Sprotje heeft een dienst

Chapter 3

Chapter 34,114 wordsPublic domain

Dan schrok zij, veegde schielijk met den bovenkant der handen langs haar betraande gezicht: Herman, uit school gekomen, had zijn hoofd om de deur gestoken... hij maakte dadelijk rechts om keer naar de huiskamer, en een oogenblik later was juffrouw Jonkers in de keuken.

--'t Zou wel wennen, 't zou wel wennen!.... troostte die met overreding ; 't was altijd wat vreemd in 't begin.... en als je dan nog nooit van huis was geweest.... na het avondeten moest ze maar vroeg onder de wol kruipen....

Het kind voelde al de plotselinge genegenheid van dien morgen weer opleven in haar hart.

"Een lief mensch!.. wat een lief mensch!" dacht ze.

Even sloeg ze haar bedeesde, roodgeweende oogen op, had snel een blik, maar die vol warmte was.

En zij schaamde zich, dat zij nog zoo'n kleintje was, en zoo weinig flink.... dat zij zoo weinig uit den weg te helpen wist. Zij had een uiterste strekking van haar wil, en haar vermoeienis leek eensklaps verzwonden.

Zij hielp mee tafeldekken, hielp nog de kopjes weer wegwasschen; zelf had zij maar één van de drie dikke hompen berogd wittebrood met haar kom koffie er door kunnen spoelen.

En toen zij eindelijk, met haar olielantaarntje naar boven trok, was ze zoo wonderlijk duizelig op de beenen en zoo ijl in 't hoofd, dat zij niet eens goed het kamertje zag, waarnaar ze zoo verlangd had,--nauw begreep, dat het eigenlijk geen kamertje was, een afgehokt stukje zolder met wanden van een sitsen gordijn en twee papierschotten. Als in een schrillen zwaren droom, werktuigelijk, stapte zij uit haar kleeren, en kroop rillende onder den deken, op het lage zwiepende bed.

Maar met de dagen, die kwamen, wende Sprotje in haar dienst. Zij wende aan het werken, wende aan het moe-zijn; zij wende aan het plagen van de kinderen, aan de barschheid van meester Jonkers, en aan het soms slechte humeur van de Juffrouw zelf.

Wat haar nog het best op de been hield, dat was juist wat er aan treurigheid en moeite zich voordeed in het huis, waar zij leefde.

Als juffrouw Jonkers 's morgens, met de diepe, blauwe striemen van onuitgerustheid onder de oogen binnen kwam, en met de hand in de zij haar pijnlijken rug in postuur zette, dan vergat het kind hoe zijzelf daar juist nog gewenscht had, dat het al maar weer avond was....; als de Juffrouw haar af snauwde en zich boos maakte om niets, dan, met haar oud-vrouwtjes-verstandigheid, dacht ze: 't is haar schuld niet.... 't zijn de zenuwen, de meester was weer lastig van morgen.... en zij zweeg; als de Juffrouw, 's middags, aarzelend, van de drie plakjes spek op haar bord er toch nog een terug nam, dan at Sprotje er aan die twee genoeg--thuis kreeg ze immers nooit vleesch,--en 't was hier ook niet uit overdaad, dat ze haar zoo beknibbelden....

Van wie, al heel gauw, Sprotje nog veel meer hield dan van juffrouw Jonkers zelf, dat was van Wilmpje; klein Wilmpje, die den halven dag op den arm werd rondgezeuld, en met zijn geduldige, zachte gezichtje en zijn zachte, vriendelijke oogjes zich maar overal heenbrengen liet. Hij stak zoo frisch in zijn kleertjes, hij rook niet vies, en hij huilde zelden. Op klein Wilmpje was ze dol. Te verlegen voor lieve naampjes of spelletjes als de Juffrouw er bij was, nam Sprotje gretig elken kans waar, dat ze hem alleen kon vinden, om gauw even haar zotste grijnslachjes tegen hem te lachen en voorzichtig, met den wijsvinger, hem onder het kinnetje te komen. Aandachtig en verbaasd, in zijn hoogen kinderstoel, zat Wilmpje haar dan aan te staren; zijn spelletje liet hij varen; het natte, ronde mondje ging ál zoetjes wijder open, soms kwam er een zweem van een glimlach in het bolle van zijn bleeke wangen.

