Sprotje heeft een dienst

Chapter 5

Chapter 54,010 wordsPublic domain

En naarmate de weken vloden, werd in het hoofd van het kind dat tijdsbrok van haar twee maanden "dienen" meer en meer iets onwezenlijks, iets dat niet met háár gebeurd scheen, en iets van een angstig-heldere werkelijkheid tevens. Vaak doorleefde zij in enkele oogenblikken gansche uren en dagen van werken in die kamers en in dat keukentje, met een zoo pijnlijke duidelijkheid, dat zij plotseling heel de uitputting van toen zich voelde zinken in beenen en rug. Zij hoorde weer fel de harde woorden, die haar moeder tot Coba had gezegd, den avond dat die voor de tweede maal naar haar was komen vragen, en zij voelde geen liefde meer voor juffrouw Jonkers, maar ook geen haat, evenmin als zij iets voelde voor haar moeder of voor haar zusters; haar gevoel scheen afgestompt en zij herleefde alleen maar in haar herinneringen de lichamelijke kwelling: het zwoegen en bijna niet meer kunnen, eerst op 't fabriek, en toen in haar dienst. Zij wist door de vriendin van Ant, dat er bij Jonkers een andere meid was; het liet haar onverschillig; zij verlangde nu zelfs niet naar Wilmpje. Alleen was zij zeer vreesachtig iemand uit het huishouden van meester Jonkers te zullen tegenkomen; zij schaamde zich over wat haar moeder gezegd had, en het maakte haar onrustig, alsof het een strafbaar iets was geweest.

Doch eens op een nacht droomde Sprotje weer van juffrouw Jonkers: de Juffrouw, rood-beschenen door de lampekap, zat tegenover haar aan tafel; zij zag erg moe, maar lachte toch vriendelijk en Sprotje was zoo gelukkig! een heerlijke innigheid overstroomde haar; en Wilmpje zat naast juffrouw Jonkers, want het was overdag en toch brandde de lamp en zijzelf stond aan de tafel. Zij had een nieuwe muts op en Wilmpje stak zijn handje naar de keelbanden uit; zijn oogen lachten en zijn open mondje was heelemaal vochtig; toen gaf zij opeens hem een zoen daarop; zij voelde de weeke zoelte tegen haar lippen; zij keek op: meester Jonkers stond in de waranda, maar het was meester Jonkers niet; hij lachte schril en kwam een stap naderbij; Sprotjes hart verstijfde van schrik; zij wou gillen, maar haar keel was toegeschroefd! De roodharige man greep naar juffrouw Jonkers, en benauwd schreeuwend werd Sprotje wakker.

Toen wist zij opeens, in dat zwarte nachtuur, hoe innig zij van juffrouw Jonkers hield; en zachte Wilmpje had zij lief zoo vreeselijk diep en teêr, dat zij schreide, schreide met haar hoofd in het kussen om haar moeder niet te wekken, en daarna gezwollen en heet wakker lag tot den morgen, met die eene onheelbare schrijning, dat dit hevig geliefde onbereikbaar was en verloren voor altijd.

Den volgenden morgen kon zij de wreede en dierbare gevoelens van dien nacht niet meer geheel terughalen, en in de dagen daarna vervaagde het alles al meer; doch een zachte, sterke genegenheid, die geen wanhoop gaf maar gelukkigheid, was toch achtergebleven, en zij voelde, dat zij die haar leven door niet meer verliezen zou.

Toen in Februari de eerste milde dagen kwamen; en die aanhielden, en iedereen riep, dat het nu al voorjaar scheen, toen begon ook Sprotje zienderoogen op te fleuren; haar bewegingen werden minder vermoeid en haar grauwe gezichtje kreeg een gezonder tint. Zij sprak ervan om weer naar de catechesatie te gaan, aarzelde alleen omdat de oude domeni haar wel vergeten scheen en al de weken, dat zij verzuimde, niet eens eenmaal naar haar was komen vragen; dat had Sprotjes hart wel wat afgetrokken van den domeni en de catechesatie en zoo ging zij ten slotte dan ook niet.

