Sprotje's verder leven

Part 3

Chapter 34,086 wordsPublic domain

Zij had zich, die dagen, weer in twee diensten aangemeld; de eene was gebleken in een smederij te zijn; de juffrouw had goedig maar heel bezwaarlijk gedaan .... Nee, ze zocht toch eigenlijk een ouder meisje, was haar besluit geweest. Het tweede dienstje was bij een juffrouw met een lange kanten muts op en gouden krullen aan haar slapen; die gaf twaalf stuivers in de week en de volle kost; zij moest er den volgenden dag terug komen, maar toen was de juffrouw voorzien.

De tweede Zondag, dat Sprotje bij Diepelink was, werd een heuglijke dag voor haar.

Den avond te voren had Hilletje gevraagd:

"Hoe laat ben jij morgen vrij? .... dan kom ik je halen."

"Waarom?" verbaasde zich Sprotje.

"Om te gaan wandelen," zei Hilletje .... "wat is daar voor geks aan?"

Met een glansvol hartje had Marie dien avond in bed wakker gelegen; en den volgenden morgen, pas in haar dienst, moest zij het aan haar Mevrouw vertellen, tegen wie zij, deze weken, uit zichzelve nog niet weer gesproken had:

"Vanmiddag komt me vrindin me afhalen .... om te gaan wandelen!"

Sprotje had nog nooit een vriendin gehad.

In een plotselinge oplaaiing van gevoel was zij vol van de liefste gedachten over het meisje, dat haar zoo goedgezind bleek. Met een bijna pijndoende teederheid dacht zij aan Hilletjes gezicht, aan haar handen, haar stem, en tegelijkertijd was er angst in haar hoofd, dat zij niet vroolijk en niet aardig genoeg zou wezen op zulk een wandeling, bezon zij zich op verhalen en grapjes, die de andere zouden kunnen vermaken.

Met een popelend hart wachtte Sprotje dien Zondagmiddag den klokkeslag van vier.

Arm in arm, als twee verknochte vriendinnen, wandelden Hilletje en zij den Waterveldschen weg af.... het eenige, wat Sprotje de heerlijkheid van dat uur even verduisterde, was, dat zij zichzelf in haar onfraaie kleeren en met haar mutsje, niet waardig vond, zoo gelijk-op te loopen naast Hilletje, die een mooie korenblauwe japon droeg, en een hoed met twee trossen seringen, zóó prachtig, dat ze echt leken.

Het was een zacht-warme dag in het begin van October. Zij wandelden langs den Singel, en zaten daar. Op het breede bleekblauwe water wiegde her en der het warm goudbruin der saamgevlotte najaarsbladen, en door de ijle, gelende boomen zag de hemel teer glanzig en strak, als van zachte zijde.

De meisjes zaten dicht naast-een op de bank, die zoel aanvoelde van de middag-lange zonnekoestering; zij ondervonden vaag het zomersche herfstuur en spraken weinig.

Soms lachte Hilletje plots in een giechertje zacht-luid op en begon een verhaal. Sprotje luisterde met een verre aandacht vol gelukkigheid.

Zij dacht, dat zij nog nooit zoo gelukkig was geweest als dezen middag.

Diep in haar hoofd was nog wel de onrust van iederen dag, maar zij vergat die bij lange poozen en een uitkomst leek haar zekerder.

En de gansche week daarop, in den weerglans dier schoone uren, deed zij luchter en beter haar werk.

Eenmaal, een avond, ging zij ook met Hilletje mee boodschappen doen, de stad in, doch dat was zoo heerlijk niet, want zij was te moe van den dag in haar dienst.