Maar voor Herman was Sprotje bang. Zij was wel met hem begaan, omdat hij zulke slechte oogen had, en zoo verlegen was over den bril, dien hij droeg, en als hij maar vriendelijk wou zijn, reeg zij hem wel 's morgens zijn laarzen dicht of gaf hem stilletjes een bruine boon voor zijn sponsedoos.... maar zij was nooit zeker, dat hij een kwartier daarna niet met zijn treiterigste gezicht door de gang zou loopen en dreigen van: "Spr.... Spr.... Spr...." Voluit schelden deed hij nooit, omdat hij vreesde, dat de ander misschien zijn bijnaam van Koontjekak zou kennen, en die wou hij voor zijn zusters verbergen.

Ook op die zusters was Sprotje niet gesteld. Dat Christientje 'r soms plaagde met opzettelijk dingen te vragen, die ze niet weten kon, of iets vertelde en 'r dan uitlachte, als zij 't geloofde;--dat Coba, de oudste, die wou dat ze "jongejuffrouw" zei, zich bedienen liet meer dan juffrouw Jonkers zelf, haar schoenen in de keuken terug bracht als ze niet glommen naar haar zin en 'r altijd haar jurken wou laten uitborstelen, dat alles vond Sprotje wel niet prettig, maar ze verdroeg het gedwee; van den morgen tot den avond waren ze zoo netjes, ze hielden zich altijd zoo schoon, ze hadden zulk mooi haar en ze liepen zoo keurig, ze moesten vaak zoo lachen met elkaar.... voor het eerst van haar leven begreep Sprot je iets van de vele kleine vreugden en jeugdigheden, die zij nooit gekend had.. Maar er was een weerzin, een vijandschap bijna in haar hartje tegen die vroolijkheid en die keurige kleeren, als zij 's avonds laat nog juffrouw Jonkers, zelf in een oude ochtendjapon, bloesjes zag staan strijken en kraagjes en dassen; als zij dagen lang soms juffrouw Jonkers zich haar elfuurs kopje koffie ontzeggen zag, omdat er weer een nieuw haarlint moest gekocht worden, of een kuifkammetje of een ceintuur.... en als dan Coba nog snibbig "ajasses, moe!" zei, als de Juffrouw haar Koosje noemde, zooals ze eigenlijk te heeten scheen, of als Christien 'r neus, optrok voor de luiers, die in de waranda over een touwtje hingen en haar vader napraatte van: "dat hoort niet".. dan haatte Sprotje die beiden uit den grond van haar hart.

Meester Jonkers zag zij weinig en zij bleef hem schuw uit den weg.

Des morgens, vóór zonsopgang, de eerste, was Sprotje in de kleeren. Bij het kleine schijnsel van haar veiligheids-pitje spookte de huiskamer zwart en schemerros en zij was er bang, bang voor het duister, bang voor de plotselinge lichtschimmen, bang voor den zwarten bout, die over het blind zat, en nog banger dien er af te nemen en de rinkelende glasdeur te openen op de nachtelijke waranda.

Zij moest alles stil doen om Herman niet te wekken, en de bout ging stroef.... in duizend angsten duwde en trok zij boven haar kracht.... als bonkend de ijzerstaaf uit den spang schoot, beefde Sprot je, dat zij te veel geweld had gemaakt, huiverde voor 't dwalende schemerduister, dat door de bedropen ruiten vaagde. Dan, als zij met een schrillen ruk de eene glasdeur opengetrokken had, blies de wind van over de weilanden haar klam in het gezicht....

En één kleine kamer voor vijf menschen en een kind, dat gaf veel stof!.... tjee, iederen morgen moest zij het zeil nat opnemen en het harde, koeharen karpet schuieren.

