Part 2
Ant, met een ruk, stond op van haar stoel, draaide de lamp hooger, die gezakt was, ging dralende weer zitten.
"De arme stakkerd", zei ze.
"Ja", kwam Sprotje zacht; zij werd op eenmaal heel lauw en dacht aan haar moeder; haar wrange keel wrong omhoog en tranen drongen in haar oogen; even huilde zij en trachtte te bidden, maar haar leege bidden werd verschroeid door haar warrig heete gedachten.
"Kom meid", hoorde ze Ant zeggen, die de hand op 'r schouder lei. De oogen vol tranen, haar denken dood-gebrand, staarde Sprotje wezenloos voor zich uit, liet zich door die warmte opbeuren.
Zij zag vlekkerig rood, en rechtte haar pijnlijken rug.
Ant, de ellebogen op tafel, de kin in de handpalmen, staarde blind in de lampevlam.
Zoo zaten zij een langen tijd.
Zij verlangden beiden naar bed; zij gingen niet; er was iets stuk diep in hun hoofden, er stak iets, er schrijnde iets en zij talmden bij elkaar in den schijn van het lamplicht, dat nog troostte.
Dan begonnen zij, dof en nuchter van afgematheid, nog eenmaal over ieders aandeel in de meubelstukken.--De latafel en het potkacheltje, dat ging niet gelijk-op, vond Sprotje, die slapjes weer kwam bijgeleefd.--Maar ze nam haar eigen bed ook mee, zei Ant;.... als Merie dat van Sien wou?
--.... Nee.... zei Sprotje, rillerig.... in een betrekking kon je daar toch niet mee ankomme.
Maar dan herinnerde zij zich plotseling de vriesnachten, op haar veldbedje onder het dak, bij juffrouw Jonkers.
--Eén wollen deken kon je misschien in je kastje wel meebrengen, aarzelde ze.... voor as je eens kouwelijker was, dan de menschen dachten....
Plots schrokken zij beiden; een felle fluitstoot, als een schrei, kwam over het land gekreschen. Ant zag, hoe Sprotje schril wegtrok om den neus.
"'t Is de trein van tienen", zei ze, "we motte naar bed".
Maar geen van beiden roerde zich om op te staan. Uit den Hanekamp klonk nog een laatste getikkel der biljardballen; gelach en stemmen-lawaai van menschen die uiteengaan, galmde over en zweeg. Een nieuwe stilte viel er over 't land.
"We motte Sien een gedachtenis geven", zei Sprotje opeens met een vreemd wakker hoofd.
En zij keek onbestemd rond naar wat daartoe dienst kon doen.
Doch Ant zei bitter:
"As ze niet zoo'n verdriet van Sien had gehad, zou ze der zoo gauw niet uit zijn geweest.... ze het na de bruiloft geen gezond oogenblik meer gehad.... En nou weer zóó bij moeder te komme.... daar zal de ziel ook nog wel...."
Sprotje dacht aan het afscheid, dien middag in het ziekenhuis; ze zag weer het uitgeleefde, trouwe gezicht; ze hoorde die zwakke stem vol sterke liefde: "een gelukkige verlossing, kind, en een gelukkig leven verder...."
"Moeder was toch...." wou ze beverig gaan zeggen, maar door het geluid van haar eigen woorden brak ze plotseling in een zenuwachtig snikken uit.
Om half elf zaten ze nog op. Ant stelde voor, samen in de bedstee te slapen, die nu al twee maanden ongebruikt was geweest, doch dat deden zij niet.
't Was over elven, eer zij dicht achter elkaar aan, met het olielampje, de ladder opklommen naar hun slaapplaatsen op zolder.