Langzamerhand waren de twee oude vrouwen, grootmoeder Diepelink en tante Bartje, beter jegens haar gezind geraakt. Zij wisten nu wel, dat Marie zwak was, en dat die niet uit luiheid 's avonds zoo weinig behulpzaam deed. Zij hadden niet meer, als de eerste dagen, zijdelingsche schimpscheuten tegen jonge bleekneuzen, die altijd op 'r zeven gemakken waren, en de grootmoeder zei nooit meer, met haar vinnig-vriendelijke stem, als er iets uit de kast moest gekregen of van het vuur: "Allé, meisje, rijs jij eens overeind, dan schimmelen je beenen niet." Met een klein-vergenoegd gezichtje haalde tante Bartje 's avonds haar duurste en fijnste werk uit de mand, mikte, pikte, kriebelde haar petieterigste steekjes door de ragge stof, van te voren al gevleid door het eindelijke, verlegen vraagje, dat nooit uitbleef .... Sprotje boog begeerig naar voren, voelde met aarzelende vingers het open zoompje aan, de kantjes, de stikseltjes:--was dat een pronklakentje? .... een doopmutsje? .... een dagponnetje? .... hadden overdag de kindertjes van die lange ponnetjes aan, om beter het luiergoed te bedekken? om netjes te zijn als ze uit de wieg kwamen? ....

Sprotje, met een vaag-hevig verlangen, zag al dat kleine, fijne goed onder haar oogen uitgestald. Zij dacht aan Sien .... iederen dag konden zij bericht verwachten .... zulk mooi goed zou Sien toch wel niet hebben! Zij herinnerde zich woord voor woord wat Sien gezegd had, bij haar moeders bed .... van de zeegroene gordijntjes en het kanten kleed .... Zij zag Sien zitten met haar zware lichaam en haar vreemde gezicht .... Zij zag haar moeder, hoorde die spreken, zoo ongekend zacht en liefdevol, over het kindje, dat geboren zou worden .... Zij zag zichzelf zitten, 's avonds, bij juffrouw Jonkers ....; zij had een wollen doek op schoot, en de Juffrouw bracht haar het slapende Wilmpje .... Zij zag het weeke, witte halsje binnen het flanellen nachtponkraagje, zij zag het vlassen haartje, en boven de kleine, roode slaapwang, het flauwe, blauwe oogstreepje, dat knipperde of hij wakker zou worden en dan wassig-vast weer toeviel ....

Een mengeling van onverklaarbare, vreemd-zachte en woeste gevoelens kwam er door Sprotjes hart gevaren .... En dadelijk daarop moest zij dan aan Hilletje denken. Zij zag Hilletjes ronde, roze wangen, en haar blauwe oogen met de lange wimpers, en het dichte, roodblonde krulhaar .... en zij was zeker, dat zij nog nooit van iemand zooveel gehouden had als zij nu van Hilletje deed, ook zelfs van juffrouw Jonkers niet.

Maar den volgenden Zondag leek haar de wandeling, die zij samen maakten, iets minder prettig en iets minder vertrouwelijk, en zij wist niet, of dit aan Hilletje lag dan wel aan haar. Het weer was helder en zomersch als de eerste maal, en zijzelf was uitgerust als iederen Zondagmiddag, wanneer zij in haar stille keuken de twee lange middaguren boven "Bunyans' Christenreize naar de Eeuwigheid" had zitten droomen .... misschien tobde zij ditmaal meer over haar dienst, die verliep, en de nieuwe, die zij maar niet vinden kon .... 't Was al bijna half October!

Toch was zij zeker, dat zij dien dag nog meer hield van Hilletje dan al de dagen ervoor; alleen, het samengaan maakte haar zoo blij niet, gaf haar een onrustigheid en een zorg, die zij niet verstond.

En den derden Zondag kwam Hilletje niet langer alleen, om Sprotje af te halen; er was nog een ander meisje bij, een dat ouder was..--Ook een vriendin, zei Hilletje,--die had gevraagd eens een keer mee te gaan..

Sprotje voelde plots een nijpende teleurstelling;--dan, even ook, een gevleidheid, dat zij nu nóg een kameraad kreeg, een zoo groot meisje al .... Maar de teleurstelling bleef het sterkste, maakte haar stug, en zij praatte heesch, omdat het schreien haar stak in de keel.

