Chapter 2
"Zal je je Zondagsche jak antrekken?.... zal je je beste schort voordoen?" had het kind gebedeld. "Zal je vragen, of ik ook mutsjes mot dragen?" drong ze op 't nippertje nog, haperend omdat ze bijna niet durfde, en wat heesch door de felheid van haar begeerte; de juffrouw had daar gister en vandaag niet over gesproken.... misschien had ze 't vergeten, zou ze nou die voorwaarde nog stellen....
Maar de moeder trok de schouders op. "Ho! mutsen..!" zei ze wegwerpend, "en wie dacht je, dat die betalen most?"
"Kind," waarschuwde Ant, "stel je niet voor, dat je bij de rijkdom komt; in de Drie Alleetjes is het kale boterhammen en een veertje op den hoed."
"'t Is een mooi huis,.... een dubbel huis!".... verweerde zich Sprotje.
"Och wát, meid, 't benne huisies van één verdieping," zei Ant goedig.... "een ondermeester..!"
Vrouw Plas ging.
Bij meester Jonkers werd ze door een aankomend meisje in een schemerig vertrekje gelaten, waar aan den eenen raamhoek wat licht van de lantaarn-op-straat viel; een kaal vertrekje, met midden tegen den leegen zijwand eene langwerpige wasdoektafel; aan de drie vrije kanten daarvan stond een stoel bijgeschoven en er lagen boeken op. Ook was er nog, vaag-glimmerend in den lantaarn-schijn, een rieten tafeltje van twee verdiepingen, met boeken volgestapeld; daarboven, verward door bloemen-en-vogel-schaduw van het gordijn, vlakte op het duister-lichte behang een lichtere landkaart; aan 't andere gordijn dook een kleine rieten leunstoel weg.
Vrouw Plas bleef midden in het kamertje staan.
Een oogenblik later kwam er een vlot van beweging zijnde juffrouw binnen, een lucifersdoosje klaar in de hand; en dadelijk deed die in den wit porceleinen ballon boven de wasdoektafel een kleine gasvlam aanzuigen. Dan groette ze. Zij was bleek en zóó licht-blond, dat het bijna niet te onderkennen viel hoe sterk ze reeds grijsde, en haar oogen waren van een flauw en wazig blauw. Zij zette zich aan het eene korte eind van de tafel, wenkte vrouw Plas naar den stoel tegenover haar; de groenleeren schrijfstoel in het front bleef leeg.
"Dit is het studeerkamertje van de meester," zei ze, "na het avondeten zitten hier ook mijn twee dochtertjes,.... die werken voor d'r examens."
Ze zei het opgewekt en bijna vriendschappelijk; haar stem had diep-in iets dofs, als van wie gewend is altijd moe te wezen.
"En nou zou m'n meissie hier komen dienen?" vroeg vrouw Plas.
Juffrouw Jonkers knikte, een beetje verlegen, alsof zij zich tegenover de moeder-zelf schaamde, dat zij het met een zoo zielig slag van dienstbode zou moeten stellen.
--Er waren wel verscheidene grootere meisjes op haar advertentie gekomen, vertelde zij,--maar zij was verleden week bij de naaischool-juffrouw aan de Turfmarkt geweest.... die had niemand gehad, praatte alleen even over een Marie Plas.... maar ze dacht, dat die op een fabriek was terecht gekomen.... en nu kwam gistermorgen diezelfde Marie Plas zich toch aandienen....
"Ze is wel op 't fabriek geweest," verontschuldigde de moeder, "maar ze had er geen tier; 'r hart staat op dienen." Van 't kind 'r gezondheid repte zij niet.
"Zoo? dient ze graag?" sprong wat happig de juffrouw bij; "dat 's een groot ding.... als je plezier in iets hebt...."
Vrouw Plas keek het kamertje nog eens rond:--'n kale boterham, dacht ze.... en de veertjes op den hoed zouen wel niet overhouden.... geen kwaad mensch anders.... maar een japon van zeven stuivers de el op een uitverkoop....
