Part 5
Sprotje voelde zich zoo leeg en ontzet, dat ze niet eens huilen moest; zij werd heel bleek en haar handen beefden.
Hein verschoof driftig op zijn stoel, maar hij zei niets; hij zag vuurrood en ongelukkig.
Zij stonden gauw weer op en gingen wandelen; 't was een koele, zonnige Aprildag, en het eerste groen sprong al door de struiken; maar de nare stemming bleef nog wel een uur hun klemmen in de keel.
Toen zei de jongen: "Leefde me zus nog maar...., die op 't fabriek van de Lange het geweest ...." En in het praten dan over die eenige eigen zuster van Hein, die gestorven was, werd het wel weer vertrouwelijk. Toch gelukte het hun nog niet, dien dag, het volle begrip van hun nieuwe verhouding te omvatten.
Eerst na vele dagen sleet al het bijkomstige, al het ijdele en erge en schaamachtige, bij Sprotje uit. En toen allengerhand haar gevoel te bezinken begon, toen was het voornamelijk een dankbare aanhankelijkheid en een diepe trouw, die zij gewaar werd, en die zich uitte, het meest, in een onverdroten belangstelling voor alles wat Heins vroeger en tegenwoordig leven betrof. Na een korten tijd wist zij nauwkeurig hoeveel uren per dag Hein bij zijn eersten baas had gewerkt en wat hij verdiende, hoeveel uren hij bij zijn tweeden baas had gewerkt en wat hij verdiende, en zoo verder; zij kende de namen van al zijn kosthuizen en vergat geen der verhalen, die hij daarover deed, noch verwarde ze onderling; van Heins vader, die nu reeds twintig jaar dood was, wist zij al spoedig alles, wat hij zelf er nog van wist; zij kende zijn zuster, Gerritje, en haar twee diensten, waarin zij 't niet had kunnen volhouden, haar komen op 't fabriek van de Lange, en haar sterven, een jaar nadat zij er gekomen was;--Sprotje ervoer het, als had zij het zelve doorgemaakt. Zij wist ook alles van de wreede geschiedenis, hoe Heins moeder bij de stiefzuster in huis was gegaan en hoe smadelijk hij en Gerritje altijd behandeld waren. Als hij daarvan vertelde, en zij antwoordde als eene, die het alles al weet en er geheel in meeleeft, dan, met een innige verteedering, hield zij het meest van hem.
Arm in arm en hand op hand, kuierden zij 's avonds van haar dienst naar huis, liepen nog een Singeltje om .... Zij verwonderde zich, hoe alles zoo vertrouwd en zoo rustig was, veel vertrouwder en rustiger dan haar wandelingen met Hilletje. En dan de heerlijke vastheid, dat, wanneer zij, na den langen werkdag, in den schemerigen lente-avond het zijpoortje van "de Cannegieter" uitkwam, daar altijd, aan den hoek van 't Broerekerkplein, Hein stond te wachten. Dadelijk onderscheidde zij zijn korte, zware gestalte; .... soms zag hij haar niet aankomen, hij rookte zijn dikke sigaar, sloeg zijn werkbroek nog eens af .... soms stapte hij dadelijk op haar toe, verschoof zijn pet langs zijn stijf-scheef kuifje: "dag Merie." Hij was nog altijd wat verlegen 't eerste oogenblik, en zij niet minder. Zij liepen een huis of tien zonder veel spreken naast elkaar voort, dan nam zij zijn arm; en als hij haar, ten afscheid, bij de deur van Diepelink, op de wang kuste, of als hij steviger, onder het gaan, haar hand in de zijne neep, dan ondervond zij dat voornamelijk als een echt goed het meenen met elkaar.
De jongen eveneens leefde in velerlei verwonderingen. In zijn vorige verkeeringen was 't altijd één onstuimige roezemoes geweest, van felle verliefdheid voor de eerste, van baloorigheid meer en wreede lust die aan de meid zelve vreemd bleef, bij de andere,--en ook een gedurige onzekerheid van luimen en getreiter, waar hij zich niet tegen opgewassen wist, van koude lacherigheid en heete bevlieging, die hem verward en ongelukkig maakten; en telkens ook van in den steek gelaten worden, van vergeefs wachten en jachtig zoeken door de straten in wrange pijn en machtelooze woede ....