De eerste dagen der volgende week raakte Ant met een kosthuis klaar. 't Was bij Diepelink dat ze kwamen. Zijzelf moest twee-vijftig kostgeld geven en tien stuivers kamerhuur, en omdat zij een stel eigen bedgoed meebrachten, kon Marie voor niets de kamer deelen. Marie had alleen middageten noodig, kreeg boterhammen in 'r dienst, Marie namen ze voor vierentwintig stuivers in de week erbij.... 't Was een prikje, dat moest Ant toegeven.... Maar met een bekommerd hart kwam zij dien avond Sprotje den uitslag vertellen.
Sprotje, die in 't vage al zooveel getobd had, schrok toch nog heftig voor de daadwerkelijkheid van het bedrag. Zij verdiende tachtig centen in de week. Acht stuivers te kort. En 'r kleeren! En de ziekenbus, waarvoor zij zelf nu zorgen moest!
"'k Zal je wel helpen, as 't mot," zei Ant aarzelend. Sprotje knikte flauw door haar tranen heen. Ant was op den penning geworden sinds haar verkeering met Busselaar, dat wist ze wel; en voor háár zou 't leven ook duurder zijn dan hier aan het Dijkje.
"En de erfenis," troostte Ant weer.
Sprotje knikte nog eens, overtuigder: "Ja, de erfenis ...."
Vierentwintig gulden, in een ronde som, had de uitdrager voor hun boedeltje beloofd. Van haar aandeel, rekende Sprotje uit, kon ze een half jaar het ontbrekende bijpassen.... Maar dan was het ook op .... En dan?.... Als ze voor dien tijd eens geen vollen dienst vond!.... Met wondende stooten herinnerde zij zich al haar vergeefsche tochten, een anderhalf jaar geleden, de afschuwelijke en vernederende tochten, als zij met haar doodmoede lichaam telkens weer andere, vreemde gangen door en trappen opsleepte, en na vijf minuten, die haar toch een eeuwigheid schenen, alweer buiten stond, met alwéér in haar ooren de onverschillige terugwijzing of het geveinsd-vriendelijke afschepen van wel-nader-laten-hooren, dat haar nog smadelijker leek.
Dagen lang, onder haar werken, onder het gaan naar haar dienst, onder het gaan weer naar huis, en de avonden, en de nachten, als zij den slaap maar niet vatten kon, maalde zij over die acht stuivers tekort en over de twaalf gulden van de erfenis, die zij, acht stuivers bij acht stuivers, zou moeten uitgeven, zonder dat één stuiver ooit waarlijk van haar was geweest.
En onder dien angst en dat tergende tellen, begon, knagender met den dag, het verdriet in haar op te komen over den dood van haar moeder .... Als zij 't haar moeder nog maar eens vragen kon .... zij overzag nu zoo goed, hoe die eerst onvrindelijk zou zijn en smalen op haar stumperigheid, en dan toch helpen op het eind.
Soms dacht zij ook: Waarom was zij, met haar zwakke lichaam, maar niet liever dood gegaan, in plaats van haar moeder, die altijd een flink mensch was geweest!
Op het eind van de week, ziek van al het tobben, vroeg ze een onderhoud met haar Mevrouw.
--Het was goed .... om vier uur kon ze op het balcon komen ....
Sprotje had plots een brandende spijt van maar niet dadelijk, op den man af, te hebben gevraagd wat ze vragen wou,--nu liep zij nog den ganschen dag met haar nieuwen angst rond. Maar zij dorst al sinds lang zoo brutaal niet meer te zijn, als ze wel geweest was; de laatste maanden hadden haar murw gemaakt ....
Om lang over vieren tikte zij.
"Binnen," riep Mevrouw ongeduldig.
Die zat in een roodgeverfden, rieten stoel aan het balconhek. Haar bolle, witte kuif stond gedegen boven haar sterke, donkere gezicht; alleen de ontevreden-klaaglijke mondhoeken zeiden iets van zich ongezond voelen of niet lekker zijn.... Sprotje meende vaak gemerkt te hebben, den laatsten tijd, dat Mevrouw zich verbeeldde aan dezelfde kwaal te lijden als haar moeder ....