Het was overigens geen vroolijke tijd bij hen thuis; Ant, die al naar de vijfentwintig liep, had voor het eerst van haar leven een soort verkeering, een vrijerij van niet-en-graag, zooals de moeder zei, met een beurtschipper op Duitschland, die elke twee weken één dag daar aan den wal lag, dien dag uit hun keuken niet was weg te slaan en de verdere veertien dagen niets van zich hooren liet. Die vrijage zonder houvast maakte Ant humeurig, wat ze nooit geweest was; en met Sien stond het al niet beter gesteld.

--Als ze 'r nog langer aan 'r kop kakelden, verklaarde die met een gezicht, dat niet mak was, dan kon die heele jongen van Bertels met zijn duiten en zijn ouders en al naar de maan loopen. De eene week gaf zij al haar geld aan een strik of een veer uit en de andere liep zij met haar neus in den wind en verkoos alleen haar oudste spullen te dragen.

De lange middagen, en nu vaak de avonden ook, alleen samen thuis, bespraken de moeder en Marietje dit alles breedvoerig en met veel beklag; de moeder vond het een uitkomst, die steun van het kind; want Ant ging haar ontvallen, dat voelde ze wel.

--'t Was maar goed, zei ze eens, dat Merie nog bijtijds uit die jakkerderij van Jonkers was weggekomen. Maar daar kwam Sprotje hevig tegen op:

--Jakkerderij? 't fabiek waar ze haar heen gestuurd hadden, dat was een jakkerderij, en juffrouw Jonkers, die was vrij wat meer bedot geweest dan zullie.... als je zoo'n zwak kind in je dienst kreeg....

Zij was niet meer naar den dokter gegaan om een briefje voor melk, maar als een troostrijke vastheid was, die dagen door, in haar hoofd de uitspraak, dat ze een dienst moest hebben van tusschen twaalf en tweeën naar huis....

Maart bracht opnieuw gure dagen van drogen Oostenwind, die het kind deed hoesten en haar een stuk achteruit zette. Maar in April was het zomer.

--Haar ongeluk was geweest, redeneerde Sprotje bij zichzelf, dat zij met den winter was beginnen te dienen.... dienen was 's winters zooveel zwaarder.... de kachels iederen morgen, en het kolen-scheppen, en de kou in de keuken, en de kou in bed.... het huis, dat zooveel stoffiger was van 't stoken, en je verkleumde vingers, waarmee je niet vorderen kon.... In het voorjaar, met de mooie dagen, dàn zou het goed gaan, en dan was je tegen den winter gewend....

--In Mei, toen ze van de naaischool kwam, had ze dadelijk een dienst moeten krijgen, ze had zich niet eerst ziek moeten beulen bij Hoogeboom.... Dat ze dàt thuis gewild hadden, bleef als een zwarte wrok nabroeien in haar hart.

Maar nu was het voorjaar gekomen.

De meidoornhaag om de Hanekamp stond dichtgegroeid van al het jonge groen en de lijnbaan wemelde van zonnige schaduw, zoo barstten reeds de kastanjes in blad. Tot aan den verren trein-dijk, en linksaf nog verder en wijder naar den horizont van mistig blauw, lagen de weiden, één eindelooze, effene en diepe groenheid zonder bloemen nog of vlekken van grazend vee.

De wind was luw en geurig en bracht de vol-zoete reuk mee van muurbloemen, die ergens in de buurt in bloei moesten staan. Soms stak reeds de zon.