Het nieuwe meisje, donker van uiterlijk en zwaar voor haar jaren, praatte en lachte druk en luid. Zij deed lange verhalen aan Hilletje, waarvan Sprotje weinig begreep, maar 't ging over verboden dingen, dat hoorde zij wel; het maakte haar belust en het vervulde haar met een vreemde vijandschap voor het nieuwe meisje, en voor Hilletje ook.

Marie kon Hilletje onder het wandelen nu ook geen arm geven:--dat stond niet, met je drieën; en zij liepen los naast elkaar, tot, na een tijdje, in een gegiechel en fluisterend gepraat, de twee anderen elkaar onder den arm namen, en Sprotje, verlaten en zonder praten, alleen er naast ging.

Zij begreep toen, dat Hilletje de stille wandelingetjes met haar alleen te saai had gevonden; er verhardde iets in 'r hart; maar door den wrok, die haar brokte in de keel, en haar gekneusden trots, voelde zij hooger een kwellende liefde en een bitter verdriet. Zij nam zich vast voor, een volgenden Zondag zulk een wandeling met z'n drieën af te slaan, maar toen zij 's avonds er op dorst zinspelen, zei Hilletje dadelijk bits: "nou, graag of niet" en deed zeer beleedigd.

Den volgenden dag, toen Sprotje uit haar dienst kwam, vond zij plots, aan den hoek van 't Plantsoen en den Waterveldschen weg, Hein van der Kamp op haar staan wachten.

In het begin van den zomer, kort na Siens trouwen, en toen haar moeder pas ziek was, had zij den jongen vaak gezien; tweemaal was hij ook bij hen binnen geweest, als hij van zijn oliemolen langs kwam .... Toen opeens, was hij weggebleven, en tusschen al de lotgevallen van die tijden door, had Sprotje niet dikwijls meer aan hem gedacht.

Zij zag dadelijk, dat hij kwaad was; zijn altijd wat rooie en ongemakkelijke kop stond grimmig naar haar toe en hij kauwde barsch op zijn snorretje.

"'k Heb jou gisteren met die meid van Vieredag zien loopen," zei hij; "da's geen portuur voor een meissie as jij."

Sprotje op haar beurt werd boos.

"Dat zal jij zeker weten," beet ze van zich af; "Hilletje van Diepelink loopt er toch ook mee."

"Mot die meid van Diepelink zelf weten", zei Hein; "maar die andere zal jou niet verteld hebben, dat ze vroeger ook op den Waterveldschen weg het gediend .. omdat ze daar weg is gejaagd."

Hij begon weer nijdig op z'n wittige snorretje te kauwen. "Da's nou die meid, waar 'k verkeering mee heb gehad .... maar 'k mocht ze niet .... en twee maanden later was ze uit 'r dienst gezet...."

Sprotje kleurde hevig, juist als de eerste maal, toen Hein over die verkeering praatte; zij voelde zich geheel onzeker, en wist niet, wat te zeggen, noch hoe te kijken.

"En waar zitten jullie nou tegenwoordig?" vroeg de jongen, eensklaps weer goedig en als uitgewoed.

"Bij vrouw Diepelink," zei Sprotje .... "daar liggen we in de kost." Zij was nog niet over de ontredderdheid van haar gevoelens heen, en in die verwarring sprak duidelijker op dan ze wou, een toon van kleine behaagzucht. Zij was er trotsch op, bij zulke nette menschen te wonen.

"'k Was nog wel 's bij je moeder angekomme, toen die zoo ziek lag; en later, met de begrafenis...," zei de jongen; "maar as 'k dacht: nou gaan 'k 's, dan dacht ik meteen: most die madam 'r 's zitte!... Want ik ken ze nog altijd niet uitstaan, die zuster van jou.... En toen op een dag waren 'r andere mensche in jullie huisie...."

"Je kwam ook nooit meer 'ns langs," zei Sprotje verwijtend, en met een blos alweer.