Naast haar stond de juffrouw, kleiner en smal en bleek, en als altijd in een groengrijzige tint van kleeren, die haar nog bleeker maakte. Boven haar betrokken gezicht met de fletse oogen en de wijde neusgaten viel het zwarte haar zwaar uiteen en van achter was het strak opgekamd van den gelig uitgeholden nek. Voor de juffrouw was Sprotje nog banger dan voor Mevrouw. Zij had er niet op gerekend, dat die thuis zou zijn. In een nieuwe bedremmeldheid bleef zij staan.
"Nou, Marie ...." zei Mevrouw. En toen Sprotje nog zweeg: "Je wou toch niet komen vragen, hoop ik, of je nou voor dag en nacht zou kunnen dienen? Ik begrijp wel, bij je thuis zal er veel veranderen...."
En dan plotseling heftig-afwerend, alsof men haar beleedigd had: "Daar kan niets van inkomen .... ik hou van mijn vrijheid 's avonds .... 'k heb ook geen ruimte ...."
"Het leege kamertje boven heb ik noodig voor mijn boeken," zei de juffrouw minzaam uit de hoogte.
"'k Wou vragen, Mevrouw," zei Sprotje met een ijle, trillende stem, "of U mij niet als vroeger op achttien stuivers in de week kon brengen."
Mevrouw keek verbaasd, dan gebelgd, dan spottend.
"Je werkt minder dan vroeger," zei ze .... "al sinds een week ligt er verstelgoed te wachten in de keuken .... je zou de fijne servetten uitwasschen .... die hangen nog vuil boven ...."
Maar de juffrouw, met een onverschillig gezicht, had iets gemompeld van: och .... enfin .... Marie was al zoo lang bij hen ....
"'k Heb je zóóveel faciliteiten gegeven in de laatste maanden," morde Mevrouw nog hoogmoedig tegen; "telkens een kwartier vroeger weg, tweemaal een Zondagmiddag vrij, verleden week een heelen dag ...."
"Waarom wou je eigenlijk opslag hebben?" vroeg zij dan argwanend.
"'k Mot een kosthuis nemen .... ze vragen een-twintig in de week ....dat kan 'k niet betalen," zei Sprotje gewurgd.
De gezichten van moeder en dochter, plots, hadden een spitsing van aandacht, een uitdrukking van misnoegen daarna ....
"Als je vierentwintig stuiver moet betalen en je verdient er hier achttien, dan kom je er toch nog zes te kort .... hoe wou je daarmee?" vroeg Mevrouw onaangenaam.
Sprotje stamelde iets van: de meubels .... de erfenis .... Ze zei het zoo verward, dat zij voelde niet geloofd te worden.
Mevrouw en de juffrouw hadden elkaar aangekeken; in hun blikken was een wisseling van raadvraging en waarschuwenden drang. Sprotje kreeg een hooge kleur; haar handpalmen werden koud en nat; zij had zooveel van achterdocht in dezen dienst geleerd .... zij wist, dat men dacht: zes stuivers iedere week te kort,--die zal ook haar slag slaan als ze kan!
Sprotje had het laatste jaar geen cent oneerlijk meer genomen, maar met een duizelige schaamte herinnerde zij zich plots hare kleine bedriegerijen van den winter daarvoor .... Zij voelde zich daar staan, alsof al haar gedachten en al haar daden zóó naakt aan het licht waren.
En alweer praatte, met een scherpte, die sneed door haar hersens, de stem van Mevrouw:
"Stel, dat ik je op achttien stuivers bracht .... hooger gaan doe ik in geen geval.... dan zou jij toch nog niet geholpen zijn ...."
Er was een oogenblik van moeilijke stilte.
"Nee ....," stootte Sprotje heesch uit.
"Enfin ....," besloot ongedurig Mevrouw Verscheer, "'t is nog zoo kort geleden met je moeder, hè ....? we zullen nog eens zien .... ik zal nog eens zien .... 'k zal er over denken."
