Part 1
Nederlandsche Bibliotheek Onder leiding van L Simons
SPROTJE'S VERDER LEVEN
Vervolg op "Sprotje heeft een dienst,"
Door M. SCHARTEN-ANTINK
Uitgegeven door de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur-Amsterdam
I.
De klok in het voorgevel-fronton van het Armen-ziekenhuis had juist twee uur geslagen: de tijd, dat dien dag de bezoekers werden toegelaten.
Stil, met haar lange, lijdzame gezicht zijwaarts in de kussens, lag vrouw Plas, en wachtte.
Het was bijna vier weken geleden, dat zij, na veel zwijgend verduurde pijnen bedlegerig geworden, en eindelijk zelfs geen voedsel meer tot zich kunnende nemen, naar hier werd overgebracht; 't was maagkanker, had ze de dokters hooren zeggen; zij wist, dat ze het niet lang meer maken zou, en zij wachtte nu Sien, die met den middagtrein van drieën voor haar uit Amersfoort zou overkomen.
Ant, trouw drie maal in de week, als het bezoekuur vroeg was gesteld en in haar schafttijd viel, zat dat schaftuur uit aan haar bed; Merie mocht Dinsdags en Vrijdags een kwartier vroeger uit haar dienst gaan, en ook zij mankeerde nooit. Eens had zij zelfs den Zondagmiddag vrijaf weten te krijgen. O! zij waren hartelijk te over voor haar, en het was een vreugde, iedere maal, dat zij ze weer komen zag.
En toch, in het voorgevoel nu van den dood, die zoo nabij was, ging haar grootste liefde niet uit naar die twee, maar naar de andere dochter, naar Sien--Sien, die eens zonder een goedendag bijna bij haar uit huis was getrokken, die op den avond van haar trouwen zelfs in onmin scheiden kon, en die zij eenmaal slechts terug zag nadien: het korte, koele bezoek tot afscheid, twee maanden later, toen plotseling het jonge huishouden de stad verliet.
Ant was zoo oppassend en zoo zorgzaam, en Merie, bij haar zwakke gezondheid, deed ook zoo braaf haar best in haar moeilijken dienst; als in een verklaardheid, thans bij 't einde van haar leven, voelde zij dat zooveel duidelijker en afzonderlijker dan vroeger, en zij was er zoo dankbaar voor;--maar in de lange, vaag-wakkere nachten zag zij Siens appel-frissche gezicht en zij hoorde de dartele, eigenzinnige stem, die nooit veel liefs tegen haar gezegd had, en die haar toch zoo lief was. Een kwellend verlangen was dan in haar hart, juist naar de dochter, die haar het minst meer noodig had, en die haar het minst ook missen zou.... Hoe dat zoo wezen kon?
Moeilijk verlegde de zieke het hoofd in de kussens; haar pluizig, zwart haar, in enkele maanden grauw geworden aan de slapen, ging ver schuil in de strakke, witte ziekenhuis-muts en dat gespannen, zuivere wit stond schril rond haar ingevallen, hoorn-gele gezicht, waarop, als een schimmig weggewischte teekening, de nu bleek-purperen ader-koonen voozig verglommen onder de diepgegroefde oogkassen; en de lange, vale zijstukken der wangen hadden vreemde schaduwen, alsof reeds de dood daar langs gestreken kwam. Doch haar eigenlijke gezicht, haar donkere oogen en haar verweerde mond, zij waren, nu voor een oogenblik de pijnen uitgestorven schenen, van een rust, die noch het wachten, noch het verlangen te onteffenen vermochten.
Er lagen slechts weinig zieken in de zaal, dien tijd. Twee plaatsen weerszij van haar waren onbezet; verderop, in het donkerder gedeelte, gonsde een veelstemmig gepraat om het bed van een jonge vrouw, die ongesteund rechtop zat midden in haar ledikant. Nog meerdere bezoekers kwamen door de groote middendeur binnen en gingen allen naar dien hoek.