In elkaar geschurkt, haar kleine lichaam als gebroken van het beukende werk, wroette en wrong zij over den grond als een vertrapt insect. Tappelings liep soms het zweet haar langs de slapen. In 't eerste wittige morgenlicht, waar nog haar lantarenschijntje door heen vaalde, werd haar gezichtje van een schrille verwezenheid en een smartelijke spanning, die de komende uren daar niet meer af zouden trekken en die pijn deden te zien.

En òp dan!.... de melk had gebeld.... kil kwam de morgen van de bleeke straat de gang in gevaren.... en haasten!.... het ontbijt moest op tafel staan!.... en naar voren weer, de bakker was aan de deur! Juffrouw Jonkers verscheen met klein Wilmpje op den arm. Gauw! Gauw! klein Wilmpje moest zijn melk hebben.... Dan, huiverig en heet tegelijk stond zij weer te worstelen met de groote deurmat, die zij uit moest slaan tegen den huisgevel....

Als een kleine verworpeling zat zij alleen in de koude keuken en at haar schriel gesmeerde morgenbrood.

Zij jakkerde de uren door tot het middageten en jakkerde de uren door tot den avondboterham; zij had nooit honger, maar zij at wat haar gegeven werd; zij at met denzelfden strakken wil, waarmee zij haar werk deed; ze wou eten, ze wou werken. 't Scheen ook dat dit lichaam, dat niet dan slechte voeding gewend was, in den weinigen vleeschkost, dien men haar, zóó schaars anders, toemat, een plotselingen prikkel tot weerstand vond.

Toen zij een dag of wat gewend was, en de Juffrouw niet meer praatte van na den avondboterham onder de wol kruipen, zat ze 's avonds binnen.

Meester en de twee meisjes werkten in de "studeerkamer," en juffrouw Jonkers zei het ronduit: drie lampen iederen avond, dat was te duur.

Sprotje moest haar stoel meebrengen uit de keuken.

Duizelig verlegen, maar van een gelukkige verlegenheid, zat zij, onder het oog van juffrouw Jonkers, naarstig gebogen over haar werk, den altijd weer aanwassenden berg verstelgoed en kapotte kousen.

Gepraat werd er weinig of zacht, want Wilmpje, achter de opengezette kastdeur, sliep in zijn kinderwagen en Herman sliep in de alkoof.

Maar Sprotje vond het heerlijk; haar voeten hoog van den grond op een stoof, waren warm; warm was het roode schijnsel door de fronselpapieren lampekap; en warm was het zwartgebloemd roodwollen tafelkleed, met aan den anderen kant het lichtje onder de koffiekan van het avondmaal.... de meester moest altijd een kop nà hebben, onder het werken, en restte er, dan schonk de Juffrouw voor Marie en voor zichzelf ook nog een kommetje, met een scheutje water erbij..

Leunend in den wijden rug van den rieten warandastoel, die zij met bedkussens had opgevuld, raakte juffrouw Jonkers van lieverlede wel wat uitgerust; en als ze maar uitgerust was, dan was ze ook wel goed geluimd en nog lustig van hart. Een der eerste avonden vertelde zij aan Sprotje, dat zij, vóór haar trouwen, op hun dorp het "jolige Dekkertje" werd genoemd, en zij deed, al fluisterend, nog meer korte, koddige verhaaltjes, die het kind met een groote bewondering vervulden, en waarover zij, met een hooge kleur en opgetrokken schoudertjes, haar lachen te verbijten zat.

Maar soms kwam ook, strak en streng, de meester binnen, klaagde kortafgemeten, dat de lamp piekte, de petroleumkachel stonk, of dat de inktkoker vol vuil zat.... dan was voor dien avond juffrouw Jonkers' goede bui voorbij; zij zag plotseling erg moe en er lag een vreemde verslagenheid over haar geheele wezen.

