Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
M. Scharten-Antink
Sprotje heeft een dienst
(Vervolg op "Sprotje")
"En hoe oud is ze?" vroeg de dokter, even van terzijde de moeder aanziende, en dan weer met een wat moeizame oplettendheid--hij was lichtelijk doof--luisterend naar zijn langzaam bekloppen van de magere kinderborst; regelmatig dof tikte kneukel op kneukel, waarna hij telkens de vlakke hand even verder lei.
"Dertien," zei de vrouw, zacht-kortaf, bang dat haar antwoord storen zou.
Zij stond bij de deur van de dokters-spreekkamer, een groote, breedgebouwde vrouw met aderig-roode koonen op een geel gezicht; onder de groote, wat ingevallen slapen strekten de lange, vale zijstukken der wangen, en haar dicht, zwart kriphaar, in vele, grove droge draadjes uitspringend, was op de kruin gedekt door het donker wollen frommeltje van een gehaakte muts.
De dokter kwam achter zijn schrijftafel zich neerzetten.
En midden op de leege vlakte van het cocoskleed, in de zeer ruime kamer, stond, alleen, het kind, bevend haar hoofd gebogen boven de ontredderdheid der open kleeren. Als iets zielig mismaakts was haar tanig, ingevallen halsje en het ongezond grauw-bleeke vel-over-botjes van haar bedrongen borst in het hel-herfstig middaglicht, dat door de twee hooge tuinramen naar binnen stond.
Plotseling vertrok het gezicht van het kind in een krampachtige mondsperring van moeilijk en mal onderdrukt gelach. Schuw had zij opgeloensd in haar verlegenheid; zij had gezien, dat de dokter één grijs oog had en één bruin.... Dit leek haar zoo buitengewoon komiek, dat over al haar narigheid en ziekvoelen heen, dat zenuwachtige, zotte lachertje toch uitgebroken was.
"Je kunt dichtmaken," zei de dokter voor de tweede maal, wat ongeduldig en militair-gebiedend, maar toch niet barsch, want hij was een beetje verlegen van aard, en dat verzachtte al zijn uitingen.
Nog beschaamder door het lachen, dat ze weer gedaan had, en dat ze raar wist van zichzelf, toog gejaagd het kind te frutselen aan de bandjes van haar geelkatoenen hemd, dat stug en schurend saamtrok boven de donkere schaduwen der halsholte, en terwijl zij haar armelijk borstrokje dichtknoopte en het lijf van haar mooie, waterblauw-katoenen jurk met de witte klaverblaadjes, stond haar gezichtje ouwelijk gespannen, in luistering naar wat de dokter nu praatte en wat haar moeder dan antwoordde en vroeg.
"Ze mankeert nog niks, hè...." zei gedempt de weifelend-nadenkende doktersstem; "maar 't is geen sterk kind.... dat hoesten zegt niet veel.... wat vatbaar, hè.... anemie.... ze is bloedarm, begrijp je....? daar komen die duizelingen en die rugpijn vandaan.... En erg min voor 'r jaren.... in die lange jurk lijkt het wel wat.... maar smal gebouwd.... En...."
Zijn gezichtsmimiek vroeg iets, dat voor de moeder alleen bestemd was, maar het kind had begrepen en kleurde hevig.
Toen informeerde hij naar den vader.
--Zoo.... een ongeluk bij 't spoor.... en nog tien jaar meegegaan.... de maag.... geen tering dus.... nee, deze hier ook, geen aanleg bepaald.... een taai gestel wel....
"Maar er zijn meer ziekten dan tering in de wereld," kwam hij dadelijk daarop; "ze moet ontzien worden en goed gevoed."
"'t Is een weduwkind, meneer, en die motte vooruit," zei de moeder met een gelatenheid, die bijna hard was.
"Ik zou je toch raden, vrouw........ Plas, om dat kind bij Hoogeboom weg te doen.... een fabriek deugt niet voor 'r.... Ze is nou al een week thuis, zeg je? Waarom laat je ze geen kindermeid worden of zoo iets?"