Vrouw Plas, moeizaam, verlegde opnieuw het hoofd in de kussens, zag naar de andere zijde der zaal, waar de bedden alle stil waren of iedereen sliep; rond het laatste hingen de witte gordijnen dichtgesloten.
Een zuster, klein en donker, kwam door de lage zijdeur, in het zaalverschiet, binnen; geluidloos schreed ze langs de voeteneinden der lange rij ijzeren ledikanten en bij elk der drie hooge nis-vensters gleed schuin een vleug van gouden Septemberzon over haar blauwe sergen kap.
Toen zij dicht bij het bed van vrouw Plas was gekomen, klaagde die flauwtjes over het helle licht, dat haar oogen zoo vermoeide. Zonder gerucht liet de zuster het rieten rolgordijn zakken en ging verder.
"Wel bedankt," mompelde de zieke nog. Dan, in den vredigen schemer, zakten de ijle, blauwig-doorschenen oogleden zachtjes neer over de weg-deinende, donkere bollen, en haar gedachten, zonder ontroering of beklag, vlotten weg langs de weinige wegen van haar afgelegde leven.
Zij zag zich, kind uit een groot steenbakkersgezin, iederen morgen met hen allen trekken naar de steenbakkerij aan de rivier, waar zij in guurte en in regen en in brandende zon de steenen droeg van de droogschuren naar den oven en van den oven naar de schuit .... Zij zag zich, vele jaren later, getrouwd met Plas, een vrouw van welstand opeens voor haar doen, maar altijd druk in de weer toch, omdat het werken haar in het bloed zat. Dan de geboorten der twee kinderen, en, na zeven jaren, plotseling het ongeluk. En toen, de jaren door, zij optornend voor 't gezin, en daartusschen, ongewenscht, als een overmaat van zorg, de geboorte van 't derde kind, van Merietje .... Zij dacht aan haar drie groote dochters nu, aan Sien .. Sien, die straks komen zou .... Even toefde ook haar denken bij de twisterige bruiloft, waarvan de herinnering haar zoolang een onverteerbaar brok was geweest; zij dacht nu daaraan zoo onbewogen en ver af, met een vage verwondering alleen, en zij wist, dat alles in haar hart vergeven was en dat er geen veete meer bestond.
Toen zij de oogen opsloeg, wachtte bij de groote middendeur de zuster, die aan Sien wees, welken kant zij op moest gaan.
Een blijdschap en een schrik tegelijk flitsten door de zieke heen; 't was of haar gespannen oogen de jonge vrouw wel naar zich toe wilden trekken, zooals die, mooi gekleed, maar loom en zwaar, dan langzaam naderde.
"Dag Sien," groette de moeder het eerst.
"Dag moeder," zei Sien; het klonk luid en wel hartelijk, maar haar oogen zagen ontwijkend ter zijde.
En toen zij op den kleinen stoel, die naast het bed stond, zitten ging, en wat bezwaarlijk tegen de achter-overe leuning aanzeeg, spalkte plotseling de ruime, zwart-stoffen mantel open en haar breed welvend lichaam van ver-zwangere vrouw kwam onverholen aan het licht. Een pakje, dat zij bij zich had, lei ze naast zich op het beddetafeltje neer.
De zieke kleurde branderig over de vaal-bleeke verslondenheid van haar gezicht heen.
"Hoeveel maanden al?" vroeg ze dringend.
"'k Loop op 't laatst," zei Sien verward, als overrompeld; .... "Acht maanden."
Zij waren nog geen half jaar getrouwd.
De vrouw in het bed sloot de oogen; er kwam een beving om den weggeslonken mond, en, als voor zichzelf alleen, zoo zacht, zei ze:
"Dat had niet magge wezen."