Sprotje was van een geheimzinnige afgetrokkenheid vaak; zij kon tijden droomerig tegen het achterhekje van hun kleine erf staan aangeleund en maar vaag in de verte turen, oogen naar de wollige wolkjes, die van een treingang, heel wit in 't wazige lenteblauw, waren achtergebleven, of kijken zonder te zien naar het komen en gaan van den grauw-geboezelaarden touwslager langs de deinende lijnen, die glommen als gouden draden in de zon.... als soms plotseling zijn schrille fluitdeun over het land kwam gestooten, of als in de timmerwerf daar naast-aan, van tusschen de stapelingen blanke planken, een snerpende zaag te knarsen aanving, dan schrok zij wakker, streek zich duizelig met de klamme hand over de oogen.

Andere dagen weer had zij buien van groote werklust en bedrijvigheid.

"Zou je nou zeggen," kwam dan wel de moeder ongeloovig, "dat dat kind iets mankeert?"

Sprotje kreeg het vermoeden, dat zij beraadslaagden haar naar een naaiwinkel te doen. 'r Moeder dreef, dat zij vaker de juffrouw van twee deuren verderop zou gaan helpen.. Ze kon ook wel eens een steekje leggen, zonder dat er iets mee te verdienen viel.... je leerde er toch altoos wat....; en Ant praatte over het zusje van Gerritje en over de nicht van Eiltje, die bij juffrouw Gerrevink in de Koorsteeg waren....

Het kind had aanstonds een vaststaand beeld in haar hoofd gehad van zoo een naaiwinkel, en dat beeld was haar iets van enkel afschrik en angstigheid: een naaiwinkel, dat was haar naaischool van vroeger, met grooter, treiterachtiger meiden en kwajer juffrouwen, die je niet meer leerden, maar waarvoor je verdienen most.

Een weerzin toonde zij plots tegen de gezellige uurtjes en tegen elk vertrouwelijk gesprek met haar moeder; van haar geïnde stuivers hield zij, zoo vaak zij de kans schoon zag, een paar centen achter en zij kocht heimelijk nog twee schorten, naaide die in de alleenige morgenuren, verstopte ze dan in de commode-lâ.

Zij had een hoofd vol kleine listen en gluiperige berekeningen.

En in het midden van Mei, op een avond onder het boterham-eten, juist als de eerste maal, zei Sprotje plotseling, maar bits nu, en met een vijandigen blik de tafel rond, dat ze "een dienst had," en trotsch er nog achteraan: "bij 'n Mevrouw."

Ze zei niet in hoeveel diensten wel, die laatste weken, zij zich tevergeefs had aangemeld.

En dien avond ging vrouw Plas naar den Waterveldschen weg, waar op nummer 27 de Mevrouw woonde, Verscheer of Verschoor, dat wist ze niet meer, met nog een naam erbij,--om te praten over het in dienst komen van haar meissie.

--Gek...., dacht zij onder het gaan,--daar liep ze nou weer als in 't najaar naar meester Jonkers.... en wat of dit nu geven zou? Zij voelde de pijnlijkheid van het doellooze en ging met wel goeden wil maar zonder verwachtingen.

Zij werd in een klein vertrekje gelaten--of ze maar even in de spreekkamer wou komen--maar zij zag dadelijk dat de menschen daar huisden. Zij kreeg geen stoel.

De Mevrouw was groot en zeer zwaar gebouwd; zij had een bloedrijk en gebruind gelaat, met een forschen rechten neus en troebel-bruine, ontwijkende oogen; boven het wantrouwende voorhoofd bolde een dikke, witte kuif, die jeugdig stond. Zij vroeg zenuwachtig veel, op een heerschzuchtigen toon, maar met meestal afgewende en overal elders bezige blikken, en ze hield een sleutelbos in de hand.

--Dus Marie had al gediend?.... Jonkers.... een meester....? ja, die kende zij niet.... Of ze een kamer kon doen?.... wat eten koken?.... ze bedoelde, eens naar de pot kijken, als zijzelf uit moest.... Enfin, dat zou ook wel leeren, als ze maar van aanpakken was.... was ze dat wel?.... kon ze lampen schoon houden?.... bedden opmaken?.... had ze katoenen japonnen?.... witte schorten?....