"Ja...." zei de vrouw verdrietig, "maar 't werk leit niet opgeschept."
De kleine, grijze kinderoogen boven de pipsche sproetenwangetjes hadden plotseling, in schrik van blijdschap, open naar den dokter heengekeken; dan werd het een angstvraag, fel naar de moeder op.
De dokter zag haar welwillender aan; 't was toch misschien niet zoo'n stiekem schaap als hij gedacht had.
"Ga je niet graag naar de fabriek?" vroeg hij. Toen keek het kind nog eens naar de moeder, schokte even in de schouders, sloeg de oogen neer, en zei kortaf: "nee."
De dokter schreef een recept.
"Drie maal daags twee pillen," zei hij.
Hij zocht in een boek, schreef nog een ander papiertje--daar kon ze iederen dag een liter melk op halen.... hier stond het adres.
En hij stuurde haar naar de wachtkamer, hield nog een oogenblik de moeder bij zich.
De groote, lichte wachtkamer zat vol menschen, en het kind bleef talmen in de gang.
"Enfin, zie wat je doen kunt, vrouw Plas," hoorde zij den dokter zeggen, als even later de spreekkamerdeur weer open ging.
Een werkman, die aan de beurt was, kwam haastig langs gestapt; het knechtje liet hen de voordeur uit.
"'k Zal er met je zusters over praten, Merie," zei de moeder alleen, toen zij den Singel afliepen naar de Buitenkant, waar hun Dijkje begon. Haar zorgelijke, inzichzelf gekeerde gezicht stond nog afgetrokkener en zorgelijker dan altijd en tusschen de als nog langer gezakte, vale onderwangen neep strak weg de verweerde verdrietmond. Zij zuchtte, en nog eens, diep en zwaar.
Dien avond, in beraad met Ant--Sien was uit en kwam pas na tienen thuis--werd er besloten: dat Merie het toch nog 'ns probeeren zou, bij Hoogeboom....
--Ze kreeg nou pillen en melk, vond Ant.... je kon 'r geen juffershondje van maken, en geen sulletje rozewater.... om 'r eigen bestwil niet.... ze most toch de wereld door....
"Ja...." aarzelde de moeder, "ze mot vooruit, hè?.... 't is een weduwkind...."
Aan het achterhek van hun erfje, in den schemeravond met beginnenden maneschijn, stond het kind hartstochtelijk te huilen:--ze lieten 'r nog liever dóódgaan dan dat ze wat voor 'r deden!....
Een duister-broeiende vijandelijkheid was in haar hart tegen de twee groote vrouwen daarbinnen, wier zware, zwarte schaduwen ze bewegen zag op het neergelaten keukengordijn. Maar het vriendelijke, blanke gelaat van den dokter was als een verre troost te midden van haar ellende.
En toen, na vijf dagen nog van rust, waarin zij trouw haar medicijnen nam en haar melk, en zij wel een beetje bijgefleurd was,--met het begin van de week, in den vroegen morgen 's Maandags, ging zij, banglijker en zenuw-rillender dan alle keeren te voren, met Ant en die 'r vriendin op weg naar 't fabriek.
Nog drie dagen hield zij het uit.
Den vierden dag, aan het middageten, trok zij plotseling blauwwit om den neus en zakte zachtjes, met een flauw gekerm voorover op haar arm in zwijm.
"Wat zijn dàt nou voor kunsten," schrok de moeder;
...."Merie!...." Ze trok haar bij den arm. Ook Ant rees overeind, beurde het zweet-natte, zware hoofdje op, maar het kind deed de oogen niet open.
"God nog en toe! wat _is_ dat ?" stokte de moeder.
"Ze is van d'r zelve," zei Sien...."dan mot je ze lèggen."
Toen nam Ant haar onder de armen en de moeder onder de knieën, en zoo droegen ze haar in de bedstee, wieschen haar polsen en voorhoofd met water en azijn.