Voor Marie had hij een heel ander gevoel. Zij had een lief gezichtje, vond hij, wat bleek, maar zoo vriendelijk .... haar oogen vooral, en haar mond, als zij stil voor zich uitkeek; maar haar sluike lijfje maakte weinig in hem wakker, en zij had ook geen woelende haren of geen weligen hals om het water van in den mond te krijgen! Toch, zooals zij altijd 's avonds stil-haastig op hem afkwam, mocht hij haar schuchtere gestalte graag zien. Naast haar gaande, stapten zij prettig eensgezind, even lang als zij waren, en haar zachte stem maakte hem kalm, of er iets opklaarde in zijn hoofd.
"Gek," kon hij soms in een plotselinge verbazing zeggen, "gek, dat wij nou zoo bij mekaar zijn geraakt.... 'k begrijp zelf nog niet, hoe 'k er zoo toe gekomme ben ...."
"'t Zal zijn, da' we mekaar al zoo goed kenden--" peinsde hij nog voor zichzelf.--"'t Zal zijn, da' we zoo best bij mekaar passen...." zei hij dan, met een vertrouwelijke overtuiging achterna.
Nooit had iemand zich werkelijk om zijn welzijn bekreund; hij had geleefd bij de kijvige heerschzucht van zijn moeder en de hatelijke minachting van zijn halve broers en zusters--o! hij wist heel goed, dat hij niet zoo bij de pinken was als die allemaal!--, tot zijn twee verkeeringen hem wat wilden, schroeierigen gloed, maar geen deugdelijke koestering hadden gebracht .... De luidruchtige omgang met zijn kameraads, en de eenvoudige genegenheid van zijn gestorven zuster, dat was nog het beste, dat hij in zijn leven had gekend! Hoeveel morgens was hij niet uit zijn triestige kosthuizen zonder een vriendelijk woord naar zijn werk getogen, en hoeveel avonden niet, dat hij, verlaten, maar wat door de straten had geslierd, en wat in de kroegen gezeten, en dan alleen maar weer naar zijn kosthuis was getrokken, om daar, verdrietig, in zijn bed te kruipen .... Hij was heel ongelukkig geweest, maar in zijn dompen, harden kop had hij nooit raad geweten, hoe het te veranderen zou zijn, of hoe het ooit beter worden kon. En nu had hij Marie!
't Werd hem zoo goed en zoo warm van binnen, als hij altijd weer de groote aanhankelijkheid van het meisje ondervond, die altijd weer blij was hem te zien, en nooit hem plaagde of uitlachte, en die heel haar aandacht had voor hem alleen.
En hij ook luisterde met de grootste belangstelling naar wat Marie hem vertelde van haar diensten en haar werk. Hij kon het alles niet zoo onthouden als zij, verontschuldigde hij zich vaak, jongens konden dat nooit zoo goed en hij had maar een stom hoofd .... doch hij deed wel zijn best. En Sprotje, niet verwend op dat punt, vond het al heerlijk, dat iemand met zoo een geduld kon luisteren naar haar beuzelachtigste verhalen.
Ant, op het eind van dien zomer, was het eindelijk gelukt, haar beurtschipper bij Diepelink thuis te krijgen. Op een avond in Juni, na vele maanden wachtens, was zij hem plotseling aan de haven tegengekomen.
"Zoo .... meisje ...." had hij gezegd. Hij was kalm vriendelijk geweest, of hij haar een week te voren nog had bezocht. Maar naar een vreemd huis meegaan, bij menschen, die hij niet kende, nee, dat deed ie secuur niet .... Hij vroeg Ant evenmin om aan boord te komen; ging met haar naar "het Schippertje," bestelde twee glaasjes anijs en deed een langgerekt verhaal over een extra reis op Ruhrort en een extra reis op Coblenz. Eindelijk vroeg hij ook: "Zou jij wel in het Duitsche land kenne wenne? .... zou jij wel ham-pannekoek op een open vuur kenne bakke?"
Vele veertien-dagen achtereen kwam trouw, sindsdien, Busselaar met zijn Duif binnengeloopen en onthaalde Ant op haar glaasje anijs. Eens zaten zij samen een middag aan het Veerhuis buiten de stad.
En toen, na een paar malen vergeefs weer wachten, had eindelijk Ant hem overreed en meegetroond naar de Vliet, bij Diepelink. Onwillig had hij daar gezeten, met zijn vierkanten, stuurschen schipperskop in elkaar geknepen, en hij had alles opgenomen of hij een boedelbeschrijver was.
"Wij hebben verkoopen motte," zei Ant; "alleen de potkachel, die he' 'k gehouwe .... 'k dacht, dat jij daar gesteld op was."
