Chapter 6
Mevrouw, zelf in haar schunnige huisplunje, keek het kind met hatelijk-afkeurende blikken aan.--_Zij_ kon uit zuinigheid nog wel eens een oud stuk afdragen, maar het dienstmeisje moest de menschen onder de oogen komen, die moest open doen, moest de straat op, die kon niet anders dan er behoorlijk uitzien, om haar dienst niet in opspraak te brengen. Soms ook snufte Mevrouw, alsof zij iets vies' rook..... Sprotje kende zelf wel de weeïge lucht, die zij vaak bij zich had, en waar zij niets aan doen kon.
Sprotje dacht aan de kleeren, die Mevrouw boven in de kast had hangen; een grijze zijden blouse wist ze, en een zwarte zijden met paarse biesjes, en een blauwe ruit, en een bruine japon met fluweelen stukken erin; zij dacht ook aan de ééne katoenen jurk, die nu bij haar moeder in de waschkuip het vuil stond uit te weeken van zes lange dagen werk, en aan de andere, die van de naaischool, die nu al zoo dun was geworden, dat zij 's Zondags wel een uur bezig was 'm op te lappen, als ze 'm aan moest.
Sprotje begon wereldwijs te worden. Als ze op straat mooi gekleede Mevrouwen zag, kwam het bij haar op, hoe die er thuis wel uit zouden zien, en wat voor loon die an 'r meissies geven zouen...... Zij begreep ook, dat de voordeelige diensten niet weggelegd waren voor kinderen als zij.
Toen zij, met een ijlen schrik om haar hart, het eerste brutale antwoord van zichzelf had gegeven, volgden er gauw meer. Zij kreeg een stiekem gevatheid om van zich af te bijten en zij was zelden in een dragelijk humeur.
Maar zij werkte zoo hard zij kon, en haar gezondheid, dien zomer door, bleef redelijk goed.
In het najaar zon zij op het vragen van loonsverhooging, maar met de eerste November-guurten werd zij ziek en moest tien dagen thuis blijven. Mevrouw behielp zich dien tijd met een keertje de werkvrouw en het kind mocht blij wezen, dat zij op hetzelfde loon werd teruggenomen.
Bij haar thuis was de dienst in aanzien gestegen; Merie had er zilver poetsen geleerd en tafeldekken, als in een deftige betrekking, en tweemaal kreeg ze een kwartje fooi van menschen, die er hadden koffiegedronken....
En toen kwam de winter, die één lange worsteling werd voor het kind.
Iederen morgen om half acht, in den nacht nog, naar haar dienst, iederen avond om vijf uur, als 't al weer duisterde, naar huis; en daar tusschen in nog eenmaal de lange gang heen en terug voor het bord aardappelen met vet, dat, als zij laat kwam, op het fornuis stond aan te bakken.
Het was in die dagen, dat Sprotje haar eerste centen op een boodschap stal en dat zij eens, met een gewurgdheid of ze een misdaad beging, twee en een halven liter petroleum aan de deur nam en er drie in rekening bracht.
Haar schriele lichaam boog in de schouders door; zij was wat langer opgeschoten nog, bijna zoo lang geworden als andere meisjes van haar jaren, maar bij haar smalte leek ze een slap-lende sladood, die sjokte en sloofde bij den weg als een afgejakkerde hond.
Sprotje was nu bijna anderhalf jaar aan het dienen, en haar hang naar keurige kleeren was afgestompt in het gedrang der dagen en dagen méér werken dan zij kon.
Als zij des Zondagsmiddags, met haar propere spullen aan en met "De Vinger Gods" voor zich,--het boek, dat alle meiden van Mevrouw Verscheer des Zondags te lezen hadden gekregen, maar door geen nog gelezen was--in het kleine keukentje zonder uitzicht de wacht zat te houden om eenmaal of tweemaal, of ook wel niet, naar voren te komen als er gebeld werd,--dan had zij nog wel een bleeke voldoening zich zoo zindelijk te voelen en zelf te zien, dat ze er zoo netjes uitzag; maar zoodra 's Maandags, in het gehaaste smerige werk, de eerste veeg of vlek die helderheid was komen besmeuren, liet het haar verder onverschillig, en zij slonsde de week door, tot zij eindelijk, vies van zichzelf, 's avonds vaak schreiende en zonder te bidden in bed kroop.