Als ze bijkwam, klaagde ze vaag, dat alles zoo ronddraaide, en dat ze zoo akelig was.... Zij geeuwde verscheidene malen krampachtig, huiverde en sloot weer de oogen.
"De koorts!" zei Sien.
Zij betastten haar gezichtje en haar handen, maar voelden die eerder kil; na een tijdje viel zij in een zwaren slaap.
De moeder had een luide zucht van verluchting, als zij de wel kreunende, maar toch regelmatig-diepe ademhaling hoorde.
--Nou, goed, besliste Ant dien middag,--as 't dan werachtig waar was, dat ze der niet tegen kon, dan most die dokter maar gelijk krijgen.... je kon het wurm niet laten krepeeren....
De moeder keek ook Sien aan.
--Ja, kwam die wat onverschillig,--haar 'n zorg hè? maar as 't kneep en weer kneep.... afijn, ze zou wel een stuiver of wat meer kostgeld geven in de week....
De vrouw zuchtte; zij staarde lang naar buiten. Zij voelde spijt, dat zij nog doorgezet had die week, en ze wist niet goed hoe ze 't rooien zou de volgende, met weer 'n opeter in huis, die niet inbracht.... Sien een paar centen als 't mooi was, Ant een kwartje misschien;.... Merie verdiende vijftien stuivers bij Hoogeboom.... Maar as 't most, dan most 't....
Het kind, dien dag en de dan komenden, lag stil en zonder spreken achter in haar duisterige bedstee, zich zoo zwak voelend of ze van een zware ziekte herstellende was, en met een knagende pijn door al haar leden, die als gebroken leken. Maar toen ze langzaam aan wat uitgerust raakte, en 'r zenuwen bedaarden, begon er een groote rustige gelukkigheid te gloren in 'r hartje, een nog lichtere gelukkigheid, dan den dag toen zij met haar pak nieuw goed van den laatsten naaischoolmiddag thuiskwam:.. nou nooit meer naar 't fabriek!
't Fabriek.... even het zwart-helle beeld van de groote wemelende zaal, stinkend en snikheet, met telkens een ijzige, gerekte tocht daardoorheen, als een deur wijd opensloeg en langzaam weer dichtzoog.... en in die zaal haar plaats tusschen de hoopen vuilig gepluiste, waar ze zoo griezelig en zoo vies van was.. haar bevende vingers, die jachtten en niet vooruit konden, en al de felle oogen en gezichten van 't vele volk, de meiden en de mannen om haar heen.... even, als een zwart-helle verschrikking, dat beeld, die herinnering, en dan de zoete, rustige zekerheid, dat zij dat alles vergeten kon, iets dat zij doorworsteld had, en dat nu nooit meer terug zou komen.
En toen zij wat aansterkte en weer opzat, toen herbegonnen voor Sprotje de dagen van 't verloopen voorjaar, dagen van stilletjes-aan wat meehelpen in huis en van naarstig kleine werkjes doen, die een paar dubbeltjes inbrachten of een kwartje; zij stopte kousen uit haar moeders werkhuizen, tornde kleedingstukken uit elkaar voor een naaister, die aan hun Dijkje was komen wonen, twee deuren verderop; zij ging ook weer borden wasschen in de Hanekamp, als 't er druk was geweest van bruiloften of 's Zondags, en naaide gordijnen voor den behanger, dien haar moeder tot wasch-klant had.
En als er aan 't eind van de week thuis strijkdag was, dan stak ze willig ook al een handje mee uit, droeg de versche bouten aan, probeerde parmantig de voor boorden en overhemden te koel gewordene op de zakdoeken en het ander klein goed, dat zoo nauw niet luisterde. Al gauw hielp ze ook bij de moeilijker stukken mee, en in de morgenuren was _zij_ het, die het huis schoon hield en dat deed zij heel handig.
Vrouw Plas begon de mislukte fabrieksgeschiedenis wat minder zwart in te zien.