Maar na een oogenblik keek zij weer op; zij zag, onder het kleurige van den gelen kapothoed en zijn roode rozen, het vreemd geworden gezicht met de bruinige vlekken aan de slapen, dat gezicht van reeds moeizaam moederschap, en waarop de smarten der geboorte als aangekondigd stonden; zij zag de vermagerde, aderige hand, die krampachtig in de zijde neep, als om een hinder daar te overwinnen.
Een stil oogenspel, even, was er tusschen hen beiden. De moeder zag ook, hoe het felle, uitdagende blauw van vroeger als donkerder was geworden, dieper en inniger, en vol rust, die naar binnen leefde.
"'k Wou toch nog even komme, om je te zien," zei de dochter.
De vrouw in het bed knikte.
En dan, half onverschillig, half vertrouwelijk, begon Sien te vertellen:
"Hij wou me eerst niet laten gaan .... hij is bang voor wat z'n familie zal zeggen .... maar dat 's onzin natuurlijk .... as 't kind er is weten ze 't toch .... en mijn ook een zorg of ze wat zeggen ...."
De zieke knikte nog eens; maar 't was of zij meer beâamde een eigen gedachte, dan de woorden, die zij hoorde. Er was een groote goedheid over haar gelaat en met de zorg van oud moederdier voor het jonge, vroeg ze:
"Jij draagt zwaar .... net as ik in mijn tijd .... maar jij ben ook gezond, hè?"
"O! gezond!...." zei Sien, "da's puik!.... maar 'k heb veel lasten."
"En is 't ie goed voor je?" vroeg de moeder. Zij vroeg het onbevangen, of nooit het vertrouwen van moeder en kind tusschen hen verstoord was geweest, en Sien antwoordde, argloos ook:
"Hij het z'n gebreken, hè?.... maar anders zoo goed as de beste .... 'k heb geen klagen .... en achttien gulden in de week vast ...."
"Ik zal 't nie meer beleven," zei de zieke, met een plotselinge zwenking der gedachten, en voor het eerst kwam er iets van verlangen en nog hangen aan het leven in haar gelaat.
Sien was opgeschrikt. "Wat zeit de dokter?" vroeg ze haastig. "Hei je veel pijn?"
"Ze hebben 't je geschreven.... 't begin van het eind," zei de zieke; en verder praatte zij niet over zichzelf.
Toen gaf zij nog, met dezelfde goedheid van oud, uitgeleefd moederdier over haar zwakke gezicht, al wat zij wist aan raad voor de aanstaande bevalling.
Een lange wijl zaten zij zonder spreken.
Dan, om wat te zeggen, vroeg Sien naar haar zusters: .... was Merie wel gezond?.... vree Ant nog met Busselaar?
"Vrijen en niet vrijen.... zoo'n gangetje, hé?" zei de moeder met een vagen glimlach, waarin nog iets van haar vroegeren, goelijken spot kwam doorschijnen.
Siens uitzicht trok gaandeweg al meer vervallen en overmoe; de bruinige schaduwen aan de slapen en bij den mond vertoonden zich sterker nu haar kleur was gezakt; er kwam een schril licht in haar oogen en een onnoozele trek om den even open mond.
"Je kon het toch nog wel doen, die reis?" vroeg de moeder met vrees.
Sien gebaarde iets van:--nou nog mooier! Dan zei ze plotseling:
"'t Zal zeker een jongen zijn."
Een lach brak door op 't gezicht van de zieke vrouw.
"Dat dacht ik ook altijd," zei ze, "de beide keeren.. Maar met Merie niet meer.... die hield zich altijd koest, net als later."
Ze zagen elkaar aan, de oude en de aanstaande moeder; er was een wereld van gelijke zonnige gedachten en van zorgen tusschen hen in.
"Jij hebt het rijker dan ik het had.... jij mot een dokter nemen.... geen juffrouw...." zei de zieke nog.
Toen ging, met het opklinken op eens van nader gekomen stemmen, wat luidruchtig, de groote middendeur open; een groepje bezoekers verliet de zaal, en tegelijkertijd, bedeesd langs hen henen, vaaltjes en bleek in haar grijzen regenmantel, schoof Sprotje naar binnen.