Als "meneer" binnen kwam, zoo was Sprotje geleerd, moest zij dadelijk haar werk opnemen en naar de keuken gaan; met een schuwen afkeer sloop zij langs den kleinen rood-gebaarden man heen; een enkele maal had zij den vinnigen blik opgevangen, die zijn borende oogen wierpen naar den leunstoel vol bedkussens, waaruit haastig juffrouw Jonkers was opgerezen....

En zoodra er tegen het eind van den avond in de "studeerkamer" stoelgeschuifel kwam, een paar kletsjes met boeken opklonken en luider gepraat--de meisjes hadden haar werk klaar en gingen binnen komen--dan zei de Juffrouw dringend: "Kom, Marie.... gauw naar bed, kind!" en zij dreef haar de kamer uit, nam schielijk en steelsgewijs nog wat rommel weg, die er op tafel was komen te slingeren.

Den eersten Zaterdagavond mocht Sprotje twee boodschappen in de stad doen en bij haar moeder aangaan;--zij was die week nog niet verder geweest dan de stoep van meester Jonkers' huis. 't Was het kind een zeer onwennige gewaarwording, dit naar huis gaan. In haar schoone kleeren, met een pakje vuil goed onder den arm, liep zij de Hanekamp langs en het Dijkje op, zoo nieuw en raar, of zij in jaren daar niet gekomen was.

Moeder en Ant zaten thuis; ze verwelkomden haar vriendelijk en met een nieuwsgierigheid, die het kind streelde; maar zij had óók de schuine en argwanende blikken naar het pakje goed gezien en dat maakte haar onrustig.

--En hoe of ze 't nou wel had gehad?.... waren ze goed voor haar?.... kreeg ze genoeg te eten?.... kon ze 't werk af?.... vroegen de twee vrouwen.--Ze zag er moe uit, maar dat kwam zeker met den Zaterdag.... De moeder vertelde, dat zij tweemaal was langs gekomen, maar de eerste maal had zij de Juffrouw en haar samen in de slaapkamer bezig gezien en had toen niet willen storen, en de tweede maal stond er juist een jongentje aan de voordeur, die zei, dat Marie op broer paste, want dat zijn moe boven was.. ze had toen nog even gewacht, maar ze moest zelf ook aan 'r werkhuis wezen.

Het kind knikte; ze vond het prettig, dat 'r moeder tweemaal nog zoo'n eind voor haar was komen loopen. Dan haalde ze haar beursje te voorschijn en de moeder kreeg Sprotjes spaardoos uit de ladekast; bij de drieëntwintig centen, die ze al had, kwamen de twee kwartjes en het dubbeltje van haar eerste weekloon. Toen de vrouw het doosje weer was gaan wegzetten, zat het kind maar met stil-verbaasde blikken in de keuken rond te zien, of ieder ding iets zeer belangrijks voor haar was geworden; soms kwam er even een vreemde trekking om haar mondje, een beving langs haar wang....

"Zeg, simmetje, kijk er al het moois niet af!" zei Ant, die goedig-vermaakt dat oogenspel had waargenomen.

De liter melk van de Veerbrug kwam ook nog even ter sprake.... ja, ja, het was in orde hoor!

"En wat is dàt?" vroeg dan eindelijk vrouw Plas, met voorgewende verwondering op het pak naast Sprotjes stoel wijzend, want ze wist heel best wat het was.

"Mijn vuile goed," zei het kind schuw.

"Wel nou nog en toe!" maakte de moeder zich eensklaps boos, "je bent in een volle dienst, dan ben je toch ook in de wasch.... dat goed mot toch in de wasch bij de menschen, waar je dient...."

"'t Mág ook in de wasch bij de menschen waar ik dien," zei Sprotje, als een heftige verdediging van haar juffrouw Jonkers, die zij aangetast voelde.

"O!.... nou!.... en wat dan?" vroegen zwijgend de twee paar diepe, zwarte oogen van moeder en Ant.

"De Juffrouw laat om de veertien dagen wasschen.. 'k ken geen veertien dagen wachten," zei Sprotje bot.