Maar de juffrouw had kribbig met de schouders geschokt, knikte dan verholen-dringend van nee.
Mevrouw zag haar vragend aan, even nog besluiteloos.
En plotseling, onwillig, zei ze:
"Ja, eigenlijk wil ik ook liever geen dienstmeisje houden, dat niet het noodige bij mij verdienen kan .... Ik wil je niet haasten, maar als het staat zooals je zegt, moet je toch liever naar iets anders uitzien. Laten wij 't op half November houden .... met de zes weken ...."
Toen, op haar lijfspreukelijken toon, begon zij nog een klein relaas over het voordeel van een vollen dienst voor grootere meisjes: meer gevoel van verantwoordelijkheid, meer opgaan in het werk .... meer gehechtheid en trouw aan de meesters .... Sprotje knikte star; een jachtige bleekheid trok haar gezichtje saam, en haastig ging zij heen.
Den Zondag daarop, 's middags na vieren--wat met hun werk het beste uitkwam--waren Sprotje en Ant verhuisd naar hun zolder-achterkamer aan de Vliet, bij Diepelink. Het was een laag en niet ruim, maar proper vertrek. Aan den eenen zijwand lag het meegebrachte kermisbed gespreid, aan den anderen kant van het kapvenster stond het geel houten ledikant, dat voor Ant was bestemd, en waarin Sprotje slapen zou.
"'k Hou m'n eigen spullen," had Ant beslist.
Er stonden verder alleen maar een tafeltje met waschgerei en twee stoelen en een oude kist; doch aan den kaligen achtermuur pronkte, mooi glimmend in zijn donkerbruin hout, met de koperen sleutelgaten en trekkers, Sprotjes ladekast. De potkachel van Ant, zijn twee korte pijpstompjes in elkaar gestoken er boven op, school met hun oude strijkplank in den hoek.
Onwennig naast elkaar op den rand van het ledikant, zaten de twee. Ze keken elkaar aan met oogen, die vroegen, wat ze toch begonnen waren, en hoe zij het leven hier uit zouden houden, hier in dit vreemde vertrek, waar wat dingen waren zonder verband, en waar zij zitten konden op die twee stoelen, maar niet aan een tafel.
Onder het raam, als de have van landverhuizers, bolden de twee rood-bonte kussentijken, waarin zij hun kleeren hadden meegebracht.
Werktuigelijk ging Sprotje háár zak losbinden, haalde een paar stukken er uit, borg die in een schuif van de ladetafel.
Ant zei: "Hadden we de keukenlamp maar gehouden."
Zij stond op, verschikte de pijp-eindjes op het kacheldeksel, keek er na, hoe die aan één kant gedeukt waren bij het overbrengen.
Voor de uitgetrokken lade op haar knieën liggend, was Sprotje heimelijk te huilen aangevangen. De dompe angst, die haar bezat sinds het onderhoud met haar Mevrouw, die werd in dit trieste uur verdoofd door de nog nijpender pijn van haar verlangen naar hun huisje, dat zij daareven verlaten hadden. Er was een knagend heimwee in haar hart naar hun stille, donkere keuken, naar het plaatsje, waar je zoo wijd over de weilanden zag, naar het plekje bij het voorkamer-raam met den leunstoel, die nu verkocht was, en de zeildoektafel ook .... De strijkplank, met vervuilde lappen erom, stond daar in den hoek, verlaten, zonder zin .... nooit meer zou haar moeder, bedrijvig tusschen het versche strijkgoed, er achter staan .... haar moeder, haar moéder, die zij zoo weinig gemist had, toen ze ziek werd, die ze vroeger zoo weinig had lief gehad! Nu herinnerde zij zich, als gloed-doorschenen droomen, de middagen, dat zij samen thuis waren, en, het werk gedaan, vóór in den schemer te praten zaten, of achter, in den rooden schijn van het stervend kolenvuur .... zij zag de verweerde hand, die haar het kommetje overreikte, zij zag de gebogen gestalte, zooals die, de armen gesteund op de knieën, dan zelve boven haar dampende koffie zat.. zij zag de stille bruine oogen, die tuurden.. En dat dit nu nooit meer terug kon komen, en dat die keuken niet meer bestond, dat daar aan het Dijkje nu een paar kale hokjes waren met niets van haar moeder meer erin .... En nu was zij hier in deze vreemde kamer, met Ant .... Ant bleef het eenige, dat haar eigen was, maar 't leek haar of die hier dezelfde Ant niet meer was, of Ant plots veel losser van haar was geworden, dan vroeger. Haar moeder, die was de band tusschen hen geweest, die was ook het vaste àchter haar geweest, dat haar dekte tegen de menschen, en nu stonden zij ieder alleen, Ant alleen, en zij alleen, en aan elkaar zouden zij maar zoo luttel steun hebben, en tegen de wereld had zij geen beschutting meer.