--Zoo'n krummel, hé?.... die kreeg dan toch 'r zin!.... ze wóú niet naar 't fabriek, en nou ging ze niet naar 't fabriek.... maar ze deed anders genoeg 'r best.... verleden week negen stuivers, van de week elf.... 't was een goed schaap .... en alles bij alles een heele aanspraak voor háár ook nog, dat kind thuis!
Iederen morgen om half negen ging Marietje haar kan melk aan de Veer brug halen; dat was het verzetje van den dag. Die keuken was daar zoo prachtig! je kreeg het er niet afgekeken.. honderd dingen, waar ze nooit van had gehoord of gedroomd, waar ze den naam niet eens van kende.... en de booien waren wel bijna altijd vriendelijk.... aan een witgeschuurde tafel, met witte mutsjes op en witte boezelaars voor, zaten die soms nog te ontbijten, soms hadden ze 't ook al op;.... ze gaven 'r wel kliekjes oud vleesch mee naar huis, of wat lekkers, maar dat had ze niet graag....: net of je was komme bedelen... 'r kannetje melk, dat was wat anders, daar had ze nou eenmaal recht op; ze was met een briefie van den dokter gekomme, o zoo!--en ze keek goed toe of ze 'r maat wel kreeg....
Met dat kannetje melk en 'r pillendoos had het kind thuis heel wat te stellen; wel tienmaal op een dag dronk ze een klein kopje vol, met pillen, zònder pillen... ze sleepte er mee in alle hoekjes van de twee kasten, dat Sien het niet vinden zou....; "net mallemoertje met 'r kuikens" zei Ant.
En op die regenachtige September-namiddagen, als zoo weldoende het groote keukenvuur nog na te gloeien lag van een afgeloopen, langen strijkdag, dan, tegen schemer, zette de moeder het fornuisdeurtje open, en in den rossigen gloed, aanwakkerend en weer doovende over hun, knieën en handen, zaten zij dicht naast-een, de voeten op den aschbakrand, en zij dronken hun extra kommetje koffie vooruit, met een balletje erin.
Door de holle keuken, die vol vage weerschijn-waaiingen van 't kolenvuur stond, hing nog de wasemig-frissche geur van 't strijkgoed, en de zwoel-zoete stijfsellucht, die het kind zoo graag rook.
Ze had het wonder in den zin, zoo'n rustkwartiertje; ze voelde zich knusjes en welgemoed en werd er wel bijna vertrouwelijk van.
Haar altijd zoo bloedarme huiverigheid was weggestoofd door de blakering en 't heete drinken, en ook van de moeder zelf, vuurgloed-overschenen, hoog en breed naast haar, scheen nog een bizondere warmte en koestering op haar af te stralen.
Zij had veel plannetjes van hier nog eens naar werk kijken en daar, en dit probeeren en dat....
Ook praatten zij samen, bedenkelijk-het-erg-vindend en met veel zwaarmoedig hoofdschudden, over Sien's nieuwen vrijer, "die jonge van Bertels," die nooit bij hun aan huis kwam, omdat zijn ouders de verkeering niet wouën.... hoe dat nog goed most gaan....!
--Boven je stand trouwen gaf niks dan narigheid, zei de moeder.... 't was nog slimmer dan twee gelooven.... 't zou Sien 'r ongeluk worde, dat ze zoo mooi was....; en Sprotje zat maar van ja te knikken.. ja.... ze vond het nog erger dan 'r moeder. Zij praatten ook over de Juffrouw uit de Hanekamp, die nou aldoor nog sukkelde, na haar laatste bevalling.... zeven kinderen ook al....!
"En as je dan vreemden over het buffet mot late gaan....!" zei het kind peinzend.
"Wat ik nou nooit heb kenne begrijpen," kwam eens, onverwachts, de moeder, "dat is, dat jij dat fabriek zoo naar vondt.... een draadje zus en een draadje zoo.... ik heb wel anders de handen uit de mouw motten steken, toen 'k jouw jaren had!"
