouder. Zijn ruwe hand nam dan soms de hare en zij droomde zich terug in de zachte avonden, dat zij zoo zaten samen op een bank in 't plantsoen.
"Zit je zoo goed?" hoorde zij in haar gedachten Hein weer zeggen .... Vreemd, zij bezat hem nu geheel, en zij voelde zich zoo dankbaar, en toch was het haar of zij iets verloren had. Zij voelde zich droevig en gelukkig tegelijk, de tranen kwamen haar in de oogen, en zij kuste hem op zijn blozende kaak.
Het eenige, wat Marie in haar stille huishouden te zwaar viel, dat was het doen van de groote wasch. Maar zij wou dat niet aan Hein bekennen. Heimelijk gaf zij de omvangrijke stukken buitenshuis; later moest zij knoeien met de betaling .... herhaalde malen knoeide zij,--tot Hein de ongeregeldheden merkte. Zoo ontstond hun eerste ongenoegen; en omdat Hein driftig was, verliep dat onmiddellijk in een ruzie met vloeken en veel geraas. Marie huilde, of zij nooit weer een gelukkig oogenblik zou kunnen beleven. Maar Hein had al gauw berouw, en zonder dat Marie een verklaring had gegeven van het ontbrekende geld, werd de oneenigheid bijgelegd.
Een andere keer wist zij de geldrekening verwikkelder te maken; Hein verloor er zijn kop bij, werd wel boos, maar kon met goed recht niets zeggen, en Sprotje, in een verongelijkte vriendelijkheid, kreeg haar zin.
Overigens zorgde zij best voor Hein; geen werkman van den molen kwam in zoo netjes onderhouden kleeren op karwei als hij; altoos was zijn eten op tijd klaar en altoos lekker .... zijzelf, ondanks de schralere kost, werd gezonder van uitzicht dan in de maanden vóór haar trouwen; 't scheen wel, of zij de overspanning van haar laatsten zomer in "de Cannegieter" heelemaal zou te boven komen ....
"Zagen zij 't wel?" zei grootmoeder Diepelink, "en hád zij 't niet voorspeld?"
Toen, na drie maanden, begon Marie plots te sukkelen. Zij viel verscheidene keeren flauw en kon geen eten meer zien.
Eenige weken later begreep zij, met het al maar rekken der dagen, dat zij zwanger was.
Een over-teere, bijna bedwelmende verwondering ontsproot in haar hart. Maar de meeste dagen, dien eersten tijd, was zij zóó ziek, dat alle zoete vreugd haar verging.
't Was in het midden van den winter dan. Sprotje leed aan een verkleumdheid of ze geen bloed meer had .... daar was geen warm worden aan, en dat gevoel van innerlijke verijzing was haar nog ondraaglijker dan elk ander kwalijk-bevinden, dat haar nieuwe staat meebracht.
Alle zorgen voor haar huisje waren haar al spoedig te veel; het was er zoo netjes en zoo vriendelijk niet meer .... Hein zelfs merkte dat op, doch hij maakte nooit een verwijt.
Hij was zoo inschikkelijk en zorgzaam, als Sprotje niet gedacht had, dat hem mogelijk zou zijn; hij nam haar uit de hand wat hij kon, beurde de zware dingen, pompte de emmers water 's morgens, kreeg boven uit de kasten, wat zij hebben moest ....
--Negen maanden .... 't was wel lang, troostte hij haar en zichzelf, maar als er een paar om waren, werd ze wel weer gezonder .... zoo hadden alle vrouwen dat .... en na 't eerste kind werden ze altijd sterker ....
Hij was gelukkig en trotsch, dat hem een kind zou geboren worden.
Maar met de weken, die verliepen, werd Marie niet beter.
Haar gezichtje was oud van trekken geworden en door zijn nietigheid heel kinderlijk tegelijk; heur haar was krachteloos en zoo vaal van kleur, dat het grijzig leek, en haar oogen hadden de vragende smartelijkheid van een dier, dat lijdt, en niet begrijpt wat en waarom.