De oogen der moeder verzachtten in een aarzeling: --ja.... als 't zoo zat.... Maar Ant begon te lachen.

"O! dat kenne we," zei ze schamper. Ze had daar wel over hooren praten op 't fabriek, door meiden wier zusters dienden. "Wasschen om de veertien dagen!.. dan kan 't meissie niet wachten.... mot de moeder wel bijspringen.... 't gewone foefie hoor!.... een foefie uit de kakdienstjes van een volle meid voor half geld!"....

"Hadt jij dat nog niet begrepen, kleine sufferd?" vroeg ze goedmeens achteraan.

Maar Sprotjes oogen staken van booswilligheid.

"As ik fesoenlijk drie jurke had, en de rest, kon 'k wachte," zei ze gedempt-fel:".... zou 'k hier niet hoeven te bedelen.... 'k Zal me wasch wel betalen!.. 'k Zal zelf wel een nieuwe jepon koopen, as 'k 't geld heb!"....

Toen sloeg de moeder aan 't lamenteeren:

--Drie jurke!.... en de rest!.... God nog en toe!.... en wie had dat allemaal motten opbrengen?.... en zou de juffrouw nou wel betalen voor d'r wasschie? .... wie had de juffrouw weken lang voor niks de kost gegeven?.... Was 't nog niet mooi genoeg, dat ze d'r heele loon sparen mocht?.... Hoeveel meissies, die 't moste afgeven tot ze drie en twintig waren?....

--Zij, toen ze twaalf jaar was, droeg al geen stuk aan 'r lijf, dat ze niet zelf had verdiend.... steenen-dragen voor 't steenfabriek.... 's morgens, 's middags, 's avonds, tot ze d'r bij neer viel.... En 'r heele leven verder, werken, werken!....

"Jij schijnt daar astrant te worden, bij die meester in huis," zei Ant boos tegen het kind.

Sprotje, met een heet-toegetrokken hoofdje vol zelfbeklag, bleef eerst blind voor die verwijten: zij dacht aan juffrouw Jonkers, hoe die 's avonds na negenen nog kleeren stond te strijken voor Coba en Christien.... maar voor haar!.... voor haar deden ze niks thuis.... ze vonden 't nog mooi, als ze 'r 't geld niet afnamen, dat ze toch zelf verdiend had!....

Dan wierp ze een schielijk-onderzoekenden blik op haar moeder.... Ze hàd wel weken thuis gehangen.... dat wàs wel zoo.... en moeder liet 'r nou wel alles houen, terwijl ze 't zelf zoo best gebruiken kon....; en ze dacht ook: steenen dragen als je nog geen twaalf jaar ben!.... Ze had die klacht al vaker gehoord, maar 't was nog nooit zoo tot haar doorgedrongen als nu. Er versprong iets van meelij-hebben en vergiffenis-vragen in haar oogen, en al haar heftigheid keerde zich tegen Ant. Ant.... wat had Ant te zeggen?

"Jij verdien wel vier gulden in de week!" viel ze bitter uit.

"Mot je óók naar 't fabriek gaan, meid!" zei de oudere zuster; ze zei het zachtzinnig, want zij bedoelde het goed, als een verstandige raad.

Sprotjes gezicht trok hard en gesloten.

"Leg maar neer, dat pakkie," kwam toen eindelijk de moeder; "'t zal dan wel klaar komme, al zeg ik er nou 't mijne van...."

Toen werd het tijd, dat vrouw Plas haar Zaterdagavond-waschjes ging rondbrengen bij de klanten en met hun drieën trokken zij op weg.

Dien Zondagmiddag zat Sprotje, zooals zij elken Zondagmiddag voortaan doen zou, stilletjes in den leunstoel aan het kamerraam, en als 't begon te schemeren en zij het koud kreeg, dook zij weg op het lage waschbankje bij het keukenfornuis; zij zat maar suf en dof haar overgroote vermoeienis uit te vieren.

"Slapertje, gapertje, kijk-in-de-pot!" zei de moeder, en ook de anderen plaagden wel even, maar alles ging vreemd aan het kind voorbij, en toen lieten zij haar.