Zij scheen dadelijk Sien te zien zitten, want zij aarzelde, keek schichtig terzij, of ze met den laatst heengaande nog weer mee terugkeeren wou.... Toen die de deur achter zich gesloten had, kwam zij, ontdaan, op het bed van haar moeder af.
"Dag Merie," zei Sien ongedwongen en vriendelijk.
"Dag....," zei Sprotje schuw. Dan groette zij de zieke, gaf haar een hand en zette zich schutterig neer op den rand van het bed. Schril en beschaamd gingen haar blikken naar het zwaar uitpuilende figuur der jonge vrouw; zij dorst er niet naar te kijken en zij kon er de oogen niet afhouden. Zij kreeg een hooge kleur en voelde een verlegenheid of zij zou gaan huilen.
Sien lachte niet; Sien werd niet boos; met een groote rustigheid zei ze:
"Je hoeft niet zoo bleu voor je zuster te zijn.... we kenne mekaar toch langer dan vandaag......"
"Ben je goed gezond tegenwoordig?" vroeg ze achteraan.
Sprotje had verrast opgekeken. Zij knikte van ja.
"'k Ben van 't jaar nog geen dag thuis gebleven en m'n werk ken 'k af."
"Da's mooi," zei Sien; en tegen de moeder:
"Goed er uit zien is nog wat anders.... maar as ze zelf voelt, dat ze sterker wordt...."
Sprotje nam haar zuster wat vrijmoediger op. Wat was Sien deftig geworden, dacht ze, net een echte juffrouw, en zoo stil in 'r mond--.. Maar wat zag 'r gezicht er akelig uit, en wat puilde dat lijf.... zou dat pijn doen?.... Sprotje voelde een aantrekking en een afschrik tegelijk, een angst voor iets onafwendbaars, alsof het haarzelve gold.
Met een plots zeer klaren blik had de zieke vrouw naar Sprotje gekeken, zooals die daar zat in haar kalen regenmantel en met haar doffe, bruingrauwe hoedje op. 't Was haar, of zij nog nooit zoo goed het gezicht en heel het wezen van haar jongste kind had aangeschouwd, de smalle, vage wangen, zooals die spits toeliepen naar de kleine, zwakke kin, en de zachte, grijze oogen onder de bleeke brauwen; zij zag het plukkige, vaal-blonde haar, dat geen levenskracht scheen te hebben, en de onzeker verloopende lijn van strakke voorhoofd en kinderlijke neusje; sloom was de moeizame ronding van haar hals en van haar ingebogen schouders, maar de mond, flauw-roze en met drie fijne dwarskerfjes in de bovenlip, sloot vast opeen met een uitdrukking van smartelijke volharding; en in haar schoot lagen, groot en grof donkerrood, als dingen die niet pasten bij haar tengerte, de barstige, zwart-gekerfde en als gezwollen werkhanden aan de nog rauwer-roode, dunne, knokelige polsen.
Een groot medelijden, zooals zij nog nooit voor dit kind had gevoeld, kwam er in het hart der zieke vrouw.
Zij herinnerde zich de dunne priegelvingertjes van voorheen, zooals die de ringen naaiden aan de gordijnen van den behanger, en haar dunne, bloedlooze lippen, die zoo vaak zich sperden in een raar gelach. Zij voelde, dat dit kind van haar zeer misdeeld was en niet opgekweekt als het had behoefd; en zij voelde ook, dat niemand daar schuld aan had; doch het verband van die gedachten kon zij met haar zwakke hoofd niet rijmen, en afgetobd sloot zij de oogen.
"Een kinderwagen? leg je 'm daar 's nachts ook in?" vroeg Sprotje.
"Wel nee, meid," zei Sien, "d'er is een ijzeren wieg met zeegroene gordijnen en een kanten kleed erover; een burgemeesterskind zou er in kunnen slapen."