Omdat ie boven roestte, hadden de Diepelinks het kacheltje in de voorkamer gezet, waar zij toch nooit zaten.
Busselaar was mee daarheen gegaan, had naar de potkachel gekeken, had naar Ant gekeken....; zijn kleine, zijen pet stond achter op zijn zorgelijke voorhoofd en hij trok nadenkend aan het gouden ringetje in zijn lange, gele oor.
"Nee .... meisje....," had h ij eindelijk gezegd, "'k geloof toch niet, da 'k er toe zal overgaan ...." En vóór Ant nog uit haar ontzetting zich kon herstellen, had hij bedaard zich omgedraaid, en was binnen zijn koffie gaan uitdrinken. Ant was nog achter hem aangekomen, de keuken in; haar gezicht was star vertrokken. Toen waren twee helle tranen haar uit de oogen gesprongen; zij had zich omgedraaid zonder een woord en was naar boven geloopen.
Busselaar had laks even achteromgezien; daarna had hij omstandig iedereen de hand gedrukt en was weggegaan.
Toen Sprotje dien avond thuiskwam, vond zij Ant op bed, met groote, starende oogen; nauwelijks beäntwoordde die haar nachtgroet. En den volgenden morgen--voor het eerst, zoolang Sprotje zich herinneren kon--verzuimde Ant 't fabriek. Heel in de vroegte, zonder 'r boterhammen te hebben aangeraakt, liep zij 't huis uit en kwam eerst tegen elven terug. Dien middag ging zij weer.
Vier jaar lang had Sprotje verkeering. Bijna heel die vier jaar ook bleef zij vatenwasschen in de bijkeuken van "de Cannegieter;" eens kreeg zij een aardig opslag, want men had haar daar graag, omdat zij handig was en nooit iets brak; zijzelf eveneens vond het er prettig op den duur. Des zomers was 't er altijd koel aan de schaduw-diepe binnenplaats, en des winters, als de tusschendeur wijd openstond, stoofde de hitte van 't groote fornuis er door, met al de heerlijke geuren, die daar rondwaarden.
Sprotje snoof, Sprotje keurde, Sprotje trok een kennersneus; ze onderscheidde als de beste of er weer maderawijn of kerry in de sausen was gegaan, en of ze boven een chocoladepudding kregen dan wel een koffievlâ.... Soms neusde zij van den kok een keukengeheim af, hoe hij dìt klaarmaakte, of op dàt bezuinigde .... dat vertelde zij dan 's avonds bij Diepelink.
Een enkele keer maar, al die vier jaren, is het gebeurd, dat Hein niet des avonds Marie opwachtte bij het hotelpoortje in de Schoutensteeg. 't Was tweemaal, in den winter, dat ze veertien dagen thuis moest blijven met de griep, en eens kreeg Hein, voor zijn baas, een karwei van drie weken buiten de stad.
Maar alle de overige werkdagen zagen zij elkander dat avonduur, van "de Cannegieter" naar huis, en liepen een Singeltje om. En altijd was het hun zelfde vertrouwelijke gaan, met een armdrukje en stil gepraat.. Sprotje vertelde de vele kleine voorvallen van den dag, of zij sprak van de toekomst, hoe zij doen zouden, en met het geld.
Zij was zoo onbevangen voor Hein als zij nog nimmer met een ander geweest was, maar van een algeheele openheid werd zij toch nooit; er bleven altijd dingen, van vroeger bij haar thuis en uit haar eerste diensten, waarover zij zweeg. Hein zag erg tegen Marie op; hij vond haar verstandig, en zij zou zeker een goede huisvrouw zijn.
Soms, als het een zachte avond was, zaten ze in het plantsoen op een bank, zij tegen hem aangeleund, haar hoofd op zijn schouder, in stil gedroom; zijn verweerde hand streek haar langs de wang, en Sprotje werd zoo week en zoo dankbaar en zoo heerlijk rustig, wanneer zij zijn warm naar de buitenlucht geurend lichaam tegen zich voelde. Dan keek zij teêr naar hem op, en kuste hem op zijn blozende kaak.
Eens dat zij zoo zaten, moest Hein plots denken aan een avond, lang geleden, dat hij bij Marietje, een kind nog, in de keuken op Sien had zitten wachten, en hoe die, toen ze eindelijk thuiskwam, gezeid had: "Nou, as jij liever met me zussie vrijt ...."--Liever, dacht hij, liever? .... ja, toch, liever ....--Voelde hij zich niet tevredener nu dan ooit te voren? En het kwam in hem op, hoe vreemd het was, dat hij bijna nooit aan Sien meer dacht, en nooit meer met hartzeer.