"'k Heb eerst lang geäarzeld," kwam dan juffrouw Jonkers haar te groote gretigheid temperen; "ze ziet er nog wel wat heel klein en heel min uit."
"Ze mot nog veertien worden," zei gedweeër de moeder, "ze kan nog groeien.... en de dokter zeit: een taai gestel."
"Zoo!".... zei nog eens, te happig, het vrouwtje.
En de moeder weer afwerend:
"Ze mot alleen geen jacht hebben."
Maar juffrouw Jonkers knikte opgewekt.
--Een taai gestel, dacht ze, dat hadt je meer met van die bleeke kinderen....
Ze was zoo bang geweest voor bezwaren van gezondheid, dat ze er niet dan zijdelings op had durven zinspelen.
--Och, ze had al zooveel van die onbehouwen schrok-oppen van meiden gehad, die 'r meer opaten dan dat ze er hulp van kreeg en waaraan ze klein Wilmpje nog geen kwartier dorst toe te vertrouwen.. dit leek zoo'n bedaard en ordentelijk kind....die zou wel willig zijn, zou 'r niet afbekken, zou ook niet zoo'n brok uit de dagelijksche kost happen....Na Wilmpje kon ze 't niet meer af met een halve hulp van vijf, zes uur per dag....ze moest er wel een voor dag en nacht nemen.... er was nou tè veel te doen, en ze was zelf zoo sterk niet meer....; en die kinders die 's middags en 's avonds naar huis gingen, die stalen ook dikwijls zoo.... iedere keer een handjevol steenkool in den zak, een kluitje vet, een stukje soda.... en het ongedierte, dat ze vaak meebrachten uit 'r sloppen.... Och! of dit nu eens gaan mocht! Ze zou dit kind wel ontzien moeten.... zooveel als 't kon natuurlijk.... als ze maar niet brutaal was, 'r niet zoo zenuwachtig maakte.... en hun niet te veel kostte....
Maar dan werd ze toch even bevreesd voor het wat bazige zeggen der moeder over geen jacht hebben....
"Ze zal hier met haar leegen tijd anders wel raad weten,".... meende ze even ernstig te moeten opmerken, "een gezin van zes personen...."
"Maar 'k werk zelf den heelen dag mee," zei ze dadelijk erop, geruststellend; "en wij hebben een klein huis, drie kamers beneden, en nog twee kleine op zolder...."
"We kunnen 't eens probeeren nie-waar?" besloot ze eindelijk met overreding.
Vrouw Plas knikte:--ja, ze konnen 't eens probeeren....
Haar lange gezicht stond zeer zorgelijk en beducht; maar dan dacht ze met een schrik;--hier.... of ergens anders....of nergens....'t kind kwam immers toch niet in een rijkelui's dienst te land....
"Twaalf stuivers in de week, en de volle kost, middageten ook, en slapen?" vroeg ze nog.
"Natuurlijk," zei juffrouw Jonkers.
Toen zwegen ze beiden, keken voor zich neer op de glimmende wasdoektafel.
Vrouw Plas voelde vaag een onvree: ze most toch eigenlijk nog wat vragen....over de zwaarte van 't werk, en hoe laat 's avonds gedaan en hoe vaak vrij....
Juffrouw Jonkers voelde hetzelfde: ze moest toch eigenlijk vragen wat het kind alzoo kende.... of dit wel zou gaan en dat, zooals zij, bij het zich aandienen, het allemaal van haarzelf had opgegeven....
Ze vroegen geen van beiden meer iets. Ze waren beiden bang voor veel vragen; ze wisten wel, dat wat ze aan te bieden hadden aan werkkracht en aan belooning niet veel navraag lijden kon.
Even zaten zij stil; keken dan als tersluiks elkaar aan. Ze hadden iets pijnlijks van betraptheid in hun blikken.