--Nette meisjes deden 's Zaterdags een schoone japon aan, als 't werk was afgeloopen...... zei Mevrouw.
"Mot u er na betale" antwoordde Sprotje bot, en zelfs zonder een kleur te krijgen.
Dagen aaneen kon zij gaan naar haar dienst, het werk doen, gaan weer naar huis, en nog eenmaal dien rondgang en dan slapen, alles in één dompen nevel van een dier, dat doet wat het moet, met enkel het vaag-sterke bewustzijn van te moeten doen wat het doet.
Andere dagen weer was zij van een uiterste prikkelbaarheid; thuis zei ze leelijke dingen terug tegen Sien, als die haar te na kwam, zei: "mispunt" en "stik," en de moeder wist niet, of zij het jammer moest vinden, dat het kind zich zoo verhardde, dan wel blij zijn, dat de oude teuterigheid wat verloren ging.
Maar er waren ook lichtere uren en middagen in Sprotjes leven, dagen van warmer weer, waarop zij genoot van de zon en waarop zij zich, als in plotselinge verklaring, weer in woorden bewust werd, dat wat ondergrondsch altijd het voedsel was van haar taaie volharding: geduld moest zij hebben..... geduld..... als je 't maar lang in een moeilijke dienst uithield, kreeg je zelf een goeie naam.... dan moste ze je later goeie getuigen geven, en met goeie getuigen alleen kwam je vooruit....
Eens, op een middag in Maart, zag Sprotje plotseling, over het Broerekerkplein, Juffrouw Jonkers aankomen met een jongetje in een blauw hesje aan de hand, dat klein Wilmpje moest zijn.... Haar hart hamerde in diepe zware stooten en zij voelde zich geheel koud worden van ontsteltenis en vreugde. En op eens, in een groote verwarring, voor zij 't zelf nog wist, was zij een zijstraat ingeslagen, en liep, liep, of zij vluchtte..... Toen zij, even later tot bezinning gekomen, terug ging, was juffrouw Jonkers niet meer op het plein.
Dien ganschen verderen dag deed zij in een vreemd-ijle opgewondenheid het werk, dat zij doen moest; maar 's avonds, al vroeg in de donkere bedstede, kon zij niet anders dan maar schreien, bitter en heet....
't Was of er iets gansch onherstelbaars in haar leven was gebeurd en haar hart was vol van een schrijnende genegenheid en een martelend berouw.
Wat later in het voorjaar kwam zij Herman tegen; die was weinig veranderd, droeg nog zijn bril, maar hij herkende haar niet.
Sinds die twee toevallige ontmoetingen keek Sprot je altijd op straat uit; een enkele maal, dat zij niet te moe was, liep zij een eindweegs in de richting van de Veenvalkstraat.... eens ging zij tot de Drie Alleetjes door en zag daar, zachtjes kuierend en lezend in een boek, Christientje loopen, en klein Wilmpje liep naast haar.
Deze maal ging Sprotje niet terug. Toen zij vlak bij het lezende meisje en het kind was, zei ze schor: "Dag Wilmpje"...... Wilmpje, een baasje al in een matrozenpakje, keek verschrikt, liep ijlings aan den anderen kant van zijn zuster en kreeg een kleur van angst. Het meisje had alleen, verwonderd, even terug geknikt. En sinds dien middag verlangde Sprotje niet langer iemand uit het huis van meester Jonkers tegen te komen.
Met de eerste, broeiende zomerdagen begon zij te lijden aan een stekende hoofdpijn en aan een voortdurende onrustigheid, die haar veel last gaf. Zij wist nu, wat de oorzaak van die bezoekingen was en dat troostte haar wel, maar zij voelde het als een schande tegelijkertijd.
