Part 5
Een enkele maal deed een snerpende stem, een verstaanbaar-opklinkend woord, even den kreunenden woord-deun tot staan komen. Dan, met een nog krampiger in haar borst gedrukt vuistje, bad weer haar angst-verschroeide stem in vertwijfeling....
Als een gloeiend schijfje sneden de guldens een pijncirkel in 'r nijpende hand:
"O God, die twee guldens, o God, o God! ik zal 't niet weer doen, o lieve Jezus, lieve Heere Jezus, ze hebben me Judas genoemd! o God ik heb Sien verkocht voor zilverlingen, o lieve Jezus, o God, genade, genade...."
"Sprot...." hoorde ze plotseling, met een nijdigen krijsch, boven het geruzie uit.
Tweemaal na elkaar werd ook haar naam gezegd: "Merie...."
Telkens, met starre ontzetting, meende ze de vlieringtrap te hooren kraken, iemand naar boven te hooren komen.... dan wrong ze zich nog dieper in haar hoekje weg.
Eens werd er aan de knop van 't kamerdeurtje gescharreld.... "Oooo!" kermde ze.
Toen ze de tweede maal, duidelijker, dit gerucht hoorde, kwam een wilde schrik in haar opgestoven.. ijlings greep ze haar pak goed van-achter de kist.... en het pak onder den arm, de twee guldens nog in de hand geklemd, sloop ze sidderend de vlieringtrap af.... vloog het Dijkje op.
In éénen hol, zonder om te zien, liep ze door tot voor de Hanekamp.
Toen zij, steunend, daar even stilstond, sloeg het negen uur op de groote stads-toren.
De regen had opgehouden; de enkele lantarens brandden stil-klaar en klein in 't donker van den verlaten singel.
Als een zinnelooze snelde het kind verder, den weg in, die voor haar lag. En met schokkenden adem bad ze nog al: "God! o Vader, o lieve heere Jezus, o God..."
Ze zou nooit weer thuis durven komen. Ze moest weg, voort, waarheen wist ze niet.
Ze liep den donkeren singel af; ze liep hard, hard, of ze nagezeten werd.
Toen het station met zijn electrische booglampen dichtbij kwam, sloeg zij de Vaartlaan in.
Waarom had ze 't gedaan?.... Waarom....?
Zachtjes begon weer de motregen neer te stuivelen.
Een àl grooter dofheid ging 'r hersens bevangen.
Soms bad ze nog maar werktuigelijk:
"Och, onze-lieve-Heer, help me.... vergeef me o God, o God vergeef me...."
Niet meer op een draf, maar met strak-wijde, snelle stappen, liep ze nog altijd door.... Ze kon bijna niet meer vóórt.... platen van stramme verlamming pijnden in 'r schenen, waar haar doornatte rokje met elken stap zwaar tegenaan klakte.
Toen het half tien sloeg, liep ze aan den anderen kant van 't stadje, bij 't Plantsoen.
Zij voelde tot hoog in 'r arm een stekende sinteling van uit de vingers, die de geldstukken omknelden.
"Ze zullen 't nóóit vergeven," dacht ze.
Als in 't Plantsoen de wind over de weien weer killer den stofregen aanblies, ging zij een steeg binnen.
Dan, als uit een valen slaap opgeschrikt, liep ze in een winkelstraat. Menschen met parapluën op gingen langs 't trottoir, heen-wadend door de licht-banen, die uit de stralende winkelkasten stonden, 't Eerste stille zijstraatje schoof het kind weer in.
Een oogenblik kwam 't tot haar bewustzijn, dat ze het japongoed nu nóg naar de naaister zou kunnen brengen.... het kon immers.... ze had het geld.... maar, als een vaste waarheid, wist ze tegelijkertijd, dat het niet kon.
Zij verdroeg dan niet langer de snijdende bijting der muntranden in haar kou-verstijfde palm, liet de twee geldstukken, of 't waardelooze dingen waren, in haar jurkzak glijden.
Toen het tien uur sloeg, dwaalde ze bij den grooten molen op den wal.
De arbeiders-huisjes, in de hoogte klein om het nacht-zwarte getorente, stonden al donker, met uitgebluschte vensters, en er was niemand meer buiten.
Ze was nu zoo moe, dat ze schreide zonder het te weten.
Eens gleed het pak uit haar gevoelloozen arm op den morsigen weg.... Zij raapte het op, als in een droom, voelde even de nattigheid van het bemodderde papier tegen haar arm, vergat 't dan weer.
Verwezen liep ze, al maar verder.... ze was nu buiten de stad.