"'t Wi'k wel geloove...," verweerde zich de jongen; "'k ben nou an de oliemolen van die broer van m'n baas, buiten de Weteringpoort ... daar waren 's op ééne keer drie knechten tegelijk ziek ... en later ben 'k der gebleven ... met twee kwartjes opslag na de drie maanden."

"En nou mot 'k er van door," zei hij dan gehaast; "'k mot gaan eten."

Hij vroeg nog waar vrouw Diepelink precies woonde. En in een plotselinge vastklamping aan dit wezen, dat zij zich zoo toegedaan voelde, zei Sprotje schor en zoo maar verward-fel naar hem heen:

"Hein, me volk het me opgezeid ... weet jij geen dienst voor mijn?"

"Die dienst, waar je al drie jaar ben?" vroeg de jongen geschrokken.

Het meisje knikte.

"Waarom?" vroeg hij weer. Hij zag ontdaan, of hem iets naars was overkomen.

Marie kreeg plots de tranen in de oogen; zij trok schril de schouders op.

"Om het loon," zei ze dan. "'k Most meer loon, ... 'k kan der zoo niet komme ... maar dat woue ze niet."

Toen werd de jongen heel wonderlijk van binnen, beschaamd en ontroerd tegelijk, dat dit meisje, dat hij altijd zoo vreemd en teruggetrokken had gekend, hem nu zoo hulpeloos haar vertrouwen gaf. Maar plotseling, waarom dat wist hij niet, hij had in geen jaren daar meer aan gedacht, herinnerde hij zich de twee gulden, waarvoor Merie op dien regenavond Sien had verraden; en als een stekende pijn en een afkeerig wantrouwen tegelijk, ging het door hem heen, dat zij misschien oneerlijk was geweest. Zijn kop werd vuurrood, zijn gedachten verdwaalden door elkaar....

Marie, geheel van streek, zag voor zich neer, veegde zich de haren van het voorhoofd.

"Nou, 'k zal zien, dat 'k 's voor je rondkijk," zei de jongen; zijn stem klonk bijna barsch en toch week, en meteen, na een bruusken knik, ging hij door.

Sprotje, de daaropvolgende dagen, leefde in een onontwarbare woeling van gevoelens en gedachten. Het berouwde haar niet, dat zij Hein over dien dienst gevraagd had, ofschoon zij niet begreep, waarom hij opeens zoo boos was geworden en nog minder, hoe Hein een dienst voor haar zou kunnen vinden; zij moest telkens aan hem denken, maar nog meer moest zij denken aan Hilletje en hun oneenigheid. Zij dacht ook veel aan haar moeder, en aan juffrouw Jonkers. Maar geen gevoel kon zij duidelijk nagaan; zij kon met niets in het rechte komen. Zij meende een zelfde innigheid te voelen voor juffrouw Jonkers en voor Hilletje, maar werd zich dan opeens bewust, dat zij nooit zoo aan juffrouw Jonkers' wangen en oogen had gedacht als aan die van Hilletje. Aan Heins oogen en wangen had ze ook nooit gedacht, en toch werd ze voor hem soms dezelfde weekheid gewaar als voor Hilletje, maar meer nog dacht zij aan hem met de behoefte van bescherming-zoeken, zooals zij nu, achterna, dacht aan haar moeder.

Doch al die dierbare en beangstigende gevoelens, wanneer zij, nieuwsgierig en begeerig en terugschrikkend, ze door zich heen voelde trekken, werden steeds weer vertroebeld en vergald door den àl klimmenden angst voor den vijftienden November. Zij was nog weer op de enkele diensten, die in de "Bode" stonden, afgegaan. Op de Oude Gracht, in een deftig huis, had zij de Mevrouw niet eens gezien, was dadelijk afgewezen door de keukenmeid; een zwarte japon en witte manchetten waren daar vereischte; zij had dat niet begrepen. De Juffrouw van een galanteriewinkel was heel toeschietelijk geweest, deed dadelijk of ze haar al gehuurd had, maar toen Sprotje vroeg, hoeveel ze verdienen kon, bleek het loon maar zestien stuivers te zijn en de halve kost. Zij begreep niet, hoe en waar ze nog iets zou moeten vinden. En wat toch, wat toch, als ze niets vond! Ze kon soms vurig loopen bidden op straat, om redding; andere dagen was zij zoo moedeloos, dat zij tot een gebed geen macht meer had.