En juist in die dagen had zij bizonder goede en vlijtige voornemens; zij was ook zeer vroom, kon met grooten aandrang en overgave korte, hartstochtelijke gebeden zeggen. Maar zij was vaak zoo kribbig en kort aangebonden, dat haar Mevrouw, bang een opmerking te maken, zijdelings de schimpscheuten luchtte, die zij toch niet voor zich kon houden.
Sprotje dreigde toen ook herhaaldelijk, in bedekten vorm, met heengaan en bracht het zoo tot achttien stuivers in de week.
Dat was een opkijken thuis! "Zoo'n binnenvetje! Zoo'n goocheme Gerritje!" Sien gaf haar, tot belooning, een oude regenmantel van zichzelf cadeau, die Sprotje nog prachtig vond.
Het was tevens een afscheidscadeau. Sien ging met September bij haar moeder vandaan, ging ook van de azijnmakerij af; zij kwam, als hulp, in huis bij een tante van de jongen van Bertels,.... daar moest ze gefatsoeneerd worden en over een jaar of anderhalf ging ze dan trouwen; zoo hadden de aanstaande schoonouders het geregeld, toen zij zagen, dat er aan de verkeering niet te tornen viel.
--Sien, die ging nou naar de drilschool, plaagde schamper Ant;--wel bekwam het haar!.... of ze later 'r moeder en 'r zusters nog kennen zou?.... Ant had een bedekten haat tegen de "hoogheid" waarin Sien kwam, en zij was jaloersch bovendien.
Zijzelf scharrelde nog altijd met haar vrachtschipper, praatte veel van "wonen aan den wal" en "kampeeren aan boord" en "beurten op Essen en Elberfeld;" zij noemde hun voorkamertje de "kombof" of "het roefje," en zei 's avonds dat zij "naar kooi ging" of "onder zeil."
Zoodra Sien was vertrokken, kwam Sprotje boven te slapen, op het nu onbezette kermisbed; eerst leek dat haar een heuglijke verandering, het vrij komen uit de bedompte bedstee, waarin haar moeder, breed en veeleischend in haar zwaren slaap, de grootste ruimte vulde; maar de dekens, waaronder Sien had geslapen, zaten als volgeslorpt van den zuren azijn-stank, en dat stond het kind nog minder aan.
Het was toen, dat zij thuis begon te spreken van "veranderen;" ze wou weer een dienst voor dag en nacht.
De moeder, die den een of den anderen tijd ook Ant bij zich weg trekken zag, en die bang was alleen te blijven, trachtte het kind de nieuwe plannen uit het hoofd te praten:--ze wist nou dat ze hier een broodje had, waarom most ze zich in 't onzekere begeven om er een stukje kaas nog bij te halen?
Maar Sprotje keek wantrouwig;--'r brood?.. 'r kaas....? daar zouen ze zich zoo druk niet over maken, of er most wel wat anders achter steken! Twee, drie avonden in de week trok zij een tijdlang op dienst-aanbiedingen uit, zonder ooit te slagen.
Zij had dat najaar een bijna ongunstig voorkomen, iets schrils en flodderigs en een sluike jachtigheid, die dadelijk tegen haar innamen. Haar gezichtje was nog valer geworden en ook grover van vel; de sproetenveegjes aan de bovenwangen kleurden verbleekt-vuil daar doorheen, en onder de dunnige wenkbrauwen lagen de grijze oogen als dicht bijeen getrokken in een vreesachtige belustheid, die gluiperig leek en brutaal. Het armetierigste aan 'r waren nog altijd de haren, de schunnige sliertjes, die achter de ooren langs uit het piekerig knoetje kwamen geschoten, en de soort poney, die haar in den nek hing.
Als zij des avonds op een dienst was uitgeweest en de afwijzing had haar ontmoedigd, dan was zij den volgenden morgen van een schijnheilige voorkomendheid tegen haar Mevrouw.
En toen die haar zoo dikwijls handelbaar en onderdanig zag, begon ze van haar kant berekeningen te maken.... ze was niet zoo kwaad af met dit kind, maar ze gaf vier stuivers meer in de week dan zij aan een nieuweling zou doen... ze was ook wel gevleid, dat Marie al anderhalf jaar bij hen was, maar haar verjaardag kwam, St. Nicolaas kwam, en een meid die je anderhalf jaar had, kon je wel moeilijk minder dan een paar witte schorten geven, als ze daar nog tevreden mee waren....
