Sprotje's verder leven

Part 4

Chapter 44,032 wordsPublic domain

Maar toen, tegen het slot van den maaltijd, de twee oude vrouwen en Ant, met glimmende vingers en monden, nog de laatste stukken vette paling aan 't uitpluizen waren, en achter in de keuken de moeder en Hilletje, onder veel gegiechel en heimelijke knuffelarijen, 't druk hadden met de glazen en 't warme water voor de pons, toen werd het Sprotje op eenmaal te zwaar. Met een ruk ging haar stoel op zij, en zonder een woord of een groet was zij weg, de deur uit, op straat. Even was wel een duizelige schrik over die daad door haar heengeflitst; maar de daad zelf had haar in een staat van uiterste opwinding gebracht. Met een leeg, heet hoofd liep zij het donkere grachtje af en er kwam een verdwaasdheid in haar denken, een star kijken op één ding: Ze moest, ze móést nu een dienst .... er waren diensten.... zij móest nu den dienst vinden, die voor haar was.

Zij liep twee, drie straten door.

Ze moest naar de drukkerij gaan, dacht ze dan weer, waar dadelijk as ie uit was, de Advertentiebode tegen het raam werd geplakt .... hij kwám dien avond uit .... 't was Vrijdag .... Altijd stonden daar troepen jongens en meiden te wachten, die werk zochten .... Je kon ook naar binnen gaan, en vragen ....

In een droom voerden de slepende voeten haar voort.

Toen zij, in de nauwe en duistere steeg, dicht bij de twee felle, lichtstralende ruiten was geraakt en daarvoor de luidruchtige bende saamscholen zag, ging zij snel en schuw terug, en sloeg de Lammerenmarkt op. Met zinlooze oogen tuurde zij de rijïng der duistere of schemerende gevels langs .... àl die huizen, àl die huizen .... en waar was het huis, waar waren de menschen, die voor haar dagenlange sjouwen het beetje geld wouen geven, dat zij noodig had?

Eens schrok zij van zichzelf .... had zij daar niet de opwelling gehad, zoo maar als een bedelmensch, te bellen aan een rijklichte voordeur, en te vragen .... ja, wàt zou ze vragen?

Zij liep plotseling in 't Plantsoen .... zij werd daar bang, omdat het er zoo eenzaam was; in de verte, onder een gaslantaren, onderscheidde zij flauw de bank, waar zij eens, dien eenen heerlijken Zondagmiddag, met Hilletje gezeten had .... Zij haastte naar de lichte straten terug; met de mouw van haar jurk veegde zij de tranen weg, die heet over 'r wangen beefden. Zij kwam in de buurt van de Veen-válkstraat.... Tijd en duur was plotseling voor haar verzwonden. Zij zag de kamer van juffrouw Jonkers, 's avonds .... de Juffrouw zat in den rieten stoel en zij aan den overkant der tafel.... rood scheen het lamplicht over het rood-en-zwarte wollen kleed, en Wilmpje sliep in zijn wagen, achter de open kastdeur..

Een snikken barstte in haar uit.... toen er menschen naderden, ging zij schielijk een donker bordesportaal in. Dan liep zij weer terug.

Er was een angstwekkende wisseling in haar hoofd van schril-duidelijke herinneringsbeelden en van wemelende, zwarte gapingen, of alle denken haar begaf; zij werd zóó moe, dat zij, als in een koorts, op brijzelende voeten liep.

Bij lange poozen vergat zij het doel van haar doellooze zoeken. "Een dienst....," vaagde het nog door haar hoofd, doch de eigenlijke bekommernis van haar hart was zij in haar uitgeputheid vrijwel vergeten.... een dichterbije angst alleen was gebleven: wat zouden ze tegen haar zeggen, bij Diepelink, als ze weer terug kwam, straks?