Soms, op zon-warme middagen, als ze alleen thuis was en lang had gerust, voelde zij zich wel beter; dan waren haar gedachten innig en zacht-opgetogen, en van een hoopvolle gelukkigheid over het groote, dat haar te gebeuren stond.
Doch met de vijfde maand was zij zóó zwak geworden, dat er een dokter diende geraadpleegd. Het was niet dezelfde dokter, die haar vroeger wel behandeld had; 't was een jong hospitaalarts, maar zeer zorgzaam ook en begrijpelijk. Hij vroeg haar van allerlei uit haar leven, van haar kindsheid af; hij scheen haar welgezind te wezen, schreef medicijnen voor en versterkende middelen, die zij krijgen kon uit een fonds voor onbemiddelde kraamvrouwen en aanstaande moeders.
En de eerste weken kwam Sprotje aardig wat bijgeleefd; met nieuwen moed begon zij aan de kleertjes voor het luiermandje te werken; Hein herademde.
Doch toen in de zesde en zevende maand de lasten der zwangerschap grooter werden, zakte zij weer in.
De dokter deed moedeloos; wat hij voorschreef, verdroeg zij niet langer, en voor eieren en melk had zij een weerzin, die niet te overwinnen was. Hij beval rust aan, rust....--Ze moest wel zeer ontzien worden, zei hij, afzonderlijk, tegen Hein.
Nu de eerste, groote beproeving voor dit schamele lichaam aanbrak, nu bleek het daartegen niet bestand.
Het begon vreemd spaak te loopen in het keurige huisje aan de Zijdveldsche Dwarsstraat. Ant, veel minder in zichzelf gekeerd, dan zij de laatste jaren wel geweest was, kwam meest 's avonds een handje helpen; 's morgens verscheen vaak grootmoeder Diepelink, erg jichtig weer en daarom slecht geluimd, maar vol goede bedoelingen toch, en zij hielp altijd wat uit den weg; zij had ook, uit oude vriendschap, beloofd, het kind te zullen bakeren, als 't zoover was. Het meeste wil nog had Sprotje in die dagen van Heins laatste kostvrouw, die een straat verder woonde, een trouwhartige ziel, die deed wat ze kon, en meer.
Zoo sukkelden zij de weken door.
In het gemoedsleven van Sprotje was een vreemd iets gekomen, waar zij nooit over sprak. Zij had vaak gehoord van den wonderlijken hang bij zwangere vrouwen naar een bepaalde lekkernij of naar een bepaalden drank. Haarzelf was niets dergelijks wedervaren. Maar onafwendbaar en onontkomelijk, zoodra zij maar even met haar gedachten alleen bleef, was er, langen tijd, in haar het schreiende en tegelijk zoete verlangen naar juffrouw Jonkers en naar het kleine Wilmpje.
Zij gaf er zich wel rekenschap van, dat klein Wilmpje nu een jongen moest zijn, dien zij niet eens meer kennen zou, dat juffrouw Jonkers haar al lang vergeten was, en ook niet de juffrouw Jonkers van voor acht jaar geleden meer kon wezen,--het verlangen bezat haar als een ziekte en geen redeneering van haar ijl-zwakke hoofd was daartegen bestand.
Eens had zij aan Hein gevraagd, of het kind, als het in leven bleef, Wilmpje mocht heeten.... 't Ging voor een jongen en voor een meisje .... Meisjes heetten ook vaak Wim of Wilmpje ...., had zij in een hartstochtelijken drang eraan toegevoegd. Hein, die de verhalen van bij Jonkers wat vergeten was, begreep niets van de voorliefde voor dien naam; hij vroeg, dorst niet aandringen, beloofde vaag. Het dwaas-felle van haar toon had hem hevig verontrust.
Sprotje zelf, in bezonkener oogenblikken, maakte zich over die vreemde aanvechtingen wel bezorgd. Op een morgen ondervroeg zij, zijdelings, grootmoeder Diepelink.