Toen Sprotje tegen den winter nog eenmaal ziek werd, en, zwak teruggekomen, eerst niet dan met haperingen haar werk kon verrichten, gaf Mevrouw haar de keus: maar liever voor goed weg gaan, of blijven tegen zestien stuivers in de week.
Sprotje, die geen keus hàd, koos het laatste. En zoo worstelde zij een nieuwen winter door.
Maar met het voorjaar dat dan kwam--ze was toen in November zestien geworden--brak ook voor haar schamele lichaam de eindelijke wending ten goede aan. 't Leek wel, of ze nog zwakker was geworden, doch ze werd ook gezonder. En haar gezichtje veranderde opnieuw van uitdrukking; 't werd nog smaller maar ook liever, en het vreemd-schrille en rustelooze was voor tijden soms daarvan verdwenen. Haar oogen vooral, de kleine, grijze, met de teere wimpers, hadden een schroomvalligen neerblik en een opkijken vol zachtheid, en de mond, even vochtig, lag soms fijn geplooid in een vagen, droomerigen glimlach.
Op een zoelen middag in Mei, toen er overal buiten de dwalende geur hing van in bloei staande kastanjes en van wuivende seringeboomen, liep, zoetjes verstrooid, Sprotje den hoek bij de Hanekamp om, waar hun Dijkje was. De zware meidoornhaag rond de uitspanning had hier en daar sprenkels van wit en roze-rood gebloesemte, knopsels nog maar, doch de hooge iepenboom in den hof was als een dicht zomerbosch vol vogelengekweel.
Gesmoord zwart-glanzig van zon lag het kolenwegje recht het land in naar den oliemolen; als van vloeiend licht leek het boordevol vaartje, en de lage, weeke weilanden wemelden van bloemen en golvingen van halmend gras.
Aan de andere zijde, ver over het water, lag het witte, rood-gedaakte badhuisje te blikkeren in de zon, en het ijle olmen-rijtje daarachter was bleekgroen in de grijsblauwe zonnelucht.
"Tjee!" schrok Sprotje plotseling uit haar licht en leeg gemijmer op: daar kwam Hein het kolenpad afgestapt!.... wat deed die hier?.... was die bij hen geweest?.... omdat Sien nou trouwen ging?....
Maar dan herinnerde zij zich de eerste ontmoeting, toen zij nog bij Meester Jonkers diende, en een paar andere, vluchtiger, van maar een knik, en een "bezjoer" naar den overkant der straat: 't was geen kwaje, die Hein.... Haar ontdane gezichtje klaarde weer op, herkreeg zijn schijn van stille vriendelijkheid.
Langzaam, met zware stappen over het knerpend gruispad, kwam de jongen naderbij; dan vertraagde hij aarzelend zijn gang, als zon zijn altijd moeizaam werkend brein op den aanvang van een gesprek. En toen zij nog een pas of tien van elkaar af waren, stond hij stil, hield zijn blakenden kop, bol als van een goedigen bulhond, schuw naar haar heen.
"'k Ben nou vaste knecht aan de oliemolen," zei hij, als een uitleg waarom hij daar liep.
"Zoo....," verwonderde zich Sprotje, belangstellend.
"Sinds verleje week al...."
Sprotje had in de hand een kleine blauw-gazen vliegen-dekker, die gerepareerd was, en die zij des middags mee terug naar haar dienst moest nemen.
De jongen, zijn naakte oogen neergeslagen naar het voorwerp, dat hij niet thuis wist te brengen, vroeg, fel op eens:
"En wanneer trouwt ze?"
"Vrijdag," zei Sprotje.
De jongen gromde iets binnensmonds. "Was de Donderdag niet deftig genoeg voor 'r?" smaalde hij.
"Mijn moeder is op de bruiloft gevraagd, maar ze zal wel niet gaan," vertelde Sprotje.
"Of ze gelijk het," zei de jongen.... "'t Is een kanjer, die zuster van jou."