"Zoo'n hooge, as t'er wel voor de winkelramen staan?.... zou 'k die graag 's zien!.... En hei je mooie, zachte lakentjes?.... en krijgt ie een kanten mutsie op?"
"Da's geen mode meer," zei Sien.
Toen, met een afschijn van groote vrede en gelukkigheid over haar gelaat, zag de zieke weer op. Hoor! nu praatten zij eensgezind over het nieuwe leven, dat op geboren worden stond! nu waren zij niet vijandig meer! Zij was zeker lang met haar gedachten afwezig geweest. En er was een verwondering in de vrouw, omdat plotseling het sterven haar niet droef of vreemd meer leek.
Ook zag zij, in een nieuwe verklaring, hoe het gezicht van het meisje, diep-in, geleek op het gezicht van Sien, zooals die daar nu, vermoeid en tijdelijk afgetakeld door haren staat, naast het bed te vertellen zat.
"Je mot zeker gauw weer weg?" vroeg ze dan, maar zonder treurigheid, alsof er een groote bevrediging was over haar gekomen.
"'k Zou maar één trein overblijven.... omdat ik anders de familie niet kan passeeren...."
Sien zei het benepen-verontschuldigend, trachtend te verzachten, en zij had gekleurd; maar de zieke vrouw knikte, dat het goed was.
"As 't afloopt mot je niet weer overkomme.... voor 't kind niet, en voor jou niet.... maar as je man me wil helpen begraven.... 'k ken hem eigenlijk wel niet, maar 't is toch me schoonzoon.... en je mot 'm wel de komplementen doen."
Even werd het Sien te raar om het hart en zij beet op haar lippen om niet te huilen.
Toen begon ze druk te vertellen van hoe het bij haar thuis was: zóó de voorkamer, zóó de achterkamer....
De zieke luisterde vaag maar welgevallig.
"En hoe zal 't kind heeten?" vroeg ze nog, bij een gaping in 't verhaal. Doch dadelijk knikte zij van nee en maakte een gebaar van maar niet te antwoorden: zij wist wel, dat zij daarin niet meegeteld zou worden en dat alles voor de familie van den man zou zijn. Even schoof er nog een verdrietige schaduw door haar oogen, en Sien, haastig, vertelde weer door: een keuken met een dubbel raam, en een gasstel met een oventje erin had ze.... in een ommezien was daar je eten op gaar. Boven sliepen ze, maar in de achterkamer was nou ook al een bed gezet, voor as ze most gaan liggen....
Telkens drukte ze, met een pijnlijken trek om den mond, de rechterhandpalm in de zijde en hield even den adem in.
De klok aan den voorgevel sloeg vijf slagen, en dadelijk daarna kwam de zuster:--alleen het bezoek van buiten mocht nog blijven; het gewone uur was verstreken, zei ze zachtzinnig.
Sprotje stond dadelijk gewillig op, tot vertrekken gereed. Maar ook Sien was uit haar stoel overeind gekomen.--Vijf uur?.... dan most ze weg.... om half zes ging haar trein.... Ze liep zoo vlug niet meer....
Zij aarzelde. Het was zoo vreemd. Zij kon geen afscheid nemen. Zij staarde naar de vrouw in bed. Dat was nu haar moeder.... daar lag ze.... en zij zou ze nooit weerzien. Zij werd heel wit. Zij zag, hoe haar moeders gezicht was weggeslonken, alsof zij zoo sterven kon.
Maar vast en klaar zei de zieke nog:
"Een gelukkige verlossing, kind, en een gelukkig leven verder."
Een snikken brak in Sien los. Zij bukte zich, gaf een kus op de vale wangen, een kus op de hand, en gehaast, voorzichtig met haar zware lichaam, naast Sprotje, die 'r stappen inhield, ging zij de zaal af, keek nog om bij de deur; zij lachte schril door haar schreien heen, zij knikte, had een stijven handwuif,--dan waren zij weg.