Vrouw Plas scheen verwonderd, gaf korte, onwillige antwoorden.

--'s Zondagsmiddags moest ze ook komen, om de visites in en uit te laten.... dat kon niet anders geregeld worden.... was ze gezeggelijk?.... niet brutaal?.... droeg ze mutsjes?....

De moeder knikte vaag en vreemd bevangen van ja. Ze herinnerde zich het vinden van dat mutsje in Merie's spullen, toen die ziek was thuis gekomen, "'t Schaap," dacht ze bij zichzelf.

--'t Was toch zeker wel een stil meisje?.... een net meisje?.... een dat niet met jongens liep?....

En als de moeder met een lach de schouders optrok:

"Ik vraag het maar," zei de Mevrouw, "je ziet dat zooveel tegenwoordig.... ik heb dit meisje er niet op aangezien.... mijn dochter heeft haar het langst gesproken.."

Vrouw Plas begreep niet, hoe je dat kind van haar er lang op zou moeten aanzien, om te weten of ze al dan niet met jongens liep.... 't Wás toch ook om te lachen....

Maar de drukke stem praatte al weer door:--met hun tweeën woonden ze, haar dochter en zij.... haar dochter was aan de post.... zooals haar overleden man.... die was postdirecteur geweest.... En of Marie strijken kon?.... eens een stukje goed verstellen, als dat zoo voor kwam?....

Vrouw Plas keek al stugger, gebaarde stilzwijgend.

Dan dempte de Mevrouw haar dravende stem, zei op beteekenisvollen toon, of 't haar lijfspreuken waren, wat zij vond, dat een goed dienstmeisje toekwam, en wat zij daaromtrent háár plichten dacht. Ze had vroeger een meid acht jaar gehad, en een vijf.... dat was geweest toen "menheer" nog leefde....

Maar vrouw Plas liet zich niet vangen.--Verdraaid, as dat mensch niet uit den Oost kwam, en die kon je nooit vertrouwen.... Ze vroeg, zoo kortaf dat het brutaal klonk:

"Wat kan m'n meissie hier verdienen?"

"Veertien stuivers en tweemaal boterhammen," zei de Mevrouw, resoluut, over een innerlijke onzekerheid heen.

En toen de moeder besluiteloos, maar heel stuursch keek:

"'t Is om te beginnen natuurlijk."

"Merie het al twaalf stuivers en de volle kost gehad om te beginnen," zei vrouw Plas.

"Dan zal ze 't in die dienst ook wel niet lang gemaakt hebben," beet de Mevrouw terug. "Een kind, dat je eerder elf dan veertien zou geven," zei ze nog beleedigd. Den sleutelbos, dien ze al dien tijd in de hand had gehad, lei ze met een kwade rinkeling neer, nam 'm met de andere hand weer op. "Is ze wel gezond?"

Toen kwam er een weifeling door de duistere oogen der moeder gevaren. Zij gevoelde zich als op haar wondbare plek plots gestoken.

--Dáár hadt je 't weer!--dacht ze fataal.

Maar in instinctmatige zelfverdediging antwoordde zij kalm en beslist:

"'n Taai gestel, zeit de dokter."

Een verderen uitleg gaf zij niet.

"Zoo...." kwam de Mevrouw, schijnbaar nadenkend.

--Nu, ze konden het dan eens probeeren.

En op haar lijfspreukelijken toon, wier nerveuse heftigheid de moeder tot tegenspraak prikkelde en die haar toch overblufte ook, zei de Mevrouw nog een aantal dingen: dat de goede dienstmeisjes tegenwoordig dun gezaaid waren, maar de goede diensten al evenzoo.... en dat zij nooit van veranderen had gehouden.... en dat alle arbeid zijn loon waardig was, doch dat de mindere man tegenwoordig wel van "rechten" wist te praten maar van "plichten" niet hooren wilde....