In 't begin van de tweede week, als Sprotje weer 's avonds met 'r keukenstoel kwam aandragen, zei juffrouw Jonkers: "Laat maar, Marie, je mag er wel een uit de kamer nemen."

Sprotje voelde het als een groote onderscheiding en dat was het ook. Juffrouw Jonkers was haar bizonder goed gezind.--Dit kind maakte zich niet toe als de andere wurmen, die ze wel in huis had gehad.... die pikten al den derden dag van de week.... die bleven met 't smeer van 'r kleeren kleven op de stoel, waar zij zaten.... Maar Marie.... Zij was zoo dankbaar vaak! Nog geen brutale mond had zij gehad, nog geen stukje was er gebroken!.... Dan overlei ze bij zich zelf of zij dit kind wel genoeg spaarde, of zij 't wel gaf wat het hebben moest,... 't was zoo'n min kind!.... Maar lang overlei ze ook al niet; het werd haar te wonderlijk zwaar om het hart, want zij wist heel goed, dat dit kind meer werkte dan het kon, en dat het níet kreeg, wat het behoefde. Maar wat zat er anders op?.... Zijzelf deed immers al veel meer dan haar krachten toelieten, en zij wist van een dubbeltje ook maar tien centen te maken.... Nog geen zes stuivers per dag voor de man kon ze uitgeven.... meester Jonkers had wel bijna het dubbele noodig, en de meisjes studeerden, en Herman was in zijn groei.... wát bleef er over voor een meid en voor haar....?

Sprotje, de voeten als twee gedweeë beestjes naasteen op een stoof, ver achter op de zachte trijpen zitting gezeten en haar pijnlijk ruggetje rondend in de gebogen leuning, was stil en dankbaar en stopte kousen. En sinds zij zich wat thuis voelde, zat haar hoofdje ook vol kleine zorgjes en bekommernissen voor het gezin, waarin ze nu verkeerde. Zoo wat sluiperig kon ze de moede, grijze oogen opslaan van haar werk en met haar temerig zacht praten opeens vragen:

"Júffrouw, hei je de blinden in de slaapkamer wel dicht gedaan?"--of: "Júffrouw, motte we morrege wel drie brooie nemen van de bakker?"--of, met een schrikje plotseling: "Júffrouw, hadde we Wilmpie z'n speen wel uitgespoeld van avond?"

De eerste malen, dat zoo, schuw en zonderling, Marie uit haar hoek schoot, had juffrouw Jonkers het lachen niet kunnen laten. "Ze mosten jou moeder van't Ouwe-mannenhuis maken," zei ze eens.... Maar met den tijd begon haar dat zorgend denken een welkome steun te worden; als twee wikkende en wegende huismoeders bespraken zij samen de moeielijkheden van den dag.

--Vónd de Juffrouw niet, dat Christientje erg bleek had gezien vandaag?--Ja, juffrouw Jonkers had dat ook opgelet....zij dacht al lang over een bordje oat-meel 's morgens, uit water, met een scheutje melk erin, dat was al heel versterkend....z e had het uitgerekend, 't kwam op een twaalf stuivers in de maand. Sprotje had wel eens gehoord van haverdepap, en van gort uit een bus,.... maar dat was te duur, zei de Juffrouw. Zij schudden de hoofden over ál dat leeren, dat je doen moest om wat te worden tegenwoordig.... Op school was 't al zoo moeilijk, en dan nog iederen avond les apart.... De meisjes moesten Woensdag maar niet met de kamerbeurt meehelpen, eens den middag uit wandelen gaan.... Ja, dat leek Marie ook het beste. Zij droeg de twee al geen kwaad hart meer toe.