Toen de begrafenis was afgeloopen, en de eenige oom, die in het Kerspel woonde, en de schoonbroer uit Amersfoort weer waren vertrokken, zaten 's avonds, als versuft van al de trieste beslommering, Sprotje en Ant samen bij de kleine lamp aan hun keukentafel.
Zij waren beiden dien dag niet naar haar werk geweest, hadden 's morgens in het ontvangzaaltje van het ziekenhuis gewacht tot de paar begrafenisgasten kwamen, hadden 's middags koffie geschonken voor de menschen, die in hun voorkamer zaten.
Moeders broer was al tegen drieën weggegaan en de zwager een half uur later; maar een paar buurvrouwen waren nog tot den donker gebleven, vullend het ontredderde vertrek met een dompig-verwarde luidruchtigheid.
Nu, vreemd, in de avondstilte, waren zij met hun tweeën alleen.
Sprotje zag ontdaan; een doode en een begrafenis, die had zij, met weet, nog nooit bijgewoond; haar gedachten waren vol afschrik en veege ontzetting en een werkelijk verdriet drong niet tot haar door.
Ant was zeer moe; zij hield het breede postuur ineengedrongen, de armen over de borst gekruist, of zij kleumde; soms knikte met hortende stootjes haar hoofd voorover en was zij een oogenblik ingedut.
Maar gauw en heesch begon Sprotje dan iets te zeggen; zij wou niet, dat de andere sliep, wou aldoor blijven praten, om aan de dwangbeelden te ontkomen, die haar staken in het hoofd.
En Ant schrok op, keek dwaas even rond, huiverde en overpraatte met haar luide stem de stilte, die ook haar benarde.
Zoolang vrouw Plas in het Ziekenhuis lag, hadden zij al de avonden zoo bij elkaar gezeten, slaperig beiden en moe, Sprotje van het sjouwen in haar dienst, Ant door het dubbele werken op haar weverij en bij hen thuis,--wekenlang had dat geduurd, en nu was er plotseling een verwezenheid en een nieuwe leegte gekomen, die alleen hun eigen bange gedachten daar brachten, en die benauwend was te ondergaan.
Beiden, bij poozen, herinnerden zich ook, wat de man van Sien bij het heengaan nog zeide, dien middag:--zij hadden veel met hun moeder overbracht, en 't zou zeker onkosten gegeven hebben bovendien.... 't beetje, dat er was, konden zij houden.... Sien maakte geen aanspraak....
Uit den toon van zijn stem was wel de geringschatting te hooren geweest voor het erfenisje van een paar meubelstukken en wat waardeloos geraad; maar zij vonden het toch vriendelijk, dat hij hun liet, wat zij altijd gehad hadden,--en alsof er nu eensklaps iets vreemds was gekomen aan elk ding, en zij daarmede iets anders zouden kunnen doen, dan zij altijd gedaan hadden, zoo verbaasd en onderzoekend keken zij soms rond.
Maar dan spraken zij ras daarover heen, om de wreede en slechte gedachte te verbannen.
"Ja...." zei Ant eindelijk met een moedelooze afgetrokkenheid: "'t had zoo ook niet langer gekend, hé?.... werken en koken en dan nog m'n tien uren op 't fabriek.... jij ken nou eenmaal niet meer bijbrengen, om te helpen.... maar 't liep mijn over de kop.... net as je oom zei, we motten een kosthuis zoeken...."
Sprotje schokte even in de schouders weg.
Ant was al vaker tot dat besluit gekomen, vorige avonden van neerslachtigheid en tobberij; en Sprotje, in een ijlen schrik, had daar dan dadelijk overheen gepraat.... Een kosthuis zoeken, wonen bij andere, arme menschen als zijzelf, bij vreemden, dat leek haar zoo zwart en zoo troosteloos, dat al het grauwe van haar eigen thuis er plotseling bij wegviel; en zij had zich met vage mogelijkheden gepaaid, die zij maar vaag hield, om er het onmogelijke niet van in te zien....