"Als de juffrouw haar in 't begin maar eens wat terecht wil helpen...." zei de moeder onderworpen. En dan opeens plompweg:
"'k Begrijp anders nog niet, dat u een meissie in de volle kost neemt!"
Juffrouw Jonkers kleurde fel; zij keek verward en beleedigd.
Toen klonk er van uit de achterkamer plotseling een onrustbarend kleinkindergeschrei. De Juffrouw stond haastig op; even later kwam zij terug met een klein baasje van een jaar omtrent in een wollen dekentje op den arm.
"Dus overmorgen dan, met de nieuwe week," zei ze, wat kortaf, erg zenuwmoe opeens: als 't kind zich zoo in den avond wakker schreide, beloofde dat een onrustigen nacht.... En als vrouw Plas nog besluiteloos deed:
"'k Hoop, dat wij 't goed zullen kunnen vinden samen," zei ze vriendschappelijk weer, met haar zachte doffe stem, en stak de hand tot afscheid uit.
Dien Maandagmorgen, om even vóór achten, belde Marie Plas aan het laatste van de rij gelijke eenverdiepings-huizen, die achter in de Veenvalkstraat stonden, daar waar 't in den volksmond nog altijd de "Drie Alleetjes" heette.
't Kind zag er in de puntjes proper uit en ze had een hartje vol popelende verwachtingen en goede voornemens.
Het eenige wat haar hinderde was, dat in den waaierigen ochtend zij de altijd weer onwillige haarsliertjes één-voor één uit het stijf gewrongen knoet je voelde losschieten.... al tweemaal had zij de handpalmen aan den mond bevochtigd om het weerbarstig sluike glad te strijken.... Als ze nu nog eens een knap mutsje op had gehad....!
Een jongen van een jaar of tien, die een bril droeg, liet haar in, bracht haar in de keuken en deed de deur achter haar dicht.
Er was een druk geloop in de gang en ergens op een trap naar boven.
"Ze motte zeker vroeg naar school," dacht het kind. Schuw keek ze rond. Als ze nog langer alleen achter de gesloten deur wachten moest, werd ze zenuwachtig; ze had een wee gevoel in 'r lijf en stond beverig op de beenen.
"Een mooi keukentje," dacht ze toch nog.
Haar pakje goed, in een blauwen doek geknoopt, hield ze in de hand.
Wat haar dan plotseling opviel was, dat er in het schoorsteenvak geen fornuis stond, maar op een geverfde plank, als op een tafeltje, één groot petroleumstel en twee kleine.
--Gek.... dacht ze, zoue ze daar op koken?.... as je daar 'ns 't water voor de wasch op most warmen.... Maar ze was te veel overstuur om te moeten lachen.
Toen er onverwachts en haastig een meisje in de keuken kwam, spalkten Sprotjes beverige lippen in een grijnsje tot over het bloedarme tandvleesch vaneen.
Het was een aankomend meisje met een zwart plooi-rokje tot aan den schoenrand en een rood mousselinen blousje; spotachtig verbaasd keek die de keuken in.
"Wat een mooi meisje," schrok Sprotje.
Het meisje vroeg, of "Marie" even bij moeder kwam, dáár, in de kamer....
Als zij weer de gang in ging, zag Sprotje de dikke aschblonde vlecht, die met een zwart-en-wit geruit lint boven aan den nek was dubbelgebonden.
"Wat een mooi meisje!" dacht zij nog eens;--die rokplooien hingen of ze er voor vijf minuten pas ingestreken waren en die vlecht was zoo keurig, geen haartje zat er dwars....
En toen zij, wat soezerig van bedremmeldheid, nog aarzelde om te gaan, kwam even later de jongen met de bril zijn bolbleeke gezicht om de kamerdeur steken. "Moe roept," zei hij alleen, met een kwajongensachtige bazigheid.
Schielijk zette Sprotje haar pakje goed op de keukenstoel. Toen stond zij in de kamer. Zij stond voor een groote, ronde tafel, waarachter een kindje zat in een kinderstoel, terwijl de juffrouw bezig was kopjes te wasschen in een hel-roode teil.