Toen zij op eenmaal, met een schok van bezinning, zich vond loopen bij den grooten molen op den Wal, waar laag bij het nachtzwarte getorente de arbeidershuisjes stonden met een enkel verlicht venstertje nog maar--toen zag zij plotseling zich daar loopen, als kind, met haar twee guldens in de hand genepen en haar pak kleeren onder den arm.... Zij stond stil; een wonderbaarlijke klaarheid was even in haar ijle hoofd: van toen tot nu, al de jaren door, zag zij haar leven één ellende en één worsteling; en zij zag, dat dit wel altijd zoo blijven moest. "Hein!" dacht ze dan. En het vreemde, woeste en weeke, dat pijn deed en lust gaf, gudste door haar heen.

Maar plots, in het duister van het eenzame nachtpad, voelde zij een heeten blos haar kille wangen overtijgen. Zij was nu groot, volwassen, achttien jaar bijna! Zij mocht hier niet loopen als ze deed toen ze een kind was...... en zij mocht zulke slechte gedachten niet hebben.... zij moest goed blijven, eerzaam blijven..

Stil en verslagen, als een afgestraft dier, liep zij den langen en moeizamen weg terug van den molen naar de Vliet, naar het huisje, waar zij thuis lag.

Daar, toen het over tienen werd, was het huishouden in rep en roer geraakt. Hilletje werd naar bed gestuurd; de vrouwen, met haar wat opgewonden feestvier-hoofden, haalden zich de buitensporigste onderstellingen in den zin. Ant stelde ze wel gerust.... Merie wás zoo wat vreemd.... 't was al meer gebeurd....; maar de vrouwen waren niet tot kalmte te brengen. Als ten leste de onrust geen uitweg meer vond, werden zij boos. Niemand dorst gaan slapen.

Doch toen zij Marie, verwezen en schril-wit, plotseling op den keukendrempel zagen staan, zweeg hun boosheid. Zij schrokken allen geweldig. Wat was er gebeurd?.. Sprotje werd bij 't fornuis gezet, kreeg heete pons, werd naar bed gebracht. Den volgenden morgen kon zij niet naar haar dienst gaan. En Ant dwong haar te spreken.

"Nee... maar... zoo'n kind!" zei tante Bartje;--waarom in 's hemelsnaam had ze 't niet eerder gezegd!

Vrouw Diepelink maakte zich eerst nog kwaad: van de stiekemheid hield ze niet. Dan kwam haar goedhartige aard toch weer boven. Ze had bij de halve stad gebakerd, bij de halve stad had ze een wit voetje....! ze zou zien, wat ze doen kon.... Maar zoo'n meid, die den tijd liet vergaan en niets zei! Waar vondt je nog iets na één November?.... Afijn, ze zou 'r best doen....

En drie dagen later had Sprotje een dienst.

"De eene z'n nood, da's de ander z'n brood," zei vrouw Diepelink, toen zij met het bericht thuis kwam, waar Marie zich aan kon melden.

't Was een dienst van buitenshuis slapen, maar zij kreeg éen-twintig in de week en den vollen kost. Dat was een blijdschap! Ze zou nu een kwartje aan de kamerhuur meebetalen, werd er uitgemaakt, en twintig centen geven voor koffie 's avonds en 's morgens; dan hield ze nog vijftien stuivers over voor haar kleeren en de rest. Wat een rijkdom! Sprotje tracteerde 's avonds op bolussen, maar ze kon er zelf niet meer dan één eten, zoo ziekig was ze nog.

Een laatste week ging zij naar Mevrouw Verscheer ter Gouwe; en toen, eindelijk, braken er betere dagen voor haar aan.

II.

Nou maar ....," zei Hein, bedremmeld of hij een boos geweten had, "wat jij goed ben terecht gekomme.."

't Was op een Zondagmorgen, bij 't uitgaan van het Luthersche kerkje, dat hij langs kwam en Marie staande hield.

Doch het meisje, of zij geen gezindheid voor een praatje voelde, had alleen afgemeten "dag Hein" gezegd, en wilde doorloopen.