Den volgenden Zondag ging Sprotje nog eenmaal met Hilletje en Anna Vieredag uit. Zaterdags-avonds was zij de minste geweest, had, toen de andere niets zei, zelf gevraagd--haar slapen klopten van angst en verlangen--of de twee haar weer kwamen halen. "Goed," was Hilletjes onverschillig antwoord geweest.

Vaag slechts had Sprotje er zich rekenschap van gegeven, dat zij liever Hein boos maakte, dan Hilletje voor goed te verliezen; doch tevens voelde zij zich daar bleek en beverig om, als wie iets schuldigs doet.

Dien Zondag was de wandeling met hun drieën haar een nog grooter kwelling dan de eerste maal. Zij begreep hoe langer hoe killer, dat Hilletje niets om haar gaf; en zij was zoo ongelukkig, dat zij voortdurend liep te strijden met haar tranen. De meisjes, aldoor aan 't gekken met elkaar, zagen het niet eens. Toen hoorde Sprotje plotseling den naam: van der Kamp.--Zij hadden 't over Hein, en Hilletje, proestend, zei iets, waarover Anna Vieredag, met een knik in haar middel, leelijk begon te lachen.

Sprotje voelde heftig haar hart hameren en het bloed naar haar hoofd jagen; een felle weerzin tegen de twee steeg haar opeens naar de keel en tegelijk een heet verdriet naar haar oogen. Zij werd als blind en doof van binnen; zij draaide zich om en liep weg. De twee meisjes, nog lachend, bleven waaierig staan, riepen haar terug. Hilletje, bang opeens, dat zij thuis klagen zou, kwam haar achterop geloopen, en naast haar, met de hand op 'r arm, praatte erg lief en overredend van "kom meid, wees nou niet zoo flauw, la' we nou prettig verder wandelen...." Doch toen Sprotje, huilend en wild nee-knikkend, doorging, liet ze haar met een duw los en schold: "akeligheid!.... 'k wil nooit meer met je uit, hoor!"

Maar Sprotje voelde nauwelijks pijn daarvan; brandend huilde ze nog even; toen liep ze, inwendig als versteend, naar huis. Sinds dien middag was haar wonde genegenheid voor het roodharige meisje plotseling saamgeronnen en verkild; en zoo, in enkele weken, verliep de eenige vriendschap, die zij in haar leven ooit gehad had, of ooit hebben zou.

Wel bleef zij lang nog in haar droomen van Hilletje vervuld, maar er was dan altijd iets, dat niet heerlijk uitliep, en dat haar wakker deed worden met een wrang en stekend gevoel in de keel, of zij bitter had moeten schreien en niet had gekund. En overdag en 's avonds ontweek zij Hilletje zooveel dat ging; zij vermeed steeds haar aan te zien of haar te betrekken in iets, wat zij zei.

En toen uit Sprotjes leven de plotselinge en zoo korte glans dier genegenheid was weggevaagd, toen zij 's morgens niet meer kon opstaan met het verlangen naar Hilletjes klare, vroolijke stem, en den dag door niet de warmte in haar hartje voelen van een vriendschap zoo nieuw voor haar, en 's avonds gaan slapen met in haar geheugen, versch, al hetgeen Hilletje dien dag tegen haar gezegd had,--toen, in de plotseling weer leege dagen, hernam haar des te heviger de angst voor de werkeloosheid, die dreigde.

Met een heimwee-vol verlangen dacht zij nog vaker nu aan haar moeder; met een vreemd, wee verlangen begon zij ook zich ongerust te maken over Hein, dien zij in geen tien dagen gezien had.