Toen vrouw Plas opvallend gehaast dan weg ging, knikte de Mevrouw, verschrikt en mistrouwig, haar een schril goeden avond toe.

--Nou, zei Ant den volgenden middag,--die dienst, waar Merie nou kwam, dat most er een wezen van dertien in een dozijn en drie op den koop toe!.... Geen fabrieksmeid, of die had wel een nichie of een vriendin, die dáár weggeloopen was....

"Tja...." zuchtte de moeder.

"Merie wil het zelf....," zei ze een oogenblik later.

"Mót ze vast werk hebben of mot ze het niet?" vroeg zij nog weer, als in 'n grooten onvree met zichzelf.

Ant aarzelde even. "Ja, 't zal wel motten," zei die dan beslist, "en ze is er ook niet an getrouwd!"

Toen zuchtte de vrouw nog eenmaal en trok in een berustende ontmoedigdheid de schouders op.

En des Maandagsmorgens, om even voor achten, stond Marie Plas op het kleine bordes-stoepje van No. _27a_, het bovenhuis aan den Waterveldschen weg, waar Mevrouw Verscheer ter Gouwe woonde.

Zij zag er in de puntjes proper uit, brandschoone schort, glanzig mutsje, en zij had een warm hoofdje vol zelfbemoedigingen en vol goede voornemens.

Maar van den eersten dag af, dat Sprotje in dezen dienst kwam, had ze een weerzin tegen de menschen en een weerzin tegen het huis.

Mevrouw liet haar, om te beginnen, het salon bijschuieren, een salon, dat vol mooie meubelen stond; toen het klaar was, moesten alle gordijnen weer dubbel dicht, want grijsblauw was zoo'n "onvaste kleur" en de voorjaarszon "trok zoo uit"....

--Als er iemand belde, die boven gelaten moest worden, zoo gaf Mevrouw nog nadere verklaring, dan ging zijzelf wel gauw licht maken.... Daarna kwam Sprotje in een slaapkamer, die armoedig leek, en in het kleine huiskamertje moest zij stukken oud karpetgoed leggen, om het halfsleetsche vloerkleed nog wat te sparen. Sprotje, elke maal dat zij daarna iets binnen bracht, achtervolgd door schichtige "pas op's" van Mevrouw, stond duizend angsten uit, te struikelen over de opschoffelende bobbels en de omkrullende, rafelende randen. De looper op de trappen mocht alleen liggen tusschen twee en vieren, als er visite kon worden verwacht.

Sprotje vond het wel deftig, dat zij nu bij een heusche Mevrouw diende, maar zij had dadelijk al een vaag-sterk vermoeden, dat het bij die Mevrouw eigenlijk heelemaal niet deftig wás.

Mevrouw liep 's morgens in oude mooie-japonnen met veel slijtages en vlekken en glimmingen van vet; des middags zat zij een paar uur in kraak-nieuwe zijden blouses op haar balcon, maar bij regenweer verkleedde zij zich niet, en Sprotje moest zeggen, als er bezoek kwam, dat Mevrouw uit was.

Mevrouw praatte veel over den rijkdom van haar salon. Dure meubelen waren het, alles ebbenhout en gebrocheerd satijn.... de fluweelen gordijnen alleen hadden honderd gulden gekost en er stonden porceleinen bordjes in den bonheur, die hun gewicht aan goud waard waren.

Nee, dat begreep Sprotje wel, het was in dezen dienst zeker niet rijker en royaler dan bij meester Jonkers, en zij verwonderde zich waarom zij daar wel en hier niet tevreden was met de twee pillen van boterhammen voor avondeten en ontbijt.

Ze was bang voor Mevrouw; zij voelde dadelijk iets van onredelijkheid en wantrouwen en grillig humeur. Ze was ook bang voor de juffrouw, die koeltjes vriendelijk deed en ziekelijk bleek te wezen. Doch het waren bangheden, die haar niet gedwee maakten, maar kregelig en malcontent.