"De laatste maal, da 'k je zag," bleef de jongen volhouden, "toen was je der zoo naar aan toe .... daar had 'k toch zoo'n sjagrijn over."

"He'k weinig van gemerkt," kwam Sprotje koel terug.

De jongen keek haar vergiffenis-vragend aan.

"Dat mot je zoo niet opnemen," zei hij, "'k hèb wel voor je rond gekeken, en gevraagd .... maar 'k kon niks vinden .... en toen 'k niks vinden kon, wou ik je liever maar niet zien ook."

"'k Kan niet tegen de narigheid," zei hij dan met een ruk van z'n rooien kop op zij.

Marie zag verwijtend naar hem, maar zij kreeg nu ook wel meelij, zoo bedelend en bedrukt als hij daar voor haar stond.

"Die narigheid, daar zat ik anders midden in," zei ze toch nog.

"'k Dacht," zei de jongen, als een uiterste verontschuldiging, "dat je wat verkeerds gedaan had in je dienst .... net as die andere meid van mijn .... daar had ik nog de meeste beroerdigheid over .... maar nou ben je zoo goed beland .... 'k zie nou wel, da 'k dat mis had."

Met zijn fel-blauwe, naakte oogen keek hij recht en dringend in de hare, en Sprotje, onder dien blik, voelde weer het vreemde, weeke en angstige door haar heen duizelen, dat zij zoo goed kende, den laatsten tijd, en waar zij zoo bang voor was.

Zij bloosde hevig, zei jachtig iets van: naar huis moeten .... al laat...., en meteen ging zij door.

"En héí je 't nou alles naar je zin?" sprak luid de jongen nog achter haar aan, in een laatste poging tot hartelijkheid.

"Alles best, hoor!" antwoordde Sprotje over haar schouder.

En toen zij zoo, blozende en beschaamd, en plots ook verzoend weer, naar hem omkeek en lachte, had zij een liever gezichtje, dan de jongen nog ooit van haar zag.

't Was in het tweede hotel van het stadje, in "De Cannegieter," dat Marie, door de voorspraak van vrouw Diepelink, was in dienst gekomen. "De Cannegieter" was niet zoo voornaam gelegen, en zoo duur, en zoo deftig beklant als het kleinere "Hof van Holland," maar 't was er wel tienmaal zoo druk. Alles van de markten kwam daar, en de handelsreizigers, en er was een café bij, waar 't altijd vol zat.

Van dat hotel zelf echter en van het café kreeg Sprotje nooit iets te zien. Om acht uur iederen morgen kwam zij door de zijdeur in het Schoutensteegje binnen en daalde de bediendentrap af naar de keuken aan de binnenplaats, waar zij haar dagen doorbracht. En iederen morgen om acht uur stonden daar, in de bijkeuken, haar twee aanrechten al vol vuil gerei, dat wachtte.... Sprotje wiesch, Sprotje droogde.... Dat was haar werk. Zij wiesch de dozijnen koffiekoppen en likeurglaasjes, die den vorigen avond nog waren leeggedronken, het aardewerk van een verlaat diner, de vette bordjes van broodjes met ham en gebakken eieren, waaraan, in de vroegte, bezoekers zich al hadden vergast.

En al naar zij de stukken wiesch en in de meters-breede, open muurkasten weer op hun plaats schikte, kwamen nieuwe bladen-vol het weggeruimde vervangen: 't ontbijt van de handelsreizigers, die er zoo vroeg niet op uit trokken, het tweede ontbijt van het personeel boven. En voor zij alle vorken en lepels en de nikkelen kannetjes en suikerschaaltjes netjes had opgepoetst, en al de messen met messepoeier blank gewreven, kwamen de bezendingen der vroege koffietafels alweer in het liftkastje afgezakt.

Maar te druk had zij het toch nooit. Zij moest maar op haar verdrag werken, was haar gezegd, en zorgen, dat het aardegoed nooit streperig zag en het metaal nooit dof. Wat zij brak was voor haar rekening.