Plots werd het kind van een starre geslotenheid; er kwam een kwade glimp in 'r oogen en zij schoof vijandig een rukje met 'r stoel op zij.
Over de fabriek praatte ze nooit; over een dienstje zoeken praatte ze evenmin.
Ze had 'r moeder en Ant wel eens hooren overleggen, dat het zoo niet dóór kon gaan, dat er "vastigheid most weze".... maar wat ze met 'r voor hadden wist ze niet en zij verwachtte er weinig goeds van ook.
Als ze hen 's avonds met afkeurend-ontkennende gezichts-trekkingen naar elkaar, boven het Advertentieblaadje zag neuzen, dan liep ze schril-vreemd uit den weg en gaf geen antwoord als haar iets gevraagd werd. Ze leken dan zoo precies op elkaar, moeder en Ant: de twee lange, gelige gezichten met de roode koonen, onder het zwart van wimpers en wenkbrauwen, blaakten gepaard in den lampeschijn; en bogen zij de hoofden, dan werd beider grof-pluizig golfhaar als één wriemeling van warrige zwartheid.. 't Kind ervoer het als een onheilspellende somberte, griezelig om naar te kijken.
Maar nog banger was ze voor de treiterige joligheid van blonde en blanke Sien, voor het felle lachen van den rooden mond om de blinkend witte tanden en voor het schelle kijken van haar sterke blauwe oogen.
Sprotje dacht vaak, dat ze van niemand thuis eigenlijk hield.
Ze droeg weer het oude, bruin-merinos jurkje, waarmee ze de naaischool had afgeloopen; ze was wat gegroeid en nog wat magerder geworden, zoodat het haar zielig sluik viel en veel te kort; maar ze droeg het getroost: zoo spaarde ze 'r twee katoenen jurken, waarvoor ze, sinds het geen fabriekskleeren meer waren, plots al de oude, vertroetelende liefde herkregen had....het waterblauwe katoen met de witte klaverblaadjes, en de andere, een aflegger van Sien, een zwart-en-wit ruitje, waarin ze nieuwe ondermouwen en een nieuw voorlijf hadden gezet. Het versche goed kleurde wel wat af tegen het oude, dat verschoten was, maar met een schort die laag viel over den rok stond het nog aardig knap.
Het kind, zoodra zij zich wat beter had gevoeld, was zelf die twee jurken gaan wasschen en strijken; ze had ook haar twee witte boezelaars gewasschen en haar twee bonte: de opnaaisels had ze zonder een vouwtje plat geperst en de banden met haar schaartje uitgehaald en als een harmonica'tje tusschen haar vingers saamgeplooid. 'r Moeder maakte één schuif uit de lâtafel half voor haar leeg om de spullen te bergen; vaak, als het werk was afgeloopen en 'r twee zusters nog niet thuis konden komen, lag ze op de knieën voor het kastje, en keek, en genoot.... ze haalde haar twee jurken te voorschijn, streek met voorzichtige aaitjes over 't glanzig katoen, krabde een paar stijfselblaartjes weg, die bij het strijken waren bovengekomen--want zoo heel goed een waschje opmaken kende ze nog niet--ze ging de nieuw ingezette stukken van haar wit-en-zwart ruitje in de zon houden, dat de kleur zou bijtrekken; zij vouwde haar schorten open, bewonderde het blokwerk der plooi-lijnen, die als in papier zoo diep en zoo recht door het stijf gesteven katoen liepen; en voorzichtig, om geen vouwtje uit zijn voegen te halen, paste ze 't goed weer ineen zooals 't gezeten had, en lei 't weer keurig op zijn plaats.
Bij dat alles zag zij de keuken aan de Veerbrug, de smetloos geschuurde, withouten tafel, zoo gaaf en glad als witte zijde, en de drie brandheldere booien daarrond, met 'r glanzig gepepen tulemutsjes op 't preutsch-precieze haar, bezig te ontbijten.... één ervan was nog heel jong, zeventien jaar misschien. Aan de muren van kraakheldere kalk gloeide ros en goud al 't koper in den zonneschijn, en boven het stalen fornuis hing in blauwig sneeuwblanke plooien het schoorsteenvalletje aan de glimmende roe....