Mevrouw zei: "doe nou eens éven dit.... doe nou eens gáuw even dat," en dan waren het soms karweien, waar zij een uur lang de handen aan vol had.

Mevrouw had een opvallend heimelijke manier om vlak voor Sprotjes oogen zakjes weg te sluiten en schaaltjes mee te pakken, alsof er van alles zou genomen worden en gesnoept, en Sprotje kon geen boodschap doen of er was navraag en uitrekening, waarin duidelijk de argwaan lag van bedot te worden.

Met een zot grijnsje over zichzelf dacht het kind nu vaak aan de voorstelling, die zij zich eens gemaakt had van haar leven in een dienst: bij stille, goede menschen wonen, en daar alles zoo proper en ordelijk houden als 't maar mogelijk was, menschen die haar vriendelijk zouden binnenroepen en vragen of ze dit eens doen kon en dat.... En dan 's avonds knus zitten in een keurig keukentje, waar alles zou glimmen van 't zeepsop en het schuurzand en de poetspommade!

Hier, werd zij beknibbeld op een klontje soda en op een heiboendertje van anderhalven cent. Mevrouw sneed de vuurmakers half door en zij mocht toch maar twee stukjes gebruiken om 't fornuis aan te leggen. Mevrouw stal de kluitjes groene zeep uit den keukenpot, spaarde die op in de provisie-kast,--en zij moest met haar half pondje toch de week rond komen.--Veel zeep gebruiken was lui zijn, beweerde Mevrouw bij haar neus weg... zij moest er maar de botten opzetten, als zij boende,... ze hoefde niet bang te zijn, dat zij het hout pijn zou doen.... een zweetje moest er afgehaald, dat was gezond....

Mevrouw vergat nooit op de klok te kijken voor ze om een boodschap ging: ze moest de beenen maar onder den arm nemen, want ze was me een hardloopertje van luie kees....

"Lak met ouwels," zei Mevrouw gebelgd, als Sprotje volhield, dat het buiten nog geen acht uur had geslagen en de wekker kwart óver wees.... een tijdje later hoorde zij stiekem morrelen aan het werk. En op drukke dagen, als bij 't komen de tijd overeen kwam, en zij ging precies op haar tijd weg, dan was zij nauwelijks om den hoek van den Waterveldschen weg, bij 't Plantsoen, of de kerktoren sloeg half een....

Moest zij eens iets doen, wat zij nog nooit gedaan had of wat bizonder moeilijk was, dan keek Mevrouw haar spottend op de vingers en zei iets dat Sprotje niet begreep: "daar gaat een bok aan 't glazenmaken."

En toen zij eens, zenuwachtig van 't gejachte werk, zich diep in den vinger jaapte, vroeg Mevrouw: of er dan geen plaatsje naast was geweest?--en zij werd boos, toen Sprotje wat lang bezig bleef aan de pomp met uitwasschen en een doekje omwinden....

"Jij zal ook in geen twee slooten tegelijk loopen," zei ze....

En de tweede week al begonnen de strubbelingen.

Op een morgen kwam Marie zonder mutsje.

"Waar is je muts?" vroeg dadelijk Mevrouw.

"Die zal me moeder wasschen," zei het kind.

"Hei je dan maar één muts?" vroeg Mevrouw hatelijk.

"Ja," zei het kind.

Om twaalf uur kreeg Marie de boodschap mee, dat Mevrouw voor deze maal een week loon zou vooruit betalen en dat er dadelijk een tweede mutsje moest gekocht worden, en dat er iedere week een schoon behoorde te zijn....

Om twee uur kwam Marie met de boodschap terug, dat voor deze maal het heele loon voor een mutsje mocht worden gebruikt, maar dat ze anders vast iedere week tien stuivers voor het middageten moest laten staan, en dat moeder vond, dat er op veertien stuivers loon zeker niet iedere week een muts wasschen kon overschieten....