Klein-alleen in de groote, witgekalkte bijkeuken, die, met zijn bovenramen aan de binnenplaats, wel een leeggedragen catechisatiekamer leek, of een prachtige kelder,--daar stond het onnoozele Sprotje te midden der resten van het popelendste leven der kleine stad, al den afval van avondbrasserijtjes en smulpartijen, van morgen- en middaggasterijen en goede sier. Zij wiesch en zij droogde, zij rook aan de glaasjes, wat voor vreemde dranken daar wel in geweest mochten zijn, zij begluurde de restjes op borden en schalen, proefde met een vingerlik .... Soms draafde een kellner of een kamermeid binnen. Dan schrok zij.

En in de nog uitgestrekter keuken naast-aan, voor het fornuis als een kamertje zoo groot wel, stond, in zijn witte kleeren, de kok. Uit de tusschendeur, die op een kier bleef, dreven de geuren binnen. Als zij voor nieuw heet water aan de koperen fornuiskraan moest zijn, neusde zij: daar dampten de ijzeren potten met het sissende braadvleesch, de pannen vol borrelende saus en de ketels vol soep; in groote blikken vaten op tafel koelde de gekookte melk.

Soms werd Marie binnengeroepen om te roeren. Dan stond de kok voor het aanrecht en met zijn bebloede handen kerfde hij, als een slager, de klompen vleesch; zijn vingers dropen en zijn schort was besmeurd. Sprotje vond dat een ijselijk gezicht. De eerste maal raakte zij bijna van haar zelf; dan wende zij er aan.

Iederen dag zag en leerde zij iets nieuws. Zij kon het niet bevatten alles. Zij had nooit geweten, dat er zooveel in het leven te koop was, en bij Diepelink, 's avonds, raakte zij niet uitgepraat.

Haar dagelijksche verwondering was ook, wie toch wel al dat eten moest opmaken, dat zij iederen morgen weer verwerken zag. Vaag hoorde zij iets over een "heerentafel," over de "pladduzjoer," en over de "buitendinees".... Soms waren er gastmalen van "de Bond." Dan liep ieders hoofd om. Vóór achten al stond de kok als een zot gele saus te draaien; de flesch olie hield hij, in een servet, onder den arm; druppeltje voor druppeltje viel er in de dikke brij.... Dan rolde hij deeg met een ronde stok, en bakte een pastei.

En de hoopen eten, die er zoo'n volgenden dag voor hún tafel overbleven! Soepvleesch zooveel zij maar lustten, en al het overige naar venant.

Andere dagen weer sneed de kok al de resten ondereen en maakte daar, met bruinen wijn en kruiden, een fijnen schotel van voor boven. Dan kregen zij elk hun afgepaste deel en moesten verder genoeg eten aan aardappelen en gruttenbrij. Maar lekker dat die aardappelen soms waren! Sprotje had nog nooit zooiets geproefd: stukjes, of stokjes, goudgeel en met korstjes, die knisterden en die je toch zóó fijn maalde in je mond. Een volgenden keer hutste hij boonen en rijst door elkaar, en gooide er een stuk spek in .... maar gek, zoo'n kok kon het zoo raar niet klaar maken, of 't was toch altijd nog lekkerder dan wat je thuis ooit at.

De gezamenlijke maaltijden aan de groote tafel in het achterhuis waren Sprotje aanvankelijk wel eerder een kwelling dan een genot. Zij zat er, de laatste, in een hoekje naast de linnenpers gedrongen, en zij hield zich maar stil en achteraf, dat men niet op haar letten zou ...., doch haar kleine, grijze oogen gluurden des te gretiger de schotels rond, en er was nooit zoo weinig, dat je niet volop kreeg. Maar ze werd vaak genoeg geplaagd.