"Zit je goed zoo?" vroeg hij met een schorre stem, en haalde haar zacht nog dichter naar zich toe.
Maar soms waren er ook dagen, dat Hein opeens anders was, stiller en vreemder; dat hij verlaten paadjes voor hun wandelingen koos en plots met een heete heftigheid het meisje tegen zich aandrukte en haar woest zoende in den hals. Sprotje, in een schrille verwarring, onderging lijdelijk deze heftigheden, die haar diep ontstelden doch geen vrees gaven. Er ging een trillend voorgevoelen door haar heen, maar de juiste herinnering, later, ontvluchtte zij en zij wist niet, of er zonde bij kwam of dat het zoo zijn moest.
Zij was alleen wat bloô den volgenden dag, Hein keek verlegen, en daarna dreef voor dagen de rustige genegenheid tusschen hen weer boven.
Toen zij, de grootste gebeurtenis uit die tijden, op haar twintigste jaar werd aangenomen, kocht zij zich een degelijke en fraaie, zwarte japon ....; ze had daar maanden voor gespaard. En ze had gedacht: daar trouw ik in. Het zwarte zijden vestje zou ze door een wit van dunner stof vervangen; dat stond dan wel als voor een bruid.
En den zonnigen morgen, dat zij, zeer ontroerd en met beschreide oogen uit de plechtige Paaschkerk kwam, ging zij dadelijk boven zich uitkleeden en borg de kostbare stukken, tusschen couranten, in een schuif van haar ladekast.
Van dien dag af spaarde zij voor de meubels.
Toen zij een-en-twintig was, had zij op Ant's kamer zes trijpen stoelen staan, die van haar waren, een spiegeltje en twee boodschapmanden.
Ook Hein deed wel zijn best. Van zijn loon, vrij groot voor een jongen alleen, kon hij aardig wat overleggen; toch waren er ook weken, dat hij alle verdienste voor zichzelf scheen te gebruiken en angstvallig zijn spaarboekje in den binnenzak van zijn jas hield. Eerst had Sprotje daar stil verdriet over; later begon zij schuchter hem na te rekenen, betrapte hem tersluiks. De jongen was daar al vaak kribbig onder geworden, en toen zij eens, openlijk, hem een ontbrekende paar gulden verweet, stoof hij woedend op: zoo lang zij niet getrouwd waren, verdomde hij het, zich op zijn vingers te laten kijken; hij zou met zijn geld doen, wat ie verkoos ....! Sprotje had hem nog nooit zoo driftig gezien en zij huilde tot aan huis. Dan zei hij: "Kom .... Merie ...." en gaf haar een kus. Weerloos liet zij het toe.
Maar al waren er van die weken, dat Hein geen weerstand had kunnen bieden aan de overredingen van zijn kameraads,--de jaren door had hij toch ver over de honderd gulden gepot. Sprotje had een lijst gemaakt van 't geen zij noodig zouden hebben voor hun inrichting: het zou er wel van gaan .... en zoodra Hein negen gulden kreeg, konden ze trouwen!
Het was in het vierde jaar van Sprotje's verkeering, dat, met Mei, een der beide kamermeisjes van "de Cannegieter" plotseling haar dienst verliet, en men in het hotel, voor de opengevallen plaats, aan Marie Plas dacht: die was altijd zoo netjes en gewillig, die keek nooit stuursch en zou wel goed voldoen.
Bij Diepelink werd bedenkelijk het hoofd geschud: den heelen dag bedden maken, water dragen, trappen loopen--; maar Sprotje wou van geen bezwaren hooren. Honderdtwintig gulden ging ze verdienen, en dan nog de fooien, die in het zomerseizoen het meest opleverden!.... Zij kocht zich de drie grijze linnen japonnen, die vereischt werden, de mutsjes en de zes blauw-en-witte linnen schorten met strooken over de schouders.
En met denzelfden strakken wil, waarmede zij eens, als kind, in haar diensten het werk boven haar krachten had volbracht, volbracht zij nu de slopende taak van meid te zijn voor twintig vreemden.
Sprotje's diepste leven, in die dagen, ging met een hevige hebzucht uit naar alles wat haar aanstaande huisje betrof. Daarvoor werkte zij, daarvoor spaarde zij. Zij spaarde met hartstocht. Elke aankoop was weken te voren met duizend overleggingen beraamd; de daad van 't koopen zelf was een daad van vervoering; eenmaal den koop gesloten, dan kon zij avonden lang den slaap niet vatten van de buitensporige vreugde, van angsten ook wel over prijs en hoedanigheid.