Toen een man haar daar langs ging, op den duisteren weg, werd ze plotseling bang, en ze liep weer terug naar de stad.
De guldens had ze opnieuw in haar hand geklemd.
Ze ging door vele, breede, rechthoekende straten van een nieuwe wijk, en langs een gracht en door een rij van stegen....
't Sloeg half elf, toen zij was op de Markt.
't Liefst zou ze zoo maar op een stoep neerzakken om te slapen.
Ze dacht opeens klaar aan huis.... ze waren anders al naar bed op dit uur.... zouen ze nu wachten op haar?.... wat zouen ze denken? Wat zouen ze haar doen, als ze haar zagen....
Flitsen van gedachte-helderheid kwamen haar door de hersens geschoten: zij was gemeen geweest.... ze had 'r zuster verraden.... maar 'r zuster was gemeen tegen 'r jongen geweest.... nog véél gemeener.... Daar moest ze nu maar aan vasthouden.
Wat later vond ze zich, schrikkend weer, onder de helle straling der electrische booglampen op de spoorlijn, aan een hekje, dicht bij het station; ze keerde terug.
Een poos stond ze rillend ergens tegen een boom geleund, maar de felle nachtkou joeg 'r op.
Toen kwam het duidelijk tot haar bezinning, dat ze naar huis terug moest.... Ze kon niet anders dan weer naar huis gaan....
Haar voeten brandden van de pijn. Bij iederen stap leek een mes-punt in 'r zolen te dringen; haar rug deed pijn, haar beenen, haar armen deden pijn. 't Was telkens, of ze heel klein inkromp en dan weer uitzwol van de hevige pijn overal.
Toen het elf uur sloeg, was ze dicht bij de Hanekamp.
"'k Mot 't geld teruggeven," dacht ze.
"'k Mot vergiffenis vragen," dacht ze nog eens.
Maar ze dorst het Dijkje niet op, uit angst dat ze naar haar op den uitkijk zouden staan.
Als ze maar ergens liggen kon.... slapen....
Ze moest naar huis.... ze wou naar huis, al zouden ze 'r ook slaan....
Zoo kwam ze ten leste toch 't Dijkje op.... 't kamerraam was licht nog, maar 't deurtje was donker.
Tot driemaal toe hield zij haar stappen in, wou nòg terug gaan....
Aarzelend, eindelijk, sloop zij het grashellinkje af, aarzelend stak zij de hand aan den knop....
"Bè je daar, Merie?" riep gespannen-angstig de stem van 'r moeder.
Zij kwam binnen.
"God nog en toe," zei de vrouw.
't Kind, zonder een woord, lei de twee guldens op tafel, lei haar natgeregend, bemodderd pak ernaast. Op 'r knieën viel ze er bij neer, 't hoofd op 'r armen, met een enkele verdwaalde snik....
"God nog en toe," zei de vrouw nog eens.... "wat zie je d'r uit...."
Zij haalde de pruttelende koffiekan van het keukenfornuis, schonk 'r een groote kom vol.
"Hier," zei ze, "toe, sta nou op."
't Kind zat verwezen voor de bedstee-deurtjes. Tusschen een willooze snik-trekking door, dronk ze, gulzig, de koffie.
Dan, werktuigelijk, ging ze zich uitkleeden.
"Maak maar dat je erin ligt als je zusters komen," zei de vrouw, "ze zijn je aan 't zoeken.... 't is wat moois...."
Bijna dadelijk viel 't kind in 'n angst-zwaren uitputtingsslaap.
Den Zondag daarop was het erdoor; Sien vree niet meer met Hein, Sien vree met den jongen van Bertels.
Zoo'n klein wurm, had ze achter Marietjes rug gezegd, die moest nou de knoop nog doorhakken.... 't was eigenlijk maar goed geweest....
In 'r gezicht had Sien, den eersten morgen, haar een paar maal voor "gluiperd" en "genieperd" gescholden,--dat, en nog 'n enkel vermaan-woord van 'r moeder was 't eenige, wat ze over dien vreeselijken avond te hooren kreeg.
Ant bracht de twee guldens terug aan Hein. Ant alleen bleef, dagen lang nog, met stil-verwijtende oogen 'r aanzien.
Maar 't kind was te suf en te ziek-moe om er veel van te merken, merkte ook niet de stille zorg, waarmee de moeder, bekommerd over 'r slechte uitzien, 'r nog eens wat buiten 't gewone voedsel toestopte.
Langzaam kwam ze weer wat bij.
Toen, 's Woensdagsmiddags, was er een loopjongetje gekomen, van de menschen bij wie de naai-juffrouw inwoonde; die had gevraagd, of 't meissie eens aankomen wou....