--Ze mosten eens weten, dacht dan Sprotje met evenveel beduchtheid als stiekeme voldoening, dat verleden week 's avonds Hein weer met 'r was opgeloopen van het Turfgrachtje tot aan de Vliet ....! Ze mosten eens weten, dat Vrijdag Hein haar had afgewacht in de Schoutensteeg!... Trouwens, ze was het plagen wel gewend, van vroeger, thuis.

Ook haar werk was nu juist niet van het prettigste. Altijd afwasschen .... altijd afwasschen! haar handen waren overal gebarsten van het zeepwater en de soda. De kok kommandeerde, de kellners kommandeerden, de kamermeiden kommandeerden .... Maar binnen twee maanden had ze een japon overgespaard; zij leefde bij 't vooruitzicht van alles, wat ze weer zou kunnen koopen; zij voelde ook, dat haar gezondheid vooruit ging,--geen trappen loopen, geen haast meer--; een kost als een rijkelui's meid, en vijfenzeventig centen in de week voor haar alleen!

Viel er in de keuken eens een extra hapje af, dan spaarde zij het uit haar mond en bracht het aan grootmoeder Diepelink, die zich vaak beklaagde, dat zij nooit meer 'ns iets bizonders over de tong kreeg, nu zij niet langer in de fijne diensten uit bakeren kon.

Sprotje was de Diepelinks zeer dankbaar gebleven.

De vrouwen thuis, ingepalmd door die kleine vriendelijkheden, hadden ook wel vaak een vriendelijkheid voor Sprotje terug, en toen hun eens verteld was, dat Marie zoo dikwijls op straat werd gezien met een werkman uit den oliemolen van achter de Weteringpoort, toen verzonnen zij daar kleine, goedige plagerijen op, tante Bartje vooral, die het vermaak waren van den avond. Sprotje bloosde dan, Sprotje werd verlegen, maar haar hart zwol van een vreemde heerlijkheid. Zij kon het nauwelijks gelooven .... zij zag zichzelve nog altoos achterlijk en min .... Merietje, of Sprot.... en plots was daar nu de erkende mogelijkheid, dat zij, als alle andere meisjes, verkeering zou hebben; en met een kerel nog wel als Hein!

't Prettigst vond Sprotje die uren, als Ant was uitgegaan en zij met de twee oude vrouwen alleen bleef; Hilletje was al sinds eenige weken niet meer thuis. Die, het leven bij 'r opoe en oudtante beu, met wie ze niet lachen kon als met haar moeder, en die haar te weinig vrijheid lieten naar 'r zin,--de kommesalen waren ook al niet meegevallen!--Hilletje had net zoo lang gedreven tot ze een plaats op een kleermakerij in Amersfoort mocht aannemen, en daar bij 't groote huishouden van haar oom in den kost kwam. Met een laatste naschrijning van verdriet en een verluchting tegelijk, had Sprotje haar zien vertrekken. Iederen dag, onverdeeld, verlangde zij nu naar de rustige avonden met grootmoeder Diepelink en tante Bartje, en iederen dag ook verlangde zij naar dat spelletje van stilletjes plagen en stilletjes zich verweren, dat haar zoo welkom was.

Het werd een spel van velerhande gewaarwordingen voor Sprotje. In de tegenwoordigheid der vrouwen was het meest haar kleine, gevleide ijdelheid die sprak; maar in de uren alleen, daarna, werd het heel wonderlijk in haar hart van verlangens en vage hoop, die zij zich ternauwernood bekennen dorst. Toch was het, of 't meer openlijke en uiterlijke, door dat schertsen aangebracht, haar ontoegankelijker maakte voor de zwijmelende gevoelens, die haar de laatste maanden zoo vaak bekropen, in 't geheim, en verontrustten. Ze voelde zich trotsch, een kriebelende vreugde was soms in haar hoofd, hoewel ze zich dikwijls genoeg voorhield, dat Hein best niets bizonders bedoelen kon.