"Onhebbelijk volk!" zei Mevrouw, van terzijde.

Met een booswillig hart had Sprotje thuis het bescheid van haar moeder gehoord: natuurlijk gunden ze haar het plezier van dat mutsje weer niet.... maar met een nog booswilliger hart bracht zij woordelijk het bescheid bij haar Mevrouw over; zij begreep, dat tegenover Mevrouw haar moeder gelijk had.

Voor het eerst van haar leven was Sprotje zich bewust brutaal te zijn geweest, en zij vond er een genoegen in, het geweest te zijn.

Toen de tweede Vrijdag in dezen dienst aanbrak, zei ze met een geniepig-stil stemmetje: as dat ze van middag maar tot drie uur zou kenne blijve, want as dat ze naar de catechesatie most....

Achter een hoestgeluid en de hand voor den mond verborg zij een lachsperrinkje--Tjee! wat zou er nou komme....

Mevrouw was geschrokken.... Mevrouw keek nijdig.... Catechisatie?.... was dat bij het in dienst komen bedongen?.... en ze wist toch dat er vanmiddag bezoek kwam? Mevrouw keek ook achterdochtig. Sprotje voelde dat ze dacht: "Lak met ouwels, catechisatie.... langs de straat dweilen met andere doenieten van meiden!"

Maar toen Mevrouw hoorde dat Marie Luthersch was, trok haar gezicht plotseling besluiteloos; zij had goede kennissen, die Luthersch waren, ze wou daarbij niet in een slechten dunk komen....

En met een verongelijkt en schril gezicht zei ze iets, dat als een dreigement was en een toestemming tegelijk.

Achter in de kleine, witgekalkte consistoriekamer, met zijn twee hooge boogramen half-weg tusschen de bijgetrokken groen-saaien gordijnen--in dien rustigen schemer van groen en wit, zat Sprotje naast de laatstgekomene meisjes en keek rond. Ze was wel heel moe, ze kon het al leelijk voelen, dat ze weer twee weken gediend had en ze was wel wat bang ook, dat domeni haar zoo meteen opmerken zou, want ze kende haar vragen niet...... maar het meisje naast haar vertelde, dat domeni ook zes weken ziek was geweest en dat ze verleden week voor het eerst weer niet naar huis werden gestuurd.... er waren toen maar vier meisjes geweest..... Later in het uur zat Sprotje zoo maar stil te soezen; 't was zoo vertrouwd en zoo prettig daar weer te wezen, en vooral ook had zij de verkneukelende voldoening, dat zij hier nu lekker rustte, en dat haar Mevrouw zelf de deur kon opentrekken en naar den pot moest kijken.

Maar den volgenden Vrijdag was Sprotje zoo àf, dat ze om drie uur regelrecht naar huis ging en in den leunstoel in slaap viel.

Iederen middag om twaalf uur sjouwde Sprotje van den Waterveldschen weg naar het Dijkje, een kwartier gaans, en om kwart voor tweeën sjouwde zij weer terug van het Dijkje naar den Waterveldschen weg. Zij moest een lange, schaduwlooze straat door, waar zij op warme dagen het soms te kwaad kreeg van de hitte; en bij regenweer slierden haar de sluike katoenen kleeren zoo vermoeiend om de beenen, dat zij twee, driemaal stil moest staan om uit te blazen; haar armen waren altijd zoo pijnlijk loom van het werk, dat zij al moeite had het oude regenscherm te torsen; de vrije hand verslapte vaak in 't ophouden van de klamme kleerenvracht. In den aanvang van de week liep zij soms al met een breeden modderrand aan haar rok; eerst waschte zij die 's avonds nog uit; later was zij zoo overmoe, dat zij er enkel maar verdriet van had, zonder moed meer tot alweer nieuwe moeite.