Toen de laatste October aanbrak voelde zij zich als van angst verwurgd. "Over veertien dagen!" dacht ze maar; "over veertien dagen." Zij wanhoopte iets te vinden. Er waren bijna geen diensten open, en geen voor een halfwas als zij. Bij een slagersjuffrouw ging zij zich aanbieden:--of ze wel eens meer had gediend .... ? maar ook in een drukke zaak .... ? en de slager zelf, die juist in de binnenkamer een kop koffie slurpte, vroeg met een spottenden lach, of zij er wel trek in zou hebben een vloer vol bloed aan te dweilen ....

In de Hanekamp had zij 't geprobeerd:--Ja, uit oude bekendheid .... zei men daar...., maar in een huishouden met zeven kinderen .... zij moest zelf maar eens bekennen, of zij dat aan zou durven. Zij had wel willen zeggen van ja, maar zij voelde, dat zij toch zou worden afgescheept.

Zij dacht er iederen dag aan, haar Mevrouw te smeeken nog te mogen blijven. Zij spiedde in huis en luisterde bij de deuren om gewaar te worden, of er al een ander was genomen .... Toen zij op een morgen begreep, dat haar plaats was vergeven, leek het haar, of dit nu het einde was van alles.

Over geen veertien dagen meer zou de dag komen, dat zij 's morgens niet naar den Waterveldschen weg had te gaan, dat zij met haar armen over elkaar bij Diepelink moest blijven, of op straat kon gaan zwerven; dat zij heel haar kostgeld van haar erfenis zou moeten geven .... en dan, eindelijk, als een nacht-zwarten afgrond, zag zij den dag, dat zij niets meer zou kunnen betalen .... een duister, wijd water was het, dat smorend om haar heen sloot.

Zij dacht wel vaag: haar voogd .... de oom uit het Kerspel, dien zij twee- of driemaal had gezien voor haar moeders begrafenis, maar hij was nog veel armer dan zij ooit geweest waren. Wat zou die helpen?

Haar gezicht werd zoo minnetjes, dat de oude vrouwen haar vaak met zorg aankeken, en te vragen begonnen.

"Niks .... 'k heb niks ....," zei Sprotje angstig ontwijkend. Zij was doodsbang voor dat vragen. Juist de menschen, waar ze in huis lag, mochten niets weten, juist die niet. Dat waren de menschen, waar zij geld aan zou moeten betalen, als zij geen geld meer had. Iedere maal dat zij voor haar bord middageten aanschoof, had zij 't nijpende gevoel van ze bij voorbaat al te bedriegen.

Soms bekende zij zich wel, dat zij verkeerd deed, zoo te zwijgen: de Diepelinks moesten eens diensten weten! Ze zei telkens: 'k mot 't zeggen .... Ze kon niet. Soms hoopte zij maar, dat men plotseling alles weten zou ....

Ant, sinds weken, zag zij bijna niet. Die kwam aan 't eten te laat, sloeg haastig wat naar binnen, was weer weg. Wat die toch had?

"Wat loopt Ant altijd naar de haven?" had Hilletje eens aan tafel gevraagd.

En Sprotje was gaan rekenen; veertien dagen vóór haar moeders dood was Busselaar bij hen geweest; den dag vóór de begrafenis was hij niet verschenen en de tweede week bij Diepelink evenmin. Zij waren nu bijna vijf weken in hun kosthuis,--'t was weer de tijd, dat hij met zijn "Duif" een dag voor anker kwam liggen.