"Zoo....dag Marie!" zei die.
Sprotje ontstelde. Wat de Juffrouw bleek zag! wat ze diepe blauwe strepen onder de oogen had!
Het vrouwtje was den vorigen avond tot ver over tienen nog aan 't werk geweest om alles knap te hebben tegen dat het nieuwe meisje kwam. Zij was niet uitgerust, haar rug brandde. Maar ze had toch heel prettig en vriendelijk gegroet.
"Dag Juffrouw," zei Sprotje heesch terug.
Zij keek, kleurde, keek weer; dan voelde zij plotseling haar gezicht mal vertrekken, want ze had met een scheut van schrik gezien, dat de Juffrouw het vreemd vond zoo aangestaard te worden. Toen keek zij naar het kleine kind, dat zoetjes in zijn tafelstoel met een paar kurken zat te spelen.
De lage, vierkante kamer had openslaande glazen deuren op een kleine, geelhouten waranda; de deurhelften stonden aan en er klonk onderdrukt gelach. De jongen met de bril was buiten en een eender meisje als wat daar juist in de keuken kwam, maar kleiner alleen....Sprotje had die twee nog niet opgemerkte...
En door het gesmoorde lachen niet meer zachtjes kunnende praten, zei het roodgebloesde meisje op de waranda, plotseling in een giechelig-hoogen overslag heel duidelijk sprekend, tegen den jongen met den bril:
--'t Is de gekste die we nog gehad hebben!"
Sprotje voelde dadelijk dat het haar gold en haar schaamtekleur verschoot tot een grauwig wit.
"Christien!" had de moeder gewaarschuwd. Ongeduldig gaf zij haar een wenk, om de kopjes verder te komen wasschen. Maar het meisje, wat verlegen dan toch, mompelde iets van nog lessen leeren en ging haastig de kamer door en weg.
Toen veegde juffrouw Jonkers haar handen aan den theedoek droog, lei den doek over den rooden bak, om haar waschwater warm te houden, en zei:
"Kom, Marie, 'k zal je eerst het huis eens laten zien en je je werk wijzen."
Zij beurde het kleine kind, dat gauw met elk handje een kurk redde, uit den stoel, heesch het op den arm en montertjes ging zij Sprotje voor.
"Zoo...." zei ze in de keuken, toen zij het pakje goed zag liggen, "zoo, zijn dat je spullen?"
Zij toonde geen verwondering over de geringheid van den omvang; zij was geen meisjes gewend, die met een koffer of een kastje kwamen; als ze een behoorlijke verschooning hadden, was zij al blij.
Zij gingen naar de slaapkamer voor-aan-straat, waar een afgehaald bed stond bij een dubbel raam met horren erin....zij keken in 't smalle studeerkamertje aan den anderen kant van de gang, waar juist, zijn geelbruine overjas al aan en een dophoed op, een gedrongen mannetje met een grijzend-rooden baard een stapel schriften van de rieten hoektafel nam en wegging.... Zij kwamen nog eens in de keuken, keken in de twee kastjes: hier stond dit en daar stond dat.... Sprotjes hoofd werd heet en duizelig van al wat de Juffrouw zei: den grond opnemen, en de trap vegen, en 's middags aardappelen schillen, maar nu vandaag voor elven, en de petroleumstellen vullen, en Vrijdags schuren....
--Tjee, tjee.... dacht het kind,--hoe moest ze dat allemaal onthouden!
Maar ze was niet bang en ze vond het niet naar; zij merkte zelf met verbazing op, dat zij iets zeer prettigs ervoer. Zij drong maar al vlak achter en naast de Juffrouw-met-het-kind-op-den-arm, en keek en luisterde en probeerde te onthouden wat ze kon.