De heete, wreede tranen al bitterder te borrelen aanvingen. Toen Sprotje plots voelde, dat achter haar Ant ook op het punt stond te gaan huilen, droogde zij schielijk haar oogen, kwam beschaamd overeind en ging voor het raam naar buiten kijken. Zij merkte nauwlijks wat zij zag.
Als zij wat later naar haar zuster dorst omzien, zat die in een botte bedruktheid, als een hond, die zich op een vreemd erf weet ingesloten en geen uitweg meer ziet.
Geen van beiden dachten zij eraan, eenige eigen schikking te maken in de ruimte, die nu voor een maand althans de hunne was. Eindelijk ging Ant haar kleeren bergen in de kist; Sprotje hurkte weer voor haar ladekast.
En plotseling luidde er, kordaat, een tikje tegen de kamerdeur. Sprotje schrok op, ging kijken. In het zolder-portaaltje stond een jong meisje, zoo groot als Sprotje zelf; het was een meisje met een aardig, blozend gezicht en krullend, roodblond haar; zij had groote, vrijmoedige blauwe oogen en zij keek daar Sprotje zoo goedwillig mee aan, dat het die plotseling heel wonderlijk te moede werd.
Het meisje zei:
"De boterhammen zijn nog niet klaar, maar de kommesale kenne bij ons altijd benêe komme, as ze der plezier in hebbe...."
Sprotje keek verrast. Zij kende nog niemand uit het huishouden, en over dit meisje had Ant haar nauwelijks gesproken. Wat die een lieve stem had! en wat een vriendelijke oogen!--
--Dus ze gingen met haar mee .... ?--vroeg het meisje nog eens.
Sprotje knikte van ja, keek dan Ant aan. Ant stond op. Gedwee volgden zij beiden het montere meisje naar beneden.
Zij moesten omzichtig loopen langs de vreemde trap, die middenin een scheeve kromming maakte, waarbij men de voeten niet dan dwars kon zetten op de smalle treden.
Het meisje, dat in een ommezien onder was, zei:
"O! de trap zal wel wenne ...."
"En wij ook ....!" lachte zij.
Het was Sprotje op eenmaal of, bij dat heldere lachen, haar eigen ellende lichter werd en zachtjes afliet van haar hart.
Bijna welgemoed kwam ze de keuken binnen.
Daar, in den al schemerigen avondstond, zaten twee oude vrouwen weerszij de tafel. Dat waren de grootmoeder en tante Bartje.
Sprotje keek gespannen-nieuwsgierig. Zij had bloo goeden dag geknikt en niets gezegd.
De twee oude vrouwen, de grootmoeder met haar blanke kornet op, breed en weldoorvoed en rustig van gebaren, maar met rappe, gewikste bakers-oogjes, en tante Bartje, mager, slokjes, druk, en kippig knipperend, omdat zij zich half blind keek op het fijne naaiwerk, dat zij nog dagelijks afleverde,--de twee oude vrouwen, ieder in een laaggerugden boerenarmstoel, dien de grootmoeder heelemaal vulde, en tante Bartje maar half, waren stilbedrijvig in de weer voor het avondmaal.