Ant wachtte .... Ant, na weken van morrelende onrust, was of kwam aan de haven. Met haar domp-hartstochtelijken aard had zij zich blindweg en voorgoed als vastgezogen aan den man, die, sinds meer dan twee jaar nu al, haar in het ongewisse hield. Tijden lang, iedere veertien dagen, had hij een middag en een avond als een doodgeloopen boot in hun keuken vastgemeerd gezeten, of hij nooit weer heen zou gaan .... gevreeën eigenlijk had hij haar niet. Hij had maar koffie gedronken en van de koeken gegeten, die hij zelf meebracht; soms had hij wijdloopige verhalen gedaan. Hij had haar 'ns onder de kin gepakt of in de dij geknepen en gevraagd: "zou jij wel graag op een schip leven?" "zou jij wel een weduwnaar van over de veertig willen hebben?" "zou jij wel aan 't roer willen staan, als de knecht eens ziek was?"

Over haar antwoorden had hij lang nagedacht, doch ze niet verder besproken; hij had maar, met zijn groote, vleezige handen over zijn stoppelig schippersbaardje gewreven, of nadenkend het gouden ringetje in zijn oor betast. En bij een volgend bezoek had hij weer soortgelijke vragen gedaan.

Ant, zonder eenige zekerheid ooit, had een oer-fel gevoel van bezit over hem gekregen, en nu hij tweemaal uitbleef, was er enkel de drift in haar, hem terug te halen, hem mee te drijven naar waar zij woonde, hem aan tafel te zetten, koffie te schenken en door haar doening en blikken aan ieder te zeggen: "die man is van mij." De angst van haar dagen was, dat hij niet zou weten, waar zij gebleven waren, en in zijn vreemde lauwhartigheid zich ook geen moeite geven, dat uit te vinden. Als ze hem maar eerst zag, hem maar in 'r bereik had!

Doch toen zij na veel wachten en vragen, wanneer de "Duif" toch wel eindelijk zou binnenloopen, begreep, dat de beurt al voorbij was, of niet kwam ditmaal, toen verviel zij in een stompe verslagenheid, die dagen lang duurde.

Den vierden November was het een feest in het huis van de Diepelinks. Moeder Diepelink kwam terug uit een rijke bakerdienst, waar zij meer dan zes weken gebleven was. In den namiddag kwam zij aanzetten, een gezellige, goedlachsche vrouw, met een blozend, welgedaan gezicht binnen den blauw-blanken schulprand van haar kornet.

Zij bracht een klapmand en een korfje vol zoetigheden en vleeschwaren mee, alles presenten uit haar dienst: koeken en hoofdkaas en fijne appelen, een halve flesch pons en Utrechtsche theerandjes en twee gerookte palingen .... en zij deed de wonderbaarlijkste verhalen over het goede leven, dat zij gehad had en over de vijf en tien guldens, die haar bij 't doopmaal en de kraambezoeken waren toegestopt. Hilletje was buiten zichzelf van plezier. Haar moeder weer thuis en een tafel vol om van te smullen! Wat een lol!

Zij kreeg direct uit den vollen buidel een kwartje cadeau, wat de twee oude vrouwen afkeurend de hoofden deed schudden--dadelijk weer verwennen! dadelijk weer geld voor snoepgoed!--doch het verstoorde de feestvreugde niet. Zelfs Ant werd aangestoken door al die lustigheid, praatte luid en liet zich door het meisje de kamer rondtollen.

Sprotje haatte op dat oogenblik Hilletjes uitgelaten stem! Met een ziekbleek gezicht en een hart vol warsheid van die pret zag zij toe. Den vierden November! Begreep dan niemand, hoe ellendig zij eraan toe was? Zag Ant dan niets? Zag tante Bartje dan niets? Zelfs Hein liet haar in den steek, dacht zij smartelijk .... niemand, die zich ook maar iets om haar bekommerde!

Met een verbeten mond en oogen, die telkens vol tranen schoten, zat zij boven haar avondbrood.

Ze waren bij Diepelink aan haar vreemde buien wel gewend. "Niks .... 't is niks ....," lei de grootmoeder stil aan moeder Diepelink uit, "ze is nou wat verlegen, .... nou der weer een vreemde bij is ...., dat trekt morgen wel over ...." En zoo, zonder booswil, lieten ze haar, daar aan 't eind van de tafel, met haar bittere gedachten alleen.