Soms verdriette het haar, dat Hein voor dat alles zooveel koeler bleef dan zij; soms ook was haar de zelfzuchtig alleen gesmaakte blijdschap een nog dieper genot. Zij kocht achtereenvolgens twee blauwe bloempotten met een vlucht roode vogels errond, twee wollen dekens, een hanglamp, een wekkerklok, en een rieten tafeltje met een porceleinen bord erin.
Zij draafde van den morgen tot den avond door de kamers en langs de groote bovengangen van het hotel; zij sleepte met de matrassen, klopte de zware, gewatteerde dekens uit, sjouwde met de kitten water om de lampetkannen te vullen; zij boende de vloeren, lapte de ramen en de spiegels en de marmerplaten der waschtafels, hield de privaten schoon .... bij elk tringeltje op het portaal, haastte zij zich naar het zwarte wijsbord, haastte zich naar de kamer, waar gebeld was, haastte zich naar het sousterrain, om 't warme water te halen, dat men verzocht, om kleedingstukken uit te borstelen; zoo'n ganschen ochtend stond dat niet stil.
Zij werkte, werkte, nooit nalatig en schijnbaar nooit vermoeid; zij wou werken, zij wou geld verdienen, en als er iemand wegging, dan, met haar pijnlijk bleeke gezicht en haar gulzige oogen, als bedelend, wachtte zij op de gangen, aan de trap .... sommigen gaven haar daar meer om, anderen minder. Toch, op het einde der drie maanden, had zij bijna vijfentwintig gulden extra gemaakt; maar tevens moest zij den nieuwen post opgeven.
De eigenaar van het hotel was beducht, dat haar te ziekelijk uitzicht de gasten onaangenaam zou zijn; en zijzelf voelde het ook, er waren stoornissen in haar gezondheid, waarover zij met niemand dorst te spreken; zij was vaak koortsig van overspanning, ze kon het niet bolwerken.
Toen trof men een schikking, en, als de jaren daarvoor, daalde zij weer af naar de bijkeuken aan de binnenplaats en wiesch er de vaten als altijd.
Haar drie linnen japonnen en haar blauw-en-witte schorten met de strooken op de schouders, vouwde zij in couranten en sloot ze weg in de schuif der ladekast, waar ook haar trouwjapon lag ....
Toen zij weer voor haar aanrechten stond, leek het haar of ze in een eigen thuis was teruggekeerd, en of het nu wel altijd zoo blijven moest.
Iedereen in het hotel had zij zien komen en gaan, alle kellners, de kamermeisjes, den stalknecht; 't was de tweede kok, voor wien zij nu soms de sausen mocht roeren; zij voelde zich daar rechten hebben en zij wist er zich gewaardeerd.
Dien zomer, dat zij kamermeisje was,--'t zou de laatste zijn van haar verkeering,--kreeg Marie driemaal een geheelen Zondag vrij. Deze Zondagen gingen Hein en zij samen naar buiten, maar het waren hun gelukkigste uitgangen niet. Sprotje wist met zoo een langen dag langs de wegen weinig raad, omdat het wandelen haar te gauw vermoeide en de straffe lucht haar hoofdpijn gaf; aan Hein was het zitten in een weiland-bocht, het liggen kijken naar de graspluimen in de wijde lucht, en naar de wilde bloemen, of het zoeken van een klaverblad-van-vieren al evenmin besteed. Zij belandden meest in een uitspanning, waar Sprotje, toch al wat huiverig voor de lange eenzaamheden, enkel een glaasje limonade dorst te drinken. Zij voelde zich zoo zwaar in haar beenen, haar hoofd klopte en zij had wel willen gaan huilen ....
"Wat is er?" vroeg Hein dan.
"Och," schokte zij kribbig terug, "'k ben moe."
"Je most dat werken op die kamers er aan geven," had Hein haar op de tweede wandeling geraden, omdat zij er telkens slechter ging uitzien.
"Nee," beet Sprotje bot terug, "'k wil 't."
"Laten we dan niet meer loopen," stelde Hein goedig voor.
En dat had hij toen zelf ook het prettigst gevonden: in een warmen zandkuil den middag te verslapen.... Maar het meisje, rechtop en doodmoe, dorst de oogen niet te luiken, in een vage, vreemde vrees, die haar nog het meest vermoeide van alles.