Nu, in de beklemmende leegheid van dezen avond, voelde zij het onherroepelijke: zij moesten hier weg.... zij moesten onder de menschen.
Zij keek Ant aan met het zachte van een weerloos dier in haar kleine, grijze oogen en ze zei gelaten:
"Ja.... een kosthuis...."
"Ze is van middag pas begraven", kwam Ant verdrietig, "we moste daar eigenlijk nog niet over praten."
Maar even later, in de zeurige dofheid van haar afgetobd, heet hoofd, ging zij toch op dezelfde gedachte door:
--De moeder van Eiltje, die nam kommesalen, maar 't was er zoo'n herrie, negen kinders over de vloer.... en de menschen van Mastenbroek, maar daar leien ook kerels van 't spoor in de kost.... misschien was 't bij Westerweel nog het beste....
"En de meubels, die motte we wel verkoope," zei ze dan mistroostig.
"Verkoope....?" duizelde Sprotje.
Bij verbijsterende vlagen kwam al de naakte naarheid door haar denken gejaagd.
"Maar de latafel toch niet....!" schrok ze opnieuw.
"En een kosthuis, hoe mot ik dat betalen...." klaagde ze nog flauwtjes op de eerste overdenking door: "ze vragen wel een daalder in de week...."
"Jij zou de latafel kenne houen, as je daar zoo op gesteld ben," zei Ant goedig; "veel dienstmeissies brengen een kassie mee, hè?.... as jij later 'ns voor dag en nacht gaat.... En ik neem dan weer wat anders...."
"Ik zou de potkachel kenne nemen," zei ze even later, alsof het een plotselinge vondst van haar was.
"Waarom de potkachel?" vroeg Sprotje verbaasd.
Maar onderdoor die verbazing was er eensklaps een schrille vreugde in haar hart geschoten. De latafel! .... of zij dan nog ooit 'ns, als een deftige dienstmeid, met 'n kassie bij 'r menschen zou komme....! Of dat nog 'ns mogelijk zou zijn!
Met een matter belangstelling vroeg ze nog eens: "Wat zou jij met de potkachel doen?"
Doch Ant zweeg, gaf geen naderen uitleg over die keuze.
Zij zaten stil; zij keken verward, als betrapt voor zich neer....
Zij waren plots weer bij de niet te gelooven werkelijkheid terug: hun moeder was dood, was begraven vandaag.... Ant streek verscheidene malen met de hand over de oogen.
Na een poos zag Sprotje haar zitten, met het zorgelijk getrokken voorhoofd en den ouwelijken rimpelmond, zooals zij wel vaker te kniezen zat, den laatsten tijd.
Ant dacht aan Busselaar, aan haar beurtschipper. De vorige maand had hij een bezoek overgeslagen; gister was het zijn dag geweest en hij had zich niet vertoond.... maar soms kwam hij er twee, drie later dan zijn tijd was.... Wat die man toch in zijn schild voerde!.... Zij brak zich daar vaak het hoofd mee.
"'t Zal om de begrafenis zijn, dat ie niet gekommen is", zei Sprotje, radend in een goeiïgheid van willen troosten.
De andere knikte.
Wat later, hulpeloos, spraken zij af, dat Ant den volgenden morgen,--'t was dan juist Zaterdag--de huur van hun huisje zou opzeggen; en Zondag zou ze werk maken van een kosthuis; ze moest ook bij de uitdragers langs voor den verkoop van hun boeltje......
Dan zwegen zij weer beiden, vervaard voor zooveel moeilijkheden.
Door de stilte van den avond streek, als een eindelooze zucht uit de wijde eenzaamheid der weilanden, het geruisch van een trein op den verren spoordijk; uit de Hanekamp tikkelde telkens, zenuwachtig, het knikkergeluid der biljardballen; en daar doorheen botste soms een doffe plomp-klots in de zakken, of flitste het helle ketsen van een queue.