En dan praatte juffrouw Jonkers soms over de booze buien van "meneer,".... den heelen dag met die groote klasse kinders optrekken, en het "Hoofd," dat altijd weer wat nieuws wou, en altijd wat aan te merken had!.... Zij deed kleurige verhalen, van hoe een vroolijke en gezellige man "meneer" was geweest, voor zijn betrekking en al zijn zorgen hem zoo in z'n zenuwen hadden aangepakt. Daar moest ze nou toch geduld mee hebben, niewaar? 't Was zijn schuld niet.. Vroeger, in 't huis op de Turfgracht, hadden ze kostjongens gehad, maar dat kon hij heelemaal niet harden. En zoo ging het.... op school moest ie zich goedhouden en dan, thuis, liet ie zich gaan....

Met haar ouwelijk hoofdknikken femelde het kind iets van: ja, zoo waren de mannen....; maar zij begreep best, wat de Juffrouw vertelde, en zij zag meester Jonkers weer met vriendelijker oogen aan.

Dan, altijd, op 't laatst van den avond, kwam voor Sprotje het heerlijkste oogenblik van den dag: vóór dat meneer en de meisjes binnenkwamen, moest Wilmpje geholpen. Overdag had ze nooit veel tijd om daar bij te zijn; nu mocht ze de versche luier warmen, terwijl de Juffrouw hem op zijn potje zette; ze keek toe, hoe het kindje soezebollend tegen zijn moeder aanzat, tot eindelijk, even maar, er iets tinkelde, en met een diep-zacht zuchtje hij zich neer liet leggen, en al weer sliep, als, werktuigelijk, hij zijn bleeke mollige beentjes nog omhoog stak voor 't verluieren.

Soms, als ook het pak onderleggers vocht was--wanneer zou dat kind toch eens zindelijk zijn! klaagde vaak de Juffrouw, Christientje was 't al met de elf maanden geweest!--dan mocht Sprotje hem op schoot houden, terwijl de moeder het bedje voorzag.

Ze oogde neer op zijn weeke wangetje, warm rood van 't slapen, en daarover heen zag ze zijn malsche halsje in, zoel binnen het flanellen nachtpon-kraagje; zijn witte voetjes borg ze in den wollen doek, die juffrouw Jonkers over haar te koude schort had gelegd, en met haar gezicht dicht op zijn wit-vlassen haartje, in haar gebogen moedertjeshouding, rook ze een heerlijk zoet-zwoel luchtje....--Net of 't van een diertje was, dacht Sprotje;--zoo'n engel!

Soms zuchtte hij in zijn sluimer of werd even wakker met een geeuwtje en een flauw oogstreepje, dat niet zag, en Sprotje, zorgzaam koesterend het teer-warme leventje tegen zich aan, voelde een gelukkigheid, als zij nimmer te voren had gekend.

En zij ervoer het nog, een donzige lichtheid binnen in zich, terwijl zij met moeilijke stramme beenen van 't opstaan ineens na een dag zwaar werk, en met een gebroken rug, juffrouw Jonkers de kinderwagen den gang door naar de slaapkamer hielp verdragen, of als zij, slaperig-rillend en op den tast, in de kille donkere keuken de natte stukken over 't lijntje hing.

Toen Sprotje, aan het eind van de tweede week, voor de tweede maal haar twaalf stuivers had gebeurd, nam zij 's Zondagsmiddags, terwijl er niemand thuis was, vier kwartjes uit het gleufdoosje, waarvan zij zelf het sleuteltje bewaarde, en den Dinsdag daarop kocht zij zich, in een lang begluurd winkeltje op 't Broerekerkplein, een mutsje van vijfentachtig cent.

't Was een mutsje van fijn geplooide tule, met een geborduurd, neteldoeksch bodempje erin, en langs de breede keelbanden liep aan de onderzijde een open zoompje en een kantje van een vingerbreed.

Sprotje had nog nooit zoo'n mooi mutsje gezien; de meiden aan de Veerbrug droegen er geen fijnere! Zij had ook nog nooit voor zichzelf iets gekocht, dat vijfentachtig cent kostte!

Juffrouw Jonkers wist niets van de plannen. Toen het kind bij uitzondering dien dag om een boodschap was gestuurd, had ze den koop gesloten.