Ze zag er frisscher uit, ze liep niet meer zoo gebogen in de schouders;--zij werd behaagziek voor haar doen; zij kocht zich de eene week, van haar spaarbank-geld, een nieuwen winterhoed met schotsche strikken, en de andere week een bontje van negentig cent.

Soms, als er niemand was, keek zij in den kleinen spiegel boven het kastje van de voorkamer: ze had toch al wel een klein beetje kleur, vond ze, en 'r haar leek ook niet zoo erg onvoordeelig meer ....

En den derden April, geheel vervaard, kwam Sprotje met het bijna-niet-te-zeggene thuis: Hein had een briefje voor haar afgegeven aan het hotel .... hij vroeg, of ze Zondag met hem uitging.

Dat was een bereddering! De grootmoeder en tante Bartje raakten niet uitgevraagd: wat had ie precies geschreven? wou ie alleen Zondag met 'r uitgaan? of wou ie verkeering? maar as een jongen je vroeg om uit te gaan, dan wou ie toch eigenlijk verkeering .. Nou, hadden ze 't niet gezegd?

Zij toonden al de kleine en nieuwsgierige belangstelling, die zooveel oudere vrouwen hebben voor alles wat een jonge liefde aanbelangt.

Sprotje, in haar verwarring, was ten uiterste gestreeld.

Tante Bartje praatte vooral over: de verantwoordelijkheid .... een meisje zonder ouders .... de voogd .. Ook Ant diende gehoord. Ant zei niet veel ....--Ja, Merie most het zelf weten .... Zij scheen niet al te best te spreken over het geval.

Ten slotte werd er beslist, dat Merie nog de jaren niet had, om zonder zekerheid van verkeering met een jongen uit te gaan, en dat van der Kamp--ze had dien Zondagmiddag toch niet vrij--des avonds bij hen kon komen koffiedrinken.

En zoo gebeurde het.

Sprotje doorleefde dien avond als een koortsigen maar goeden droom. Met plekkerig-heete kleuren onder de oogen, van opwinding en verlegenheid, zat zij naast Hein, en zei zoo goed als niets. Hein zei weinig méér. Iedereen keek hen aan; zij waren beiden zeer beschaamd en zagen toch welgemoed.

Alleen Ant was nukkig, en op het midden van den avond, plotseling, ging zij uit. Dat werd weinig aardig gevonden. De grootmoeder, met een knipoogje naar den jongen, zei: "Die is jaloersch."

Hein kleurde nog feller dan hij aldoor al gedaan had, en hij stotterde iets, van dat Ant toch met Busselaar vree ....

Dat gaf een nieuwe bereddering!--Busselaar? was dát die beurtschipper, waar ze in 't begin wel eens over gehoord hadden? Was het dan toch waar geweest, laatst, van dat loopen naar de haven? En waarom had Ant hem nooit eris meegebracht? .... De oude vrouwen, nog nieuwsgieriger en nog meer belust, raakten opnieuw niet uitgevraagd.

Sprotje wist niet, of ze spijt had dan wel blij was, dat de grootste aandacht nu van haar bleef afgeleid.

Maar toen, na een poos, Hein aanstalten maakte om heen te gaan, vroeg grootmoeder Diepelink, ten afscheid, heel vriendelijk maar overrompelend beslist, en met een groote guitige gemeenzaamheid:--of ze goed had begrepen, dat het voor vast was .... 't meissie had geen ouwers ....; waarop Hein, of hij al voor den dominé stond, hoogblozend en bedremmeld, maar vol goeden wil, een "ja" uitbracht.

Bij 't weggaan kuste hij, beschaamd en bruusk, Marie heftig naast den mond.