En aan den laatsten dier uitgangen had zij lang een martelende gedachtenis behouden.
Zij waren, op den thuisweg, een verlaten stuk heigrond overgestoken, en Hein had daar zoo ruw en verwilderd met haar gedaan, dat zij, bang en heftig-gekwetst, hard met haar handen zijn gezicht van zich weg had geduwd. De verdere dag was er geheel door vergald geweest, en nog vele dagen daarna kon Sprotje Heins schrille, heete oogen, in dat oogenblik, niet van zich afzetten.
Zij waren het gelukkigst op hun stille wandeltjes de singels langs, als zij spraken over hun toekomstig huisje en elkaar zoo maar zoetjesweg al de luttele wederwaardigheden van den afgeloopen dag vertelden,--of op de koffie-avonden bij Diepelink en in Heins kosthuis, waar de menschen, sinds hij Marie eens meebracht, veel aardiger voor hem waren geworden, en telkens vroegen of zij niet nog eens kwámen met hun beiden. Heins moeder bezochten zij slechts drie of viermaal, en heel kort; die maakte telkens hatelijke toespelingen op Marie's zwakke gezondheid, en Hein wou maar liever niet over die bezwaarlijke dingen denken.
En toen, plotseling, een maand of wat later, kreeg Hein het opslag, waarover altijd gesproken was. Hij werd eerste werkman. Ze zouden gaan trouwen. Dat was een overrompeling!
Sprotje leefde als in de begin-weken van haar verkeering: 't was alles een droom, en haar gevoelens kon zij beheerschen noch overzien.
Angstig en toch schril-blij ging zij haar dienst opzeggen. Zij hield nog meer van Hein dan zij ooit gedaan had, en zij sidderde voor het komende, dat als een dreiging leek.
In September was zij de bruid.
In zulk een roezigheid van gedachten en verwarde instincten ging zij de dagen door, dat zij tweemaal in één week iets brak, wat nog nimmer gebeurd was.
En een vaste, klare vreugde daagde pas in haar aan, toen zij, drie weken voor de bruiloft, met Hein een huisje was gaan huren .... 't Was een huisje aan de Zijdveldsche Dwarsstraat, bijna buiten, een huisje, zooals zij het zich maar had kunnen verlangen, sinds kort gebouwd, nog netjes in de verf, en het had een plaatsje met een achterhekje op graslanden. Alles had haar daar heerlijk geleken, het nieuwe en zindelijke, het lichte bloembehangsel in het kamertje, de blauw-grijze verf op de keukenwanden, en niet het minst het achteruit, dat was als bij hun oude huis aan het Dijkje, wat beperkter alleen, maar even vrij en even frisch; je zag op een weigrondje tusschen boomen, een voetpad liep dwars daar doorheen naar ommuurde erven van andere huizen, en links, in de verte, zilverde de rivier, waar Heins oliemolen was ....
Na enkele dagen nog trokken de bewoners het huisje uit; van toen af sjouwde Sprotje iederen avond van haar dienst naar de Zijdveldsche Dwarsstraat, om er met Hein alles op stel te maken. Zij werkte als een uitzinnige; met haar hevigen wil dreef zij iedereen mee haar te helpen, te komen kijken, Ant, Tante Bartje, Moeder Diepelink. Zij leefde geheel op haar zenuwen. En een week voor de bruiloft was alles gereed.
Als Sprotje onder haar werken in "de Cannegieter," of des nachts, als zij wakker werd, aan dat huisje dacht, dan was er een toomelooze vreugde in haar hart, een verlangen zoo dwaas en zoo heerlijk, als zij nog nooit had gevoeld. Het was een vreugde, die niet sleet, die in geen maanden nog slijten zou. Als het kostbaarste wat zij bezat, droeg zij den huissleutel in haar zakdoek gewikkeld bij zich. 's Nachts lag hij onder haar hoofdkussen.
Het was er keurig, in dat huisje aan de Zijdveldsche Dwarsstraat.
In de keuken had Sprotje voor alles haar gerei en gemak, zooals het maar behoorde! Zij had haar lucifersbakje op den rand van den schoorsteen staan, en boven den gootsteen haar zeepkommetje van wit email; zij had haar rekje voor de potlepels en haar rekje voor de keukendoeken, haar Keulsche potje voor het zout, haar bussen en busjes voor koffie en peper en kaneel, haar twee houten aardappelbakken, haar groentemanden en haar teilen en teiltjes voor elk gebruik; achter de deur hing de krakend-nieuwe mattenklopper.