"Snoepen, en lekker eten alleen? .... wel nee, ziel ...." vertelde die dadelijk in een rijk relaas uit haar jarenlange ondervindingen; "je ken het zoo mal niet bedenken, of vrouwen in positie halen het uit; .... 'k heb er een gekend, die altoos rauwe koffieboonen at .... een ander wou met geweld een kanarievogel in huis hebben .... een ander liep iederen dag naar de guldensbazar--dat was een rijke Mevrouw in Rotterdam--en kocht daar de raarste dingen .... 'k heb er ook een gekend, die niet ophield, of ze most een horloge hebben, en 'r man verdiende nog geen zeven gulden in de week ...."
Sindsdien streed Sprotje niet langer tegen haar zonderlinge begeerten, doch zij gaf er zich met een groote zorgeloosheid aan over, en vele middagen verliepen in een vreemd-bewogene en zoet-kwellende mijmerij.
In de zevende maand werden Sprotje's lasten zeer groot. Haar eigen lichaam was afgeteerd tot vel over knokels, maar het nieuwe leven in haar groeide met een angstige voorspoedigheid. Als zij zich bewoog door huis, zeeg haar magere gezicht met den smartelijken mond en de vragend starende oogen, schuin voorover op den dunnen, uitgegroefden hals; haar smalle borst, tusschen de puntig vooruitkomende schouders, was als weggevreten, zoo nietig en schraal, maar daaronder, geweldig, bijna afzichtelijk, bolde het wreede, zware lijf.
Zij moest nu telkens, vooral als zij lang stil zat, met een plotselingen schok, of iets haar kwetseerde, de hand in de rechterzij drukken. En zij dacht dan aan Sien, hoe die voor haar moeders bed had gezeten; zij zag zoo klaar en ijl, of 't in een droom was, Siens gelaat en houding. Zij merkte vaak met verwondering, dat zij verlangde naar Sien .... en naar 'r kinderen.
Het eerste kind was, een jaar oud, gestorven. Zij hadden er nu twee andere, gezonde, flinke jongens scheen het, een van drie jaar en een van veertien maanden. Sprotje had geen van beiden gezien.
Ook aan Ant was zij zeer gehecht in dien tijd. Ant leek zooveel op moeder. Ieder jaar méér, had die datzelfde uiterlijk gekregen, dezelfde hoogroode koonen in het wat hoekige gezicht, en dezelfde lange, vale wangstukken langs de ooren, onder de groote slapen; dat gezicht, dat geen leeftijd had, altijd bloosde en toch ongezond zag. Maar Ant's oogen waren niet als moeders donker-stille, vlak-afgetrokken oogen; die zagen duister-brandend, als aangegloeid door een begeerte of een wroeging, die niemand kende.
't Was in Ant 'r spreken vooral, dat Sprotje haar moeder terug vond. Met denzelfden goedig-verbaasden spot kon zij een "rare sijs!" of "malle piet!" van iemand zeggen, en met dezelfde, wat klaaglijke verongelijktheid een: "Wel-god-nog-en-toe," als zij iets hoorde, dat haar niet aanstond.
Sinds haar verkeering met Busselaar was afgesprongen, had zij zich in een taaie nauwgezetheid op haar werk toegelegd. Zij hoorde al gauw bij de ploeg meiden, die tot het hoogste loon waren opgeklommen, en onder het fabrieksvolk werd gezegd, dat Ant Plas nog wel 'ns opzichteres van haar afdeeling zou worden.
In die weken toonde zij een nog grootere werkkracht en een nog grootere gewilligheid vooral, dan in de dagen van haar moeders ziek-zijn, toen zij het kleine huishouden aan het Dijkje deed. Iederen dag kwam zij, tusschen haar fabrieksuren, aan de Zijdveldsche Dwarsstraat, en al haar avonden sleet zij er insgelijks. Zij deed voor Marie wat er maar te doen viel. Zij kookte het eten, wiesch de vaten, verstelde de kousen en de werkkleeren van Hein. Al gauw had zij de hulpvaardigheden van grootmoeder Diepelink en van Heins vroegere kostvrouw geheel overbodig gemaakt.