Tante Bartje sneed de boterhammen tegen een doek op haar buik, en de grootmoeder smeerde.
Het meisje met het roode krulhaar, dat Hilletje bleek te heeten, zorgde voor de koffie.
Moeder Diepelink zelf was er op uit.
Sprotje voelde, dat zij keek, maar zij kon het niet laten. Zij vond die twee oude vrouwen zoo eerbiedwaardig en zoo vertrouwd; zij had dadelijk begrepen, wie van de twee de baker was; die vond zij de deftigste. Maar tante Bartje leek haar liever, en het liefste vond zij Hilletje, die maar stil liep te zingen en een gezicht trok of ze altoos plezier in 'r leven had.
Het was een huishouden van drie vrouwen, dat van de Diepelinks: de grootmoeder, de moeder en het dochtertje. De grootmoeder hád gebakerd, de moeder bakerde nog; de oude en de jonge vrouw Diepelink heetten ze in de bakerdiensten, al was de jonge zoo jong niet meer, een goede vijftig, en sinds jaren reeds weduwe zelf. En als moeder Diepelink aan het bakeren was, kwam grootmoeder Diepelink's zuster, die op een hofje woonde, zoolang tot hulp in huis; de grootmoeder was wat zwaar ter been geworden, bukken of tillen, dat ging zoo niet meer .... en Hilletje was den dag door op de kleermakerij van Werst.
-- Wat was het hier gezellig in die keuken, dacht Sprotje, en wat rook de koffie, die zij zetten, lekker.
Ze was blij, dat zij in dit huis terecht waren gekomen. Toch dorst zij nog bijna niets te zeggen.
Ant, met haar wat stugge vrijpostigheid, had zich dadelijk, zonder veel praatjes, op haar gemak gezet, zei eens wat, of zweeg, en deed of ze al heelemaal thuis was. De twee oude vrouwen gedroegen zich ook kalm-bekend tegen háár; zij waren vriendelijk; zij vonden het blijkbaar een geschikte kostgangster.
Maar Sprotje kende niemand. Sprotje, met haar bleeke en schuw-glurende gezicht, werd terdege opgenomen, en men had kennelijk met haar vrij wat minder op dan met Ant.
Toen zij, tegen het eind van het boterham-eten, met haar ouwelijke wijsneuzigheid, en nuffiger sprekend dan ze anders deed, omdat ze zoo verlegen was, vroeg: hoeveel jaar de grootmoeder wel gebakerd had,--antwoordde die als terloops en snibbig: "zeker meer jaren dan jij er oud ben."
Dat bracht Sprotje nog meer van haar stuk.
Een tijdje later bleek uit de gesprekken, dat tante Bartje, op haar hofje, nog altijd den naam had, het fijnste klein-kindergoed van de heele stad te naaien. Toen voelde zij op eenmaal een groote vereering voor tante Bartje. Zij had graag meer willen vragen, maar dorst toch niet, en zij deed maar haar best in het algemeen gepraat kleine, belangstellende dingen mee te zeggen, die echter niemand oplette.
Toch vond Sprotje het zoo samen zitten in de schemerige keuken, en later bij de groote, heldere petroleumlamp, eer prettig dan naar, en zonder de zwarte zorgen over het geld en over een dienst, zou zij zich al heel wat getroost hebben gevoeld. Het heerlijkst vond ze, dat, een enkele maal, Hilletje afzonderlijk iets tot haar zei. Dan kleurde ze, lachte, en zocht gauw iets even vriendelijks om terug te kunnen zeggen.