Sprotje knikte onwillekeurig, maar dan weerlei ze toch:
"Hoef jij je daar anders niet zoo dik over te maken... jij hebt toch ook al weer verkeering met een ander gehad...."
Spannend rood kleurde de jongen over zijn gave, blinkende koonen.
"'t Was heel wat anders als met je zuster, hoor," zei hij heftig; "nou wou _zij_ wel, maar _ik_ niet.... nou heb ik háár laten schieten...."
"'k Mócht 'r niet," kwam hij nog uitleggend achterna, kalmer al weer.
"Hei je nog altijd sjagrijn over Sien?" vroeg Sprotje met een zacht-goedig meelij in haar stille stem, en steelswijs zag zij den jongen aan.
"O!.... dat.... nee.... mot je niet denken," zei die wegwerpend; "had ik ommers geen andere meid genomen...."
"En waar dien jij nou?" vroeg hij dan, om op een ander onderwerp te geraken.
"Ikke....?" zei Sprotje, gevleid over de belangstelling, "op de Waterveldsche Weg."
"Daar diende dat andere meissie van mijn ook," kwam de jongen, met een naïeve verwondering.
Sprotje voelde zich een kleur krijgen, maar zij begreep niet waarom.
Toen lachte zij. Sinds zij nu zooveel grooter was, hield zij dat lachen ook beter in bedwang, en 't stond zoo mal niet meer.
"En wat jij groot ben geworden!" zei de jongen; "maar mager genog.... hei je een goeie dienst?"
"Voor mijn niet kwaad," zei Sprotje, berustend; "meissies as ik motte lang geduld hebbe, voor ze wat goeds krijgen.... maar 'k ben er nou al twee jaar.... met goeie getuigen zal 'k nog wel eens beter terecht komme...."
De jongen zag haar met een stille vertrouwelijkheid aan. "Voor je zoover ben, mot je heel wat doormaken, hé?" vroeg hij.
"Ja.... jij ben ook al net as ik...." zei hij even later, nadenkend....; "heb ik een tijd voor vijf gulden in de week motte ploeteren.... jessis, as 'k daar an denk.... nou krijg 'k er zeven.... nou ben ik vijfentwintig...."
"Dat komt," zei hij weer, na een ogenblik van moeizamen gedachte-arbeid, "as je geen vast ambacht kent...."
"As ze van je thuis niks voor je doen....?" vroeg Marie; haar gezichtje was één zachtheid van begrijpen en beklag.
"Ja, ook al....." zei de jongen vaag; daar scheen bij hem de schoen niet te wringen.
"'t Ergste is maar, as je 't zoo treft," viel hij dan weer bij, "jij zoo goed als ik, hé....?" En met dezelfde ondergrondsche vertrouwelijkheid in zijn goedig vervaarde oogen zag hij haar aan.
"Nou....," zei het meisje op eens, verlegen, "'k mot naar huis, hoor!"
"Weet je wat zoo mal is....?" kwam plotseling de jongen met een goedigen grinnik, en als buitengewoon vermaakt over iets potsierlijks, dat hem eensklaps opviel: "Sien is een mooie meid.... en jij ben heelemaal niet mooi, Merie.... God bewaar me, nee, je heb 'r niks van.... en toch lijken je op 'r...."
Even keek het meisje verrast; dan overtoog een donker schaamrood haar verschrikte gezichtje, en haar mond, om de kleine, groene tanden, trok in een bevende zenuwsperring omhoog.
"Je houdt me voor de gek," stamelde ze dan;.... "ik op Sien lijken....!"
"Werachtig!" kwam de jongen nog eens, "'t is de waarheid, wat dat 'k je zeg.... vooral nou je zoo rood ziet...."
Hij had zelf een kleur gekregen, tot hoog over zijn voorhoofd en met een beschaamden en toch vertrouwelijken knik ging hij eensklaps door.
In een duizel van blakende warmte en bloedgebons, geheel verward, liep Sprotje door den zoelen lentedag hun Dijkje af.
In de verte, als in een damp van zon, schemerde de oliemolen klein weg onder de hooge lucht....
End of Project Gutenberg's Sprotje heeft een dienst, by M. Scharten-Antink