Marietje was net in de Hanekamp, helpen borden wasschen van een bruiloft van den vorigen dag.
Toen ze om half vijf thuis kwam, zei de moeder 't, en 's avonds, klokkeslag zeven, stond ze bij de juffrouw op stoep.
De juffrouw was heel vrindelijk. Een van de dames patronessen, vertelde zij, had naar Marie Plas gevraagd, en zij had gezegd, dat die nog geen dienst had, want dat 'r kleeren nog niet gemaakt waren. Nou, en toen had die mevrouw weer gezegd, dat zij het dan wel geven wou, dan moest dat meisje het later maar afbetalen.... En hier had ze nou een rijksdaalder, om alles netjes te laten maken....
Stil stond het kind voor de groote mahonihouten tafel; een bange trilling kwam in 'r moeë oogen, toen de breede hand van de juffrouw, over het blinkende tafelblad heen, haar de groote zilverschijf toereikte.
Als ze niet dadelijk aannam, lei de juffrouw het klinkende stuk neer, schoof het met den gestrekten wijsvinger tot aan den tafelrand vlak voor haar.
"Nou?" zei ze met een onwillige kortaangebondenheid: "ben je niet blij?"
Een flauw lachje kwam er over het wezen van het kind.
"En krijg ik nu ook een dienstje?" vroeg ze dan, met een genepen stem.
"Jaa...." zei de juffrouw, "....we hebben al Juli op 't oogenblik.... de dienstjes zijn vergeven.... tenminste van de dames, die bij mij zijn geweest.... maar als je moeder nou eris wat hoort.... afijn, je mot zelf ook maar 's rondkijke, hè?"
"Ja juffrouw," zei het kind stil. Ze nam den rijksdaalder van tafel, mompelde nog iets, en ging dan.
Toen haar, dien avond, de maat werd genomen bij de naaister, kon ze bijna niet recht staan van de pijn in 'r lenden.
En vóór nog de japon af was, kwam Ant met de boodschap thuis, dat er een plaats was voor 'r zusje op 't fabriek van Hoogeboom; dat was de tweede tricot-weverij uit het stadje.
--Wat moest je nou doen?.... vond de moeder; je kon toch niet voor 't plezier van die japon zoo'n meevallertje laten passeeren! Maar ze moest toch zelf nog eens naar de naai-juffrouw gaan....
Die wist niets. Zij hoorde hier en daar in een winkel.... zij hoorde ook in een van haar werkhuizen--ja! je diende je toch wat moeite te getroosten, die dame had toch die rijksdaalder gegeven!--maar de meiden daar wisten ook niets. De juffrouw uit de Hanekamp, na 'r bevalling, wou Marietje wel een tijdje hebben, in de morgenuren, en dan tegen twaalf stuivers in de week.... Ja.... als 't nou nog voor vast was! .... op 't fabriek verdiende ze dadelijk veertien, en je klom gauw op.
Dus, 's avonds, werd er uitgemaakt, dat Marietje naar Hoogeboom zou.
't Kind was te verdoft-gedwee voor een klacht tegen. Wel had ze dadelijk gedacht: toch gelukkig niet die fabriek met die wielen voor de ruiten.....
En toen de nieuwe japon thuis kwam, keek ze er bijna niet naar om.
't Was al overlegd, dat ze in die japon naar 't fabriek moest. 't Afleggertje, had moeder gezegd, daar leek ze te min in....
En met de nieuwe week, 's morgens om kwart voor zeven, ging zij, in 't mooie water-blauwe katoen met de klaverblaadjes, naast Ant op weg.
De japon was op de groei gemaakt, viel sluik-ruim over 'r platte borstje, bultte onder de schouderbladen in een bolle dwarskreuk op.
Zoo, blootshoofds, 't gladgestreken haar recht-weg naar 't knoetje getrokken, de handen onwennig uit de te lange mouwen, en onwennig loopend in de belemmering van 'r voor 't eerst lange kleeren, kwam zij de gracht op, waar, vlak na elkaar, van vier fabrieken de bellen luidden.
Bij de eerste fabriek moest Ant van haar weg.
De vriendin van Ant, die bij Hoogeboom werkte, wachtte daar, en naast de vreemde meid, zonder te spreken, liep ze door de volte van werkvolk 't lange eind, tot voorbij de brug.
Een troepje deerns giechelde plotseling op over de rare nieuweling in 'r lichte japon....
"Sprot, Sprot," riep een jongen, die haar kende.
Toen, als in een hallucinatie, ging zij de wijde fabriekspoort binnen.
EINDE.