Maar tegen het eind van den avond ontstond er plots een klein geschil, dat vele dagen daarna nog herhaaldelijk een aanleiding tot stekeligheid zou blijven aan de maaltijden: de oude vrouwen waren niet tevreden met de verdeeling der twee slaapgelegenheden tusschen Ant en Marie.
--De oudste zuster hoorde in het ledikant te liggen, en de jongste op den grond, niet andersom ....
't Was de baker vooral, die haar meening zei met een onverholen afkeuring voor de aanmatiging van Marie en de toegefelijkheid van Ant.
--Wie betaalde de kamerhuur? en wie bracht beddegoed mee? De oudste toch? Gaf dat dan de jongste recht om het beste te nemen?
--Ja, dat vond tante Bartje ook.
--In háár tijd zou dat anders geweest zijn, begon de grootmoeder opnieuw, .... dan hield zij zich in, bedacht dat zij tegen een meisje sprak, dat nog zoo pas haar moeder verloren had ....
Maar die bangschieterige wijsneuzigheid kon ze anders niet luchten, en haar kribbigheid werd weer sterker dan haar goede wil.
Sprotje moest al 'r best doen om haar tranen in te houden.
"Kom ...." zei Ant, "'k slaap goed zooals ik slaap .... 'k heb m'n heele leven geen ledikant gehad...."
Maar Sprotje werd tot de bekentenis gebracht, dat zij thuis ook op den grond lag .... Met een vernederende manier om over de schuldig bevondene heen te praten, doorplozen de grootmoeder en tante Bartje, spaarzaam van woorden, maar met veelbeteekenende gezichten, het geval,--tot Hilletje op eens, rood-boos wordend, kattig uitviel:
"Da' ledekant zou ommers toch te klein zijn voor een groote as Ant .... Merie ken der maar net in ...."
Toen Sprotje zich zoo verdedigd voelde, had zij nog meer moeite, haar tranen te bedwingen, maar zij was Hilletje toch heel dankbaar, al begreep zij niet, waarom die zoo haar partij koos.
Boven, alleen met Ant, stelde zij voor nog van slaapplaats te verwisselen. Maar Ant deed onverschillig:--ze had het al gezegd .... zij lei waar ze lei .... en ze had maling aan die oude wijven ....
--Gek! .... hoe kwam het toch, dacht Sprotje, dat Ant tegenwoordig zoo vaak praten kon, als Sien vroeger deed?
Zij vond het liggen op de gladde matras, tusschen de keurige geelhouten beschotjes zoo heerlijk, dat ze de volgende dagen niet meer repte van veranderen. En dank zij die voor haar ongewoon goede ligging, sliep zij nu veel rustiger en lieten haar 's nachts ten minste de zorgen respijt. Driemaal droomde zij van Hilletje. Eens droomde zij ook van Juffrouw Jonkers. Maar in haar droom, zooals dat gaat, had zij Hilletje en Juffrouw Jonkers verward; zij zat met de eene in de keuken van Diepelink en het bleek de andere te zijn. Dat was een vreemde ervaring, toen zij wakker werd, en zij moest er dien dag telkens over denken.
Zij moest hoe langer hoe váker aan Hilletje denken, als zij niet bij haar was; en het maakte haar iedere maal gelukkiger, wanneer, tegen een bedekte bemerking der oude vrouwen in, de dan plotseling bits-bijdehande stem van het roodharige meisje tot haar verdediging uitviel.
Sprotje begreep toen al wel, dat het kittige Hilletje haar grootmoeder en oudtante niet zoo bijster goed gezind was, en het plezieriger vond als haar meer gulhartige en pretmakende moeder het huishouden deed,--doch haar dankbaarheid was daar niets minder om. Zij bezon zich ook verscheidene malen, of zij aan Hilletje niet haar nood zou klagen, vragen of die geen dienst voor haar wist .... maar dan leek het haar plots of juist Hilletje de laatste was, bij wie ze met die zwarigheden moest aankomen, en zij kropte al de angsten op in haar hart.