Met 'r beetje kleeren soms nog op schoot, zat het kind al starende in een lang gepeins.
"Net een hofjeskneu, net pietjelut met de lange lip," pruttelde, ongeduldig, de moeder 's avonds tegen Ant.
Toen in de derde week haar pillendoos leeg raakte, ging Marietje opnieuw naar het dokters-spreekuur. Zij moest alleen gaan, dit keer, want haar moeder, met den winterschoonmaak, had twee werkhuizen elken dag; maar zij ging monter en met plezier, want er was nog altijd een groote dankbaarheid in haar, als ze aan den dokter dacht.
Zoodra zij echter op het wijde, gladde cocoskleed achter de zware schrijftafel stond, en van dichtbij het ééne grijze en het ééne bruine oog haar wel vriendelijk maar zoo onderzoekend en wat verbaasd aanzagen, was al haar kordaatheid verdwenen. Zij stotterde, vocht met zichzelf om niet al te raar te lachen, raakte dan nog verbouwereerder daardoor, en geen woord kwam over haar lippen van al hetgeen zij thuis zich zoo voorgenomen had te zullen zeggen.
De dokter had haar aanvankelijk niet herkend, omdat zij in die korte, bruine jurk nog zooveel kleiner leek dan in het blauwe katoen; goedig-gekscherend vroeg hij, of ze soms van plan was alleen haar beenen te laten groeien.... en dat bracht haar nog het meest van streek.
Zij kreeg opnieuw haar pillen, kreeg een tweede briefje voor een volgende maand melk. Schichtig-kleintjes, bijna zonder een goeden-dag, maakte zij zich weg, en de dokter moest even lachen, toen hij haar daar zoo pieterig door een kier van de deur zag wegsluipen.... Hij kreeg vaak van die verlegen nummers op zijn spreekuur voor de bus-patiënten, maar dit was al een bizonder mal exemplaar, zooals zij daar stiekem zotte gezichten stond te trekken en 'r mond niet open dorst te doen; zijn knechtje, dat herinnerde hij zich nu, had hem verteld, dat dit kind "Sprot" heette.
Twee dagen later was Marietje niet aan het avondeten; toen de moeder en Ant en Sien al bijna klaar waren, kwam zij thuis, schutterig, in haar mooie blauw katoenen japon en met haar mooiste galgenschort voor. Ze zei niets, keek bloô en heet en er was iets van bedwongen leven over haar wezen.
De moeder, al haar gedachten nog bij een twisterig gesprek over Sien's vrijer, vroeg alleen, ontevreden:
"Waar kom jij vandaan? Kun je nog later komme?"
Maar Ant, die Sprotjes ingehouden-opgewonden gezicht zag en hoe dat nu stug tezaam trok, zei troostend:
"Allé, meid, wat mankeert je?...."
"Heere bewaar ons!" giechelde Sien, "kijk die d'r blommen 's buiten zetten vandaag!"
En toen de moeder opeens uitvallen: "Wat weerlicht! Wat mot je met die goeie jurk?"
"Hè 'k toch zelf van 't naaie gekregen," beet het kind vinnig terug; "'k ken me jurk toch antrekken as 'k wil...."
"En ik zeg, dat je 'm uit doet, kwaad nest!" stoof de vrouw op.
't Kind ging de keuken uit; toen ze terugkwam met 'r jurk nog aan, maar met een bonte schort erover, waren de drie alweer in hun rommelig moeite-gesprek terug.
Sprotje, zonder een woord, begon haar avondbrood te eten; twee roode vlekken gloeiden onder de neere oogen en zij keek geen enkele maal op.
"Nou, en al zeuren we der nog een uur over," zei Sien, "z'n vader wil het niet, hè?.... kan ik er wat aan doen?"