--"De Juffrouw was een lief mensch!" meende ze. Ze zou nog wel een uur zoo hebben willen rondloopen en ze voelde niet, dat ze moe werd. Bij het bordenkastje (waar altijd goed het knipje op moest, omdat het zoo slecht sloot!) begon ze op haar oude-vrouwtjes-manier ook al mee te femelen van:--ja.... de vliegen.... maar de mieren.... as die bij 't eten kwamme.... dát was pas erg!....
Juffrouw Jonkers dacht even, dat zij voor den gek gehouden werd, keek onthutst terzij; maar toen zij het stil zwaarwichtige gezichtje zag, met de kleine bleeke oogen zoo goedmoedig vertrouwlijk naar haar op, toen was er plots iets als een verteedering in haar en ze moest lachen tegelijk.
--Een best kind, vond ze;.... maar wel wat mal..
Zij keken in de kelderkast, zij keken naar de sluiting van de voordeur; zij kwamen weer in de huiskamer, die nu leeg was, keken in de alkoof, waar het bed van Herman stond.... Sinds verleden week droeg die een bril en hij was daar nog erg beschaamd over, vertelde de Juffrouw. Zij vertelde het al zuchtende;--twee visites bij den oogarts en een bril van een bizondere soort, die f 3.50 had gekost, dat was geen kleinigheid voor hen geweest.
Naar boven gingen zij niet;.... daar sliepen Christien en Coba....die hielden zelf om de week haar kamertje in orde.... boven hoefde Marie niet te werken, alleen de keeren dat de zolder moest geveegd.. en 'r eigen bed natuurlijk.... zij sliep achter.
Het kind had dolgraag dat kamertje van haarzelf even gezien, maar zij dorst niet vragen.
Juffrouw Jonkers liet haar de rest van het ontbijt afwasschen; toen moest zij de slaapkamervloer dweilen, toen het bed van Herman opmaken. Zij deed het in een vagen duizel van verslondenheid en aandacht; haar gansche wezen was als enkel wil om dat werk goed te doen, en al het andere was haar onwezenlijk en ver.
Met een angst in 'r oogen volgde het vrouwtje sluikswijs de doening van het kind. Zij kènde zoo de ontmoedigdheid van den eersten morgen al te merken, dat het niet gaan zou....dat het een stoethaspel was, of een onverschillige, of een slons....en dan dadelijk te weten, in 't vooruitzicht, de weken weer van ergernis en van overwerken voor haarzelf.
Maar nou dit kind.... een raar kind.... en zij wist nog niet wat zij er aan had.... doch 't werken vlotte, dát zag ze.... zoo nauwgezet als dit kind alles deed! Een paar maal moest ze even bijspringen, iets wijzen, voor iets waarschuwen.... maar het ging.... 't ging goed!
Er kwam een helderheid in het hoofd van de vrouw, een luchtheid, of ze opeens een nieuwen, goeden kant aan het leven zag.
Toen moest Marie de gang aanvegen, toen de vuilnisbak buiten zetten voor den karreman, toen de belleknop poetsen. De Juffrouw, in haar blije bui, liep al naar de keuken om 't gerei te halen....--kijk, deze doek.... dit doosje pomade..... Zij keek nog even toe, dat de verf van de deurpost niet werd besmeurd.... maar o, geen nood, dit kind kon werken!
Eindelijk mocht Marie gaan zitten en aardappelen-schillen. Binnen praatte druk de Juffrouw tegen Wilmpje, die zijn pap niet eten wou en huilerig was van het vreemde in huis.
Met een koortsigen ijver had Sprotje haar verschillende taken volbracht. Maar toen zij dan, alleen in de keuken, stilletjes wat te rusten kwam, toen viel er plots een niet te keeren loomheid over al haar leden en haar denken verdofte in een bot getuur. De aardappelen, die zij pijnlijk koud voelde en bijna niet in haar bevende vingers houden kon, treuzelden rond onder het mesje, dat telkens missneed.
Zij schrok er zelf van.... zij schaamde zich ook!.. zoo moest een meissie niet beginnen, dat dienen wou! En dan dacht ze: de Juffrouw zelf had den heelen morgen zoo min gezeten als zij.... die had onderwijl de huiskamer gedaan, en klein Wilmpje geholpen, en haar alles gewezen, en luiers in de waranda gespoeld ....en nou moest ze klein Wilmpje weer naar bed brengen....
De Juffrouw, die zou pas moe wezen!
Maar, even verjaagd, de dofheid kwam terug.... soms zakten de hand met den halfgeschilden aardappel, en de hand die het mesje hield, na elkaar haar wezenloos in den schoot.
En als van heel ver kwam een andere, vreemde helderheid aanlichten door haar hoofd....haar thuis! Zij kon zich geen rekenschap geven van wat zij ondervond; zij voelde iets als uit een ander leven, iets lang geledens en iets raar eigens en overbekends tegelijk. Dan kwam een zinloos tobbende gedachte, waarin ze geen stuur had, het alles overnevelen: haar liter melk van 's morgens....
Soms schrok ze nog op, wist dan niet of ze de laatste minuut had stil gezeten of nog doorgeschild, wentelde weer rapper den aardappel tusschen de strammige vingers.
Haar liter melk....Nog meer dan drie weken kon ze, op 't laatste doktersbriefje, dien aan de Veerbrug halen gaan
Maar,--ze had dat zelf dadelijk zoo uitgemaakt--nou ze kwam te dienen, hou ging dat niet....
--Nee.... had de moeder toegegeven:--dat ging nou niet meer;....'t zou niet fesoendelijk lijken, en 't zou ook niet magge van de menschen, waar ze kwam....
"Ze konne denken," zei Ant, "dat je zegge wou, dat je niet genoeg te eten kreeg, als je daar bij die meester met je pannetje melk kwam."
--En 't andere moest ze ook maar stilletjes nemen, ried de moeder; 't stond zoo maltentig, 'n meissie met 'r pillendoos!
Maar den laatsten morgen, 's Zondags, toen Sprotje nog eens haar kannetje ging laten vullen, had ze niets gezegd. Ze had niet gedurfd. Gespannen had ze voor de laatste maal alles in die keuken nog eenmaal aangezien, in een grooten afgunst de kleeren en de mutsen van de meiden begluurd, en toen, stugger dan één anderen keer, zonder een woord bijna, was ze heengegaan. Maar thuis had ze niet opgehouden te dringen: 'r moeder zou toch 's Maandagsmorgens gaan, vóór tienen, vast vóór tienen, de melk afzeggen....
"Sul! die menschen hebben de melk immers toch al besteld en genomen," zei Sien. En Ant vroeg, of ze soms dacht, dat twee deftigheden en een keukenvol booien met die ééne liter melk van haar geen raad zouden weten?--'t Had het kind geen rust gelaten en ten leste had de moeder beloofd: nou, vooruit dan maar, omdat ze dan morgen voor 't eerst in 'r dienst ging....'t zou gebeuren zooals de dame 't graag had.. vóór haar werkhuis zou ze bij de Veerbrug aanloopen..
En nu in haar overspanning tobde het kind daar maar over.... die liter melk, ze kon het toch zóó niet laten.... als 'r moeder nou eens verhindering had gehad.... wat moesten ze denken van haar!
Dan, in een bewuster oogenblik dacht ze ook: "'k wou dat ik 'm had, die liter melk!" Zij voelde zich zoo flauw en zoo leeg.... zij zat met haar zware mand aardappelen, die maar niet minderen wouen....
--tjee, ja! schrok ze,--voor zes menschen most ze ook schillen!"
Juffrouw Jonkers kwam in de keuken, keek bedenkelijk op eens en wat ontevreden, maar trok dan toch dadelijk haar gezicht in een vriendelijker plooi. "Zoo den eersten morgen, hè?" zei ze opbeurend. En naast het kind staand hadden haar radde vingers in een oogwenk een dozijntje van de diksten er uitgepikt en afgewerkt.
Toen de aardappelen waren geschild, moest Marie schoenen poetsen;--in de waranda moest ze 't doen.. en heel stil zijn!.... om Wilmpje niet te wekken, die eindelijk sliep.
"Ik ga nou koken," zei de juffrouw, "dan mot ik de keuken alleen hebben."
Vijf paar schoenen en een paar pantoffels vond het kind buiten staan; de frissche lucht monterde haar weer wat op, en met haar stil-bedachtelijke zorg monsterde zij nauwkeurig elk stuk, dat onder haar talmenden borstel kwam.
"Nee, rijk hebben ze 't niet," dacht Sprotje; "die jongen van Bertels het zeker beter schoenen aan zijn voeten dan de meester.... en de pantoffels van de Juffrouw, nou, daar zal ze ook geen warme voeten in houden op de keukensteenen...."
"ffff," zoog zij tusschen haar groene tandjes, als 't bovenleer van een paar meisjesschoenen drie dwarskerfjes vertoonde, die bijna al door en door gingen.
Voorzichtigjes, met haar gezicht in de zwaarwichtigste rimpelingen, wreef zij eraan en stond haar hoofd te schudden, als juist juffrouw Jonkers om den hoek van de waranda keek. Die kreeg een kleur, dacht aan misprijzing over het schoeisel, dat zij zelf ook in een slechten staat wist, en bits op eens, alsof ze tegen een van haar voorgaande brutale kanjers zich te verweren had, zei ze:
"Ja, als jij nooit op kapotter schoenen hier over de vloer zult loopen, dan magge we blij zijn...."
Sprotje keek verschrikt op, maar er was nog meer verbazing dan schrik in haar blik.--Wat bedoelde de Juffrouw?
Toen kleurde juffrouw Jonkers nog sterker; er kwam een groote bevreemding in haar en een verlegenheid tegelijkertijd. Zonder iets meer te zeggen ging ze heen.
Een kwartiertje na twaalven werd het zwijgende huis plotseling vol drukte van praten en voetengerucht; de meisjes hadden gebeld, Marie moest open doen; dadelijk daarna kwam "meneer" met Herman uit school. En om half een gingen zij eten.
Toen het kind alleen aan 't keuken-aanrecht met haar bord aardappelen en wat kool en een plakje varkensvleesch zat, toen kon ze bijna geen hapje door de keel krijgen; ze was misselijk, haar hoofd was warm en klopte, haar voeten leken bevroren op de stoelsport.
Toch kreeg zij alles naar binnen gewerkt, want zij dorst niets te laten staan; ook kreeg zij daarna, bij poozen en wijlen, haar borden nog gewasschen en haar pannen geschuurd.
Als 't klaar was, kwam de Juffrouw kijken.
"Je doet het niet biester gauw, maar je doet het toch wel goed" zei die meegaande, en het kind was haar heel dankbaar voor die prijzende woorden, die zij wist niet verdiend te hebben.
En toen, ten leste, mocht Sprotje gaan zitten. Ze mocht kousen stoppen.--Het keukenraam moest ze maar wat open zetten, daar stond zoo'n lekker zonnetje op, had de Juffrouw nog gezegd, maar Sprotje voelde den wind te koud in haar hals, sloot weer, en zat in de duffe engte van het dichte keukentje, waar de lucht nog zwaar broeide van den petroleumdamp en de etenswalmen, en het wasemende vette vatenwater.
Over haar kous gebogen, waarvan de doorgesleten mazen haar dwarrelden voor het gezicht, zakte plotseling het kind, met haar hoofd op de borst, in een botten slaap.
Toen ze rillende en gloeierig wakker schokte,--ze wist niet hoe lang ze zoo geslapen had--begon ze zachtjes te schreien, zoo maar stil en heet te schreien zonder reden of doel. Haar hartje was zoo zwaar en vol en haar hoofd was of 't breken zou van een ellende, die geen naam had.
Zij dacht ook weer aan haar thuis, maar zij verlangde er toch niet naar terug.