Sprotje, dien nacht, was overvol van een schreiende verwondering. Het was haar geheel onbegrijpelijk; zij kon er zich niet indenken, dat zij verkééring had, en dat ze verkeering had met Hein, dien ze al zóó lang kende; en toch was het haar juist daarom zoo gewoon en vertrouwd, of zij altijd wel geweten had, dat met hem haar leven verder zou gaan. Zij voelde ook weer, bij haar mond, den kus van zijn harde lippen; hij had haar bijna pijn gedaan, maar nog ging er een scheut van verbijsterende vreugde door haar heen, als zij er aan dacht. Zij was klaar wakker en het bloed in 'r hoofd klopte lastig tegen het kussen. Zij kon er niet aan ontkomen. Zij zag weer Hein's goedigen kop, zoo barstend rood en trouw, toen grootmoeder Diepelink 't vroeg ....; hoe durfde ze!

En opeens had Sprotje een voorstelling van hoe haar moeder daar tegenover Hein zou gezeten hebben, met een bezwaarlijk gezicht en dan toch weer vol danige goedheid; haar moeder had van Hein gehouden, 't altijd voor Hein opgenomen, al zag zij toen met Sien weinig toekomst in de vrijerij .... Maar nou had Hein al zeven-vijftig in de week .... nou zou 'r moeder wel blij zijn geweest ....; zij zag al, hoe die 'r trekken uit hun stuurschen plooi zouden zijn opengegaan in een donker-oolijken spotlach .... zij hoorde al die gekscherende stem, en 't was haar, of bij die warme herinneringen aan 'r moeder, haar innigheid voor Hein te hechter en te heviger-om-van-te-schreien werd.

Sprotje, sinds dien Zondagavond, leefde in één verwarring van gevoelens en ervaringen. Schijnbaar gewoon, alsof er niets gebeurd was, gingen de lange dagen om in de bijkeuken van "de Cannegieter,"--doch juist die waren vol van zoete, lachende en verwonderde gedachten; soms merkte Sprotje, dat zij zacht stond te zingen boven het lichte gekletter der borden in haar spoelbak .... Maar de avonden met Hein, die de vervaarlijke werkelijkheid-zelf waren, die bleven vreemd en schril en geheel uiterlijk.

Zij voelde voornamelijk het heel erge van met een jongen geärmd door de straten te gaan, en dat iedereen dat zien mocht. Zij was buitenmate trotsch en zij schaamde zich tevens. Hein was stil, hij drukte stevig haar arm, maar hij dorst haar nauwelijks aanzien; dan grinnikte hij maar eens, en als hij haar thuisbracht, in het donkere portaaltje bij Diepelink, gaf hij haar zijn harden afscheidskus. En den verderen avondtijd bij Diepelink eveneens, voelde Sprotje meer haar nieuwe gewichtigheid van het-meisje-dat-een-beminde-heeft, dan dat zij bewust gelukkig was. Zij besteedde ook veel tijd en veel overleggingen aan kleinen opschik, en telkens stak haar het verlangen en de angst tegelijk, dat in de keukens van "de Cannegieter" haar verkeering zou bekend worden.

Den eerstvolgenden Zondagmiddag--Sprotje zelf had dat zoo gewild--gingen zij naar Heins oude moeder, die inwoonde bij zijn getrouwde halve zuster. "Och," had Hein gezegd, "wat zalle we d'r doen ....?" maar bij Diepelink ook was de meening geweest, dat het zoo hoorde.

't Was een van de lage, vervallen huisjes, die achter op het Turfgrachtje staan, waar dat, omhoekend, doodloopt op een hek langs het Singelwater. Het oude mensch, in een paars gebloemd jak, die maar bleef kousen stoppen in haar hoek aan 't raam, had hun niet eens de hand gegeven. Zij leek in niets op Hein: een smal, groezelig rimpelgezicht, met glurende, waterig-bruine oogjes, en dun grijs haar onder een gebreeën wit mutsje uit. Ze keek over haar bril Marie eens aan en zei: "Zóó, wel-wel, nou-nou ....," toen Hein bazig vertelde, dat dit dan zijn meisje was. En de stiefzuster, een lange, sluike vrouw, met een ontevreden uitzicht--zij trok naar de moeder--smaalde, terwijl zij de borden van het middageten borg: "Afijn hè, de derde keer de goeie keer...."