"Al willen ze jou dáár niet, hij ken hier komme," herhaalde de moeder voor de zooveelste maal haar eind-oordeel in al die twisten. "Hij ken z'n pooten wel 's bij jouw familie over den drempel zetten," verontwaardigde zij zich nog, "we hebben hier de schurft niet!"
"Z'n pooten!" zei Ant; "most ie hooren!.... hij het altijd bottines aan, af t'ie zoo van de dansles komt!"
En dat bracht Sien onbedaarlijk aan 't lachen.
De moeder stond op en schonk koffie bij.
Ze zag toen, dat Sprotje zich niet verkleed had.... maar tegelijkertijd ontmoette haar blik den blik van Ant, die met een eigenaardige uitdrukking juist van het stil voor zich kijkende kind omhoog ging, en in hun beider oogen kwam iets welgevalligs, of ze elkaar beduiden wilden, dat Merie toch nog wel wat leek, zoo in 'r nette groote-menschenkleeren.
"Rare sijs," mopperde de vrouw alleen, goelijk.
En plotseling, met een fellen blik van boven haar bord òp en de tafel rond, zei het kind luid en duidelijk:
"'k Heb een dienst!"
Even bleef het stil.
"Wel God nog en toe!" kwam de moeder, beduusd door de wonderlijke manier, waarop zij het te hooren kreeg.
Maar Ant en Sien tegelijk aan 't vragen:
--Wat?.... een dienst?.... waar?.... bij wie?.... hoe was ze daar an gekommen?.... wat kon ze verdienen?....
"En God nog en toe," zei de moeder voor de tweede maal.
Achterop haar stoel, de handen wijs-bezadigd over elkaar op den buik, zat het kind, en zij keek beurtelings de drie vrouwen aan met een wonderlijken blik van hoovaardigheid en achterdocht. Ze had een verholen-heerlijk meerderheids-gevoel over haar geheim en een vijandigheid tegelijk tegen die anderen, die wel nooit iets voor haar gedaan zouden hebben....
"'k Hoef het nog niet eens te vertellen," dacht ze, maar ze zei toch:
"Een dienst uit de Advertentiebode.... bij meester Jonkers,.... de volle kost.... en twaalf stuivers in de week."
"Wat een aap!" schreeuwde Sien.
Doch de moeder kwam toegeschoten:
"Meester Jonkers?.... uit de drie Alleetjes?.... en de volle kost?.... middageten ook?.... en slapen?.... en twaalf stuivers in de week?"
Toen het kind dat alles bëaamde, werd de vrouw nog even kwaad:
--O! en huurden die menschen een meissie maar zoo, buiten de moeder om? hadden die met de moeder soms niks uit te staan?
"Ja...." zei het kind, "de juffrouw vroeg, of u van avond niet eris even an zou kunne komme."
Toen knikte de vrouw van voldaan te zijn, en Ant zei:
"'t Hei je kranig gedaan, Merie!"--
"Sprotje, me dotje!" relde Sien; maar de moeder en Ant vonden, dat er nou volstrekt niet geplaagd behoefde te worden, en ze vroegen nog honderd dingen; er kwam geen eind aan.
In haar zelfde oud-wijze houding van gevouwen handen over den buik zat het kind achter op haar stoel, voor het eerst van haar leven zich een vrij en gelijk-op mensch voelend met de anderen mee. Uiterlijk was ze wel kalm, maar zij popelde van opgewondenheid en blijdschap.
"Lekker, een dienst," zei ze eens, maar stil, als voor zich zelf alleen.
"Echt!".... zei ze nog eens.
"As 'k had motte wachte, dat een ander wat vond, ha'k lang kenne wachte," zei ze op het laatst, het eenige verwijt, dat ze te uiten dorst.
Dien avond, tegen negenen, ging vrouw Plas naar de Drie Alleetjes, om te praten over het in-dienst